Berichtgeving inzake vermissing Natalee Holloway

8 februari 2008

Naar aanleiding van de uitzending van Peter R. de Vries over de vermissing van Natalee Holloway en de rol die Joran van der Sloot daarbij mogelijk zou hebben gespeeld, en berichten daarover in andere media, is discussie ontstaan over de vraag hoe media over een dergelijke zaak zouden behoren te berichten. In dit verband acht de Raad voor de Journalistiek het zinvol te wijzen op een aantal algemene uitgangspunten die zijn vastgelegd in de Leidraad van de Raad (op te vragen bij het secretariaat of te downloaden via www.rvdj.nl)

De Raad stelt voorop dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Daarbij dient een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Dit geldt ook voor publicaties over misdrijven, temeer daar deze een signaalfunctie kunnen hebben jegens burgers en overheid.

In zijn berichtgeving maakt de journalist een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen. De journalist vermijdt eenzijdige en tendentieuze berichtgeving, maakt geen misbruik van zijn positie, verricht zijn werk in onafhankelijkheid en vermijdt (de schijn van) belangenverstrengeling.

De journalist betaalt getuigen en informanten niet voor verhalen, foto’s en andere informatie, tenzij het een redelijke onkostenvergoeding betreft. Koopt hij deze informatie wel, dan dient hij aannemelijk te maken dat een gewichtig maatschappelijk belang deze handelwijze rechtvaardigt en hem geen andere weg open stond dan ervoor te betalen.

Verder is het gebruik van verborgen opname-apparatuur in beginsel niet toelaatbaar. Hiervan kan de journalist alleen afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy en de veiligheid van betrokkenen. Voordat een redactie besluit tot publicatie of uitzending van de gesprekken en beelden die volgens deze werkwijze zijn vergaard, dient zij het belang dat met de openbaarmaking wordt gediend, af te wegen tegen de inbreuk die de publicatie of uitzending maakt op rechten en rechtmatige belangen van betrokkenen.

Bij het publiceren van beschuldigingen onderzoekt de journalist of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen.

De journalist die in een ander medium geuite beschuldigingen, negatieve kwalificaties en beweringen aan iemands adres overneemt, dan wel deze beweringen put uit artikelen of opnamen uit het archief, dient zich te houden aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij het publiceren van beschuldigingen. Hij mag er niet van uit gaan dat de eerder gepubliceerde uitspraken het karakter van onbetwiste feiten hebben aangenomen doordat zij niet zijn weersproken.

De redactie is verantwoordelijk voor de inhoud van ingezonden brieven en van reacties die worden geplaatst op de website van het betrokken medium. Het verdient de voorkeur dat de redactie de voorwaarden voor de selectie en plaatsing van reacties publiceert. Voordat de redactie besluit tot plaatsing van een reactie die een ernstige beschuldiging bevat, dient zij te onderzoeken of voor de beschuldiging een feitelijke grond bestaat. Bovendien dient de beschuldigde de gelegenheid te krijgen tot een weerwoord.

Ten slotte dient de journalist van wie blijkt dat hij onjuist dan wel op een wezenlijk punt onvolledig heeft bericht – zo mogelijk op eigen initiatief – op zo kort mogelijke termijn over te gaan tot een passende en ruimhartige rechtzetting, die ondubbelzinnig duidelijk maakt dat de berichtgeving in de te rectificeren publicatie of uitzending niet juist was. Indien een betrokkene die zich door de berichtgeving in redelijkheid tekortgedaan voelt, zelf reageert, neemt de redactie de vereiste zorgvuldigheid in acht bij de beslissing of – en zo ja, op welke wijze – de reactie van de betrokkene wordt gepubliceerd.

De vraag of met bepaalde publicaties de grenzen van zorgvuldige journalistiek zijn overschreden, kan de Raad (nog) niet beantwoorden. De Raad spreekt zich daarover in beginsel uit naar aanleiding van een klacht van een rechtstreeks belanghebbende en nadat het betrokken medium in de gelegenheid is gesteld op die klacht te reageren. De Raad zal zich nog buigen over de vraag of zich bij de berichtgeving in de onderhavige kwestie principiele vraagstukken voordoen c.q. hebben voorgedaan, waarover hij zich ambtshalve zou kunnen uitspreken.

Meer berichten