Geen ‘mediacode gezinsmoorden’

10 juni 2009

Naar aanleiding van recente berichtgeving over familiedrama’s c.q. gezinsmoorden is (opnieuw) discussie ontstaan over de vraag of media wellicht terughoudender over dergelijke kwesties zouden moeten berichten. Aan de orde is gesteld of het zinvol zou zijn een mediacode op te stellen. In dat verband is de Raad voor de Journalistiek opgeroepen zich met dit onderwerp bezig te houden.

De discussie is niet nieuw; ook ruim twee jaar geleden is deze gevoerd, eveneens in reactie op specifieke berichten in de media. Destijds, in maart 2007, heeft de Raad voor de Journalistiek in de discussie gewezen op uitspraken die hij in vergelijkbare zaken had gedaan. Kort daarna, eind april 2007, is de Leidraad van de Raad verschenen. Daarin zijn de standpunten vervat over wat de Raad wel of niet vindt passen bij de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de journalist. De Leidraad, die in april 2008 is aangepast, is te vinden op de website van de Raad (www.rvdj.nl).

In de Leidraad worden diverse aspecten aangestipt, die in de onderhavige discussie relevant kunnen zijn. Voorop moet worden gesteld dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws en dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Dit geldt ook voor publicaties over misdrijven, temeer daar deze een signaalfunctie kunnen hebben jegens burgers en overheid. Bij geweldsmisdrijven tegen personen kan volledigheid op het punt van de identiteit van het slachtoffer bovendien voorkomen dat verwarring met anderen optreedt, als gevolg waarvan bij derden nodeloze ongerustheid kan ontstaan.

Dat neemt niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie zouden kunnen worden geschaad. Vermeden moet worden dat nodeloos schade wordt toegebracht. Bovendien brengt de journalistieke verantwoordelijkheid met zich mee dat de persoonlijke levenssfeer over wie wordt gepubliceerd niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is. Zo heeft de Raad het vermelden van de volledige naam c.q. het tonen van een herkenbare foto van betrokkenen in diverse zaken journalistiek onzorgvuldig geacht.

Verder dienen details van een misdrijf weggelaten te worden, als voorzienbaar is dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of zijn naaste familieleden en die details niet noodzakelijk zijn om de aard of de ernst van het misdrijf, dan wel de gevolgen ervan, weer te geven.
In zijn algemeenheid is echter niet te zeggen of het al dan niet journalistiek toelaatbaar is om gedetailleerde informatie over een gezinsmoord of zelfdoding te publiceren. Er bestaat geen algemene consensus dat dergelijke informatie kopieergedrag bevordert; van belang daarvoor zal bijvoorbeeld ook zijn wat de toonzetting van de publicatie is. Uiteraard is wel van belang dat de journalist zich bewust is van zijn verantwoordelijkheid dat de wijze van berichtgeving niet moet aanzetten tot kopieergedrag. Een gedegen discussie daarover binnen de beroepsgroep kan nuttig zijn om meer helderheid te krijgen over de hierin te maken keuzes.

Een code op dit specifieke onderwerp acht de Raad niet wenselijk of nodig; ‘codes’ op deelgebieden maken het journalistieke speelveld minder overzichtelijk en de Leidraad biedt reeds waardevolle handvatten voor zorgvuldig journalistiek handelen. Het is ook niet aan de Raad om journalisten voor te schrijven wat zij wél en wat zij níet moeten publiceren. Uiteindelijk heeft de journalist tot taak om elke keer alle betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. Hij mag erop aangesproken worden dat hij dat steeds naar eer en geweten doet.

Meer berichten