2022/22 Afgewezen

X / P. Dolhain en de hoofdredacteur van De Limburger - verzoekers inzake herziening conclusie RvdJ 2022/9

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om de conclusie
RvdJ 2022/9 over een klacht tegen P.
Dolhain en De Limburger (verzoekers) te herzien. Verzoekers maken bezwaar tegen de afwegingen die de
Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar hebben niet aannemelijk gemaakt dat
de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat
verzoekers zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de
Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

P. Dolhain en de hoofdredacteur van De Limburger
 
tot herziening van de conclusie van de Raad van 28 maart 2022 (RvdJ 2022/9) betreffende de klacht van

X
 
De heer B. Oostra, hoofdredacteur van De Limburger, heeft op 8 april 2022 (naar de Raad heeft begrepen) mede namens P. Dolhain (verzoekers) verzocht om herziening van de conclusie van 28 maart 2022 inzake de klacht van de heer X (klager) tegen de heer P. Dolhain en de hoofdredacteur van De Limburger. Bij de beoordeling van het herzieningsverzoek is verder correspondentie van de heer X betrokken van 1 mei 2022.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 20 mei 2022 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich voorafgaand aan de zitting verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en de overige leden.

DE FEITEN

De heer X heeft op 19 december 2021 een klacht ingediend tegen De Limburger over het artikel “Ruzie over vijftig meter lange schildering van kinderen op muur”.
 
Op 28 maart 2022 heeft de Raad geconcludeerd dat P. Dolhain en De Limburger journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. De Raad heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij in de selectie van nieuws. Het is aan de journalist om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.
Het voorgaande neemt echter niet weg dat de journalist in het algemeen een afweging moet maken tussen het belang dat met een publicatie is gediend en de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. Verder geldt dat in een publicatie de privacy van personen niet verder mag worden aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy is onzorgvuldig wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Ook in dit opzicht dient dus een belangenafweging plaats te vinden.
In dit geval is relevant dat klager als externe door de Vereniging van Eigenaren ingeschakelde beheerder slechts een uitvoerende taak heeft – en geen beslissende verantwoordelijkheid draagt – en daardoor geen partij is in de kwestie. Dit maakt dat het vermelden van zijn naam niet nodig was. De Limburger had kunnen volstaan met het noemen van de functie van klager, zoals dat kennelijk soms gebeurt bij bijvoorbeeld medewerkers van gemeenten. Door het achterwege laten van de functie van klager en te vermelden dat hij ‘namens de VvE’ heeft gesproken, is de hiervoor bedoelde rol van klager bovendien voor de gemiddelde lezer onvoldoende duidelijk. Dit brengt mee dat door het vermelden van de naam van klager in combinatie met het niet-vermelden van zijn functie, de belangen van klager nodeloos zijn geschaad. Daarbij kan in het midden blijven of klager al dan niet toestemming heeft gegeven voor het vermelden van zijn naam, hetgeen de Raad niet kan vaststellen nu partijen elkaar op dit punt tegenspreken.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers stellen dat de conclusie is gebaseerd op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten. Het kan geen feit zijn dat in het midden kan blijven of klager al dan niet toestemming heeft gegeven voor het noemen van zijn naam, al was het alleen maar omdat de lezingen hierover niet eensluidend zijn. Dit klemt temeer omdat dit het springende punt is op basis waarvan de Raad heeft geconcludeerd dat onzorgvuldig is gehandeld. De Raad had daarom beter onderzoek moeten doen naar wat er is toegezegd en zich bij voortdurende onduidelijkheid onbevoegd moeten verklaren (naar de Raad begrijpt: van een oordeel moeten onthouden). De Raad heeft de stelling van verzoekers dat er afspraken zijn gemaakt zonder aantoonbaar onderzoek terzijde geschoven, omdat klager ontkent wat verzoekers zeggen. Het lijkt dan ook dat de Raad meer waarde toekent aan de ontkenning van klager dan aan de bewering van verzoekers.

Klager stelt voorop dat hij nog altijd negatieve gevolgen ondervindt van de publicatie. Hij heeft uiteengezet wat er naar zijn mening verkeerd is gegaan bij de totstandkoming van het artikel. In dat verband heeft hij benadrukt dat Dolhain nooit heeft laten weten dat zijn naam zou worden vermeld.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien een verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoekers hebben dit niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekers eerder in de procedure hebben geformuleerd en die de Raad (in de kern) heeft betrokken bij zijn oordeel. Niet is gebleken dat de Raad zijn oordeel op onjuiste constateringen heeft gebaseerd.
Daarbij merkt de herzieningskamer op dat de Raad de naamsvermelding heeft beoordeeld in  combinatie met de niet-vermelding van de functie van klager.

In essentie vragen verzoekers om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet echter niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting of uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoekers het niet eens zijn met de afwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2022/13 en RvdJ 2022/7
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1
 
CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Zo vastgesteld door de Raad op 19 juli 2022 door mr. J.J. van Eck, voorzitter, mw. mr. N.A.M. van Herten, H.P.M.J. Schneider en mw. M. Thie, leden in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, plaatsvervangend secretaris.