C. Publicatie

In hun publicaties maken journalisten een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen.

Columnisten, cartoonisten en recensenten zijn vrij om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd.

In publicaties worden de etnische afkomst, nationaliteit, ras, religie en seksuele geaardheid van groepen en personen alleen dan vermeld wanneer dit nodig wordt geacht voor een goed begrip van de feiten en omstandigheden waarover wordt bericht.

Beschuldigingen worden alleen gepubliceerd wanneer onderzocht is of hiervoor een deugdelijke grondslag bestaat, zeker wanneer die beschuldigingen werden geuit door personen die in conflict verkeren met de beschuldigde of die anderszins belanghebbende zijn.

Citaten uit interviews mogen niet worden gebruikt in een andere context dan de geïnterviewde mocht verwachten, gelet op wat hem door de journalist werd meegedeeld. Wanneer de aard of de inhoud van de publicatie in de loop van het redactieproces zodanig worden gewijzigd, dat niet meer wordt voldaan aan wat de geïnterviewde redelijkerwijs mocht verwachten, moet hem of haar opnieuw om toestemming voor publicatie worden gevraagd.

Journalisten die in hun publicaties linken naar informatie van derden, moeten daarbij de afweging maken of het belang dat met het plaatsen van de (hyper)link in de publicatie is gediend, in een redelijke verhouding staat tot de belangen die hierdoor mogelijk worden geschaad.

Beeldmateriaal mag niet worden gebruikt als illustratie bij een ander onderwerp of met een andere context dan waarvoor de beelden zijn gemaakt, tenzij duidelijk wordt gemaakt waarom het beeldmateriaal werd gebruikt.

Beeldmanipulaties mogen niet misleiden. Ingrepen die een duidelijke verandering in het beeld teweegbrengen, moeten de lezer en kijker worden gemeld.

C.1 Privacy


In een publicatie mag de privacy van personen niet verder worden aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy is onzorgvuldig wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.

Publieke figuren moeten zich een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit laten welgevallen. In hun privésfeer hebben ook zij recht op bescherming van hun privacy, tenzij gedrag in hun privéleven aantoonbaar van invloed is op hun publiek functioneren.

Journalisten publiceren geen foto’s en zenden geen beelden uit die zijn gemaakt van personen in niet-algemeen toegankelijke ruimten zonder hun toestemming, en gebruiken evenmin brieven en persoonlijke aantekeningen zonder toestemming van betrokkenen.*

Journalisten mogen personen niet langdurig lastig vallen, hinderlijk volgen of schaduwen.*

Journalisten dienen te voorkomen dat informatie of beelden worden gepubliceerd waardoor verdachten en veroordeelden door het grote publiek eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Aan deze regel zijn journalisten niet gehouden wanneer de naam een essentieel bestanddeel van de berichtgeving is, wanneer het niet vermelden van de naam wegens de algemene bekendheid van de betrokkene geen doel dient, wanneer door het niet vermelden van de naam verwarring kan ontstaan met anderen die hierdoor voorzienbaar kunnen worden geschaad, wanneer het vermelden van de naam gebeurt in het kader van opsporingsberichtgeving of wanneer de betrokkene zelf de openbaarheid zoekt.

In publicaties over ernstige misdrijven dienen details van het misdrijf te worden weggelaten indien te voorzien is dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of diens naasten en de details niet noodzakelijk zijn om de aard en de ernst van het misdrijf, dan wel de gevolgen ervan, weer te geven.

Bij het benaderen van slachtoffers van ongevallen en rampen en hun nabestaanden behoren journalisten rekening te houden met het recht van betrokkenen om met rust te worden gelaten. Ze dienen terughoudend te zijn indien de weerloosheid of geestelijke toestand van betrokkenen daartoe aanleiding geeft.

 


* Het afwijken van deze norm kan worden gerechtvaardigd wanneer er evident sprake is van een misstand én wanneer dit noodzakelijk is om de desbetreffende kwestie aan de orde te stellen.