2022/5 Zorgvuldig

X en Y / H. Evers en de hoofdredacteur van De Limburger

Samenvatting

H. Evers, ombudsman van De Limburger, heeft in de column “De Zoutgrot en het rechtgezetje” bericht over de omstandigheden en journalistieke vragen die ten grondslag lagen aan de conclusie RvdJ 2021/39. De Raad acht zich bevoegd de klacht te beoordelen en meent dat Evers op een correcte wijze verslag heeft gedaan van (de conclusie van de Raad in) de zaak. Er is geen sprake van een disproportionele aantasting van de privacy van klagers. Er bestond voor de hoofdredacteur geen aanleiding de column te rectificeren. Evers en De Limburger hebben dan ook journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X en Y

tegen

H. Evers en de hoofdredacteur van De Limburger

De heer W.Q.J.M. Orbons, jurist, heeft op 20 oktober 2021 namens de heer X en mevrouw Y een klacht ingediend tegen de heer H. Evers, ombudsman van De Limburger, en de hoofdredacteur van De Limburger (hierna gezamenlijk: De Limburger). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van partijen betrokken van 21 oktober 2021 en van 7 en 19 november 2021.

De klacht is behandeld op de digitale zitting van de Raad van 26 november 2021. Namens klagers was mevrouw Y aanwezig, vergezeld door Orbons. Verder is Evers verschenen.

DE FEITEN

Op 2 oktober 2021 verscheen in De Limburger een column van Evers met de kop “De Zoutgrot en het rechtgezetje”, die onder meer de volgende passages bevat:
“Kun je als journalist iemand letterlijk citeren zonder zelf met de bewuste persoon gesproken te hebben? Die vraag is niet zonder meer met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. De lezer mag ervan uitgaan dat journalisten zelf gesproken hebben met de mensen die ze in hun artikelen sprekend opvoeren. Dat hoeft niet altijd te betekenen dat ze tegenover elkaar gestaan of gezeten hebben. (…) Voorwaarde is dan wel dat altijd duidelijk wordt gemaakt wanneer en waar de betrokkene die uitspraken heeft gedaan, zodat de lezer ze in de juiste context kan plaatsen.
Zoutgrot
En precies daar wringt de schoen in een klacht die namens de eigenaren van de Zoutgrot in Herten bij de Raad voor de Journalistiek werd ingediend tegen De Limburger. Het ging om een artikel van Kitty Borghouts over zouttherapie voor mensen die corona hebben gehad en die last blijven houden van benauwdheidsklachten. Die therapie wordt aangeboden door de Zoutgrot in Herten. De journaliste stuurde het conceptartikel vóór publicatie op om het op fouten te laten controleren en om na te gaan of ze de uitspraken correct had weergegeven. Zij schreef ook dat ze geprobeerd had een longarts om een reactie te vragen, maar dat dat niet gelukt was. De volgende morgen belde ze met de mensen van de Zoutgrot over het concept. Die reageerden dat ze goede contacten hadden in de medische wereld en dat ze het artikel al aan iemand hadden laten lezen. Of de krant belangstelling had om die reactie in het stuk op te nemen. Toen ze het artikel terugstuurden, bleek een aantal passages te zijn toegevoegd. De journaliste nam aan dat het hier om de reactie van de bewuste medicus ging, maar later bleek dat niet zo te zijn.”
en:
“Na publicatie liet de longarts weten dat hij niet achter de plaatsing van dit citaat op deze plaats stond. Hij had dit tien jaar geleden op forum Longfonds gezegd, over COPD. Hij verzocht de krant te rectificeren. Dat gebeurde de volgende dag.” 
en:
“De eigenaren van de Zoutgrot waren over deze rectificatie niet te spreken. (…) Dus verlangden ze een rectificatie. Een rectificatie van een rectificatie dus. De krant vond (terecht!) dat dat een brug te ver was en weigerde nogmaals een ‘Rechtgezet’ te plaatsen. Daarop werd de zaak aan de Raad voor de Journalistiek voorgelegd. Vorige week verscheen de uitspraak. De Raad oordeelde dat de rectificatie waarheidsgetrouw was en dat dus van onzorgvuldige journalistiek geen sprake was.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen – kort samengevat – het volgende. De column bevat diverse feitelijke onjuistheden. De vraag of je als journalist iemand letterlijk kunt citeren zonder zelf met de bewuste persoon gesproken te hebben kan volgens het citaatrecht volmondig met ‘ja’ worden beantwoord. Ook klopt het niet dat de longarts met de krant zou hebben gebeld. Verder is feitelijk onjuist dat de Raad in zijn conclusie RvdJ 2021/39 heeft geconcludeerd dat de rectificatie waarheidsgetrouw was; de Raad heeft juist overwogen dat “…geen sprake meer is van waarheidsgetrouwe berichtgeving”. Bovendien heeft Evers niet vermeld dat volgens de Raad sprake was van een ongelukkige formulering waardoor niet kan worden uitgesloten dat sommige lezers het bericht zo opvatten dat klagers het citaat hebben verzonnen. De beschrijving van de conclusie is daarom ook tendentieus en onvolledig, aldus klagers. Daarnaast is hun privacy ongerechtvaardigd geschonden. Hoewel de Raad zijn conclusie heeft geanonimiseerd, spreekt Evers toch over de ‘Zoutgrot in Herten’. In dat verband wijzen klagers erop dat er maar één zoutgrot is in Herten, en in heel Limburg slechts twee.
Klagers voeren verder aan dat zij door de column opnieuw negatief in het nieuws worden gebracht en daardoor schade ondervinden. Daarbij komt dat Evers voor zijn beurt heeft gesproken, omdat herziening van de conclusie nog mogelijk was. Verder stellen zij de onafhankelijkheid van de ombudsman en de controle van zijn column ter discussie. Tot slot achten klagers de reactie van de hoofdredacteur op hun klacht onzorgvuldig. Gelet op wat zij hebben aangevoerd is het duidelijk dat de column onzorgvuldig is en dat de hoofdredacteur een rectificatie moet plaatsen.

Evers stelt hier – eveneens kort samengevat – het volgende tegenover. Hij betwist dat zijn column onjuistheden bevat. Zijn column ging niet over de Auteurswet, waartoe het citaatrecht behoort, maar over de journalistieke vraag of een journalist zelf gesproken moet hebben met een informant die sprekend wordt opgevoerd in een artikel. Hij blijft bij zijn uiteenzetting dat die vraag niet met ‘ja’ of ‘nee’ valt te beantwoorden. Verder heeft de Raad wel degelijk geconcludeerd dat de rectificatie waarheidsgetrouw was en in de column staat nergens dat de longarts met de krant zou hebben gebeld. Evers meent dat hij de privacy van klagers niet heeft geschonden. Hij heeft zich met opzet beperkt tot de aanduiding in de conclusie van de Raad, waarin is vermeld dat het gaat over ‘de eigenaren van de Zoutgrot in Herten’. Overigens stelt Evers ter discussie of de Raad wel bevoegd is te oordelen over zijn column. In dat verband merkt hij op dat hij een maandelijkse vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden en dat hij zijn bijdrage vooraf voorlegt aan de hoofdredacteur, die de eindverantwoordelijkheid draagt voor het gehele redactionele deel van de krant.
De hoofdredacteur verwijst naar zijn eerdere reactie aan klagers. Hij weet niet precies wat klagers vragen en wat hij dus verder met de klacht moet.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID

De Raad is bevoegd klachten over ‘journalistieke gedragingen’ te beoordelen. Op grond van artikel 4 leden 1 en 2 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek wordt onder ‘journalistieke gedraging’ verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep dan wel een handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die – geen journalist zijnde – regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van dagbladen.

In dit verband stelt de Raad voorop dat de klacht niet gaat over de wijze waarop Evers destijds de klacht van klagers heeft behandeld en daarover met hen heeft gecommuniceerd. De klacht gaat (enkel) over de column van Evers waarin hij de conclusie van de Raad analyseert.

Evers heeft opgemerkt dat hij regelmatig een dergelijke column schrijft als onderdeel van zijn werkzaamheden, dat hij daarvoor een vergoeding ontvangt en dat zijn columns onder de eindverantwoordelijkheid van de hoofdredacteur worden gepubliceerd. Aldus is sprake van een journalistieke gedraging in de hiervoor bedoelde zin, zodat de Raad bevoegd is de klacht te beoordelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Columnisten zijn vrij om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd.

Voor de lezer is duidelijk dat de column de persoonlijke mening van Evers behelst over de vraag of een journalist zelf gesproken moet hebben met een informant die sprekend wordt opgevoerd.  Het stond Evers vrij om de conclusie RvdJ 2021/39 te analyseren en daarbij de achtergronden van de zaak te schetsen, op de wijze zoals hij heeft gedaan. In de column komen geen kwalificaties of vergelijkingen voor die, gezien de aard van de publicatie, journalistiek ontoelaatbaar zijn.
Verder is niet gebleken dat de column relevante feitelijke onjuistheden bevat. In dat verband merkt de Raad op dat klagers in hun klacht een onvolledig citaat hebben opgenomen. In zijn conclusie heeft de Raad immers het volgende overwogen: Er is geen zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de kwestie gegeven, dat daarmee geen sprake meer is van waarheidsgetrouwe berichtgeving.” Evers heeft deze zin, die een dubbele ontkenning bevat, mogen parafraseren als “De Raad oordeelde dat de rectificatie waarheidsgetrouw was.”

Verder hebben klagers aangevoerd dat hun privacy ongerechtvaardigd is geschonden doordat in de column wordt gesproken over de ‘Zoutgrot in Herten’. De Raad stelt hierbij voorop dat de privacy van personen niet verder mag worden aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy is onzorgvuldig wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
Het was voor de begrijpelijkheid van de column – net als in de conclusie RvdJ 2021/39 – onvermijdelijk om te spreken over ‘zoutgrot’. Daarbij komt dat de column een vervolg is op het artikel “Met zout een beetje meer lucht voor oud-coronapati?nten”. Klagers hebben aan de totstandkoming van dat artikel meegewerkt en zijn daarin met voor- en achternaam genoemd. Ook in dat artikel is de zoutgrot van klagers aangeduid als de ‘Zoutgrot in Herten’. Door het enkele gebruik van die aanduiding, terwijl de vermelding van de namen van klagers achterwege is gelaten, is geen sprake van een disproportionele aantasting van de privacy van klagers. Dat de column aan klagers kan worden gekoppeld is daarvoor onvoldoende.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Evers journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. Er bestond voor de hoofdredacteur dan ook geen aanleiding om een rectificatie te plaatsen.

Relevante punten uit de Leidraad: A., C., C.1 en D.
Relevante eerdere conclusies: RvdJ 2016/36 en RvdJ 2009/22

CONCLUSIE

H. Evers en De Limburger hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 21 januari 2022 door mr. W.A.M. van Schendel, voorzitter, M.J.P.H. Josten, S. Kuijper, mw. dr. J. Luttikhold en A. Olgun, leden in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. G.A. van de Sluis, plaatsvervangend secretaris.