2019/50 zorgvuldig

Samenvatting

H.J. Korterink (journalist) en H. van Maar (uitgever) hebben in het boek “De Holleeders – Familiedans om een criminele erfenis” aandacht besteed aan klagers (een ex-vriendin van Willem Holleeder en haar toenmalige echtgenoot). De klacht heeft betrekking op de weergave van uitlatingen die diverse betrokkenen in het Holleeder-proces hebben gedaan. Bij berichtgeving van feitelijke aard is het toepassen van wederhoor in beginsel niet nodig. Voor een uitzondering op deze regel bestond in dit geval geen aanleiding. Het boek laat de lezer voldoende ruimte om de informatie op waarde te schatten. Bezien in de context van de hele publicatie is de hoofdstuktitel “Schijthoer” niet nodeloos grievend noch anderszins journalistiek onzorgvuldig. Niet is gebleken dat een zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave is gegeven van wat zich tijdens het Holleeder-proces heeft afgespeeld, dat daarmee sprake is van niet-waarheidsgetrouwe of tendentieuze berichtgeving.
De privacy van klagers is niet onevenredig aangetast. Korterink en Van Maar mochten de passages over klagers publiceren op de wijze zoals zij hebben gedaan. Dat het mogelijk gaat om bijzaken die voor het strafproces niet relevant zijn, doet daaraan niet af. Journalisten zijn immers vrij in de selectie van wat ze publiceren. Met het aanbod van Korterink om met de ex-vriendin van Holleeder in gesprek te gaan en aandacht te besteden aan haar verhaal, heeft hij adequaat op de klacht gereageerd. Korterink en Van Maar hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X en Y

tegen

H.J. Korterink en H. van Maar

De heer mr. W. Timmermans, advocaat te Arnhem, heeft op 26 juni 2019 namens mevrouw X en de heer Y (klagers) een klacht tegen de heren H.J. Korterink en H. van Maar. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klagers en van Korterink en Van Maar van 4 juli en 8 juli 2019 en van 5 en 21 augustus 2019.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 30 augustus 2019 in aanwezigheid van de heer Korterink. Klagers zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

In april 2019 is een boek verschenen van de hand van Korterink met de titel “De Holleeders – Familiedans om een criminele erfenis”. Van Maar is uitgever van het boek.
Op de achterzijde van het boek is het volgende vermeld:
“Misdaadjournalist Hendrik Jan Korterink volgde het Holleederproces ‘ van binnenuit’. Zijn biografie van Willems ‘bloedgabber’ Cor van Hout kwam tijdens het proces uitgebreid aan de orde.
In De Holleeders komen alle betrokkenen aan het woord. Het eerste deel is de handgeschreven verklaring van 127 pagina’s van Holleeder zelf (‘Mijn verhaal’). Daarnaast bevat het boek letterlijke weergaves van de verhoren van Willem, Astrid en Sonja Holleeder, Sandra den Hartog en Peter R. de Vries, aangevuld met deskundige toelichtingen van misdaadjournalist Korterink.”

Hoofdstuk 10. “Francis, Bo en Richie”, dat is gewijd aan de kinderen van Cor van Hout en Sonja Holleeder, bevat onder meer de volgende passage over X:
“Toen Francis eindexamen moest doen was er volgens Astrid een incident geweest met [X]: die zou van het dak willen springen. Astrid: “Toen moest Franny ernaar toe om haar er af te halen.””

Verder wordt in hoofdstuk 24. “Schijthoer” uitgebreid aandacht besteed aan X. De eerste alinea van dit hoofdstuk luidt:
“Getuigen die een ander beeld schetsen dan Astrid, kunnen hun borst natmaken. Holleeders ex-vriendin [X] meldde zich nadat ze verslagen van de verhoren had gelezen en had gedacht: dit klopt helemaal niet met het beeld dat ik van hem heb. Dat heeft ze geweten. Aanvankelijk houdt Astrid zich nog een beetje in en zegt ze dat ze niks over “die vrouw” gaat zeggen, maar even later is het toch een “schijthoer” en een borderliner. “Hahaha! Die vrouw is helemaal idolaat van die man. Er zit een stekie los! lk heb haar nog gewaarschuwd!”

Dit hoofdstuk bevat onder meer de volgende passages:
“[X] woonde in de Van Eeghenstraat. Officier van justitie Sabine Tammes houdt Holleeder een telefoongesprek voor van 19 november 2004 tussen hem en [X]. Haar man wil het huis verkopen. Holleeder: “Je moet tegen hem zeggen: als hij mij een brief schrijft dat-ie ruzie met mij krijgt en dat die kale kankerhond mij niet moet beledigen (begint ineens enorm te schreeuwen). Geef mij zijn nummer maar!” Even later belt hij nog een keer en krijgt hij de elfjarige dochter van [X] aan de lijn. “Dag schatje.” Ze zegt dat papa de telefoon niet opneemt. Hij krijgt [X] weer aan de lijn. Holleeder (schreeuwend): “Je moet luisteren als ik praat! Als hij problemen zoekt, hoeft-ie niet ver te zoeken, die kan-ie krijgen. Zeg hem dat ik geen clown van hem ben!” Daarna de dochter nog even weer. “Dag schatje. Jouw vader is een grote pisbak, ik schijt op zijn kale kop. Zeg maar tegen je vader dat Willem heel pissig is en dat ik in het weekend langskom, dan los ik het even met hem op, die kankerhond.”
Tammes: “Meneer Holleeder, wat vindt u van dit gesprek?” Holleeder: “Ja, ik schreeuw weer.” Tammes: “U zegt ook allerlei zaken tegen de elfjarige dochter over haar vader. Is dat in de Jordaan ook gebruikelijk?” Holleeder: “Die dochter was wel wat gewend met haar vader. (…)””
en
“Tijdens een verhoor zegt Astrid: “Onze familie is een en al probleem. Wim zijn vrouw moest naar de grond kijken, anders kreeg ze een klap voor d’r kop.” Dit was voor [X] aanleiding om contact op te nemen en een verklaring af te leggen. Ze zegt daarin dat Astrid haar in 2001, vlak voor ze zelf was gescheiden, had gezegd geen zakelijke verbinding met Holleeder of met Willem Endstra aan te gaan. In een eerdere verklaring had ze gezegd dat ze “naïef en blind” was, ze vond Holleeder “gewoon een leuke en spannende man.””
en
Astrid: “(…) We hebben meer meegemaakt met [X], ze wacht haar hele leven al op Wim, ik ga haar verder niet ter discussie stellen.”
en
“Astrid: “Zij was een van de vrouwen die onderhouden moesten worden, die een financiële waarde vertegenwoordigden. Die zorgde dat hij een woning kon huren, die was heel bruikbaar. U dwingt mij die vrouw hier voor schut te zetten. Ze heeft een beleving van een relatie die ze nooit heeft gehad. Als u mijn moeder hoort over haar, die werd knettergek, ze belde dag en nacht op. Wat mijn moeder met die vrouw heeft meegemaakt... Toen mijn nichtje eindexamen deed moest ze van het dak worden gehaald.” Janssen [advocaat]: “Ze zegt: ‘Dat is volkomen flauwekul, nooit gebeurd.’” Astrid: “Alsof ze zich dat kan herinneren in een psychose.”
en
Astrid: “(…) Wilt u meer horen over [X] d’r borderlinesyndroom?” Janssen: “Ook op momenten buiten Willem om wordt er een beeld neergezet dat je niet kan spelen.” Astrid: “Hahaha! Die vrouw is helemaal idolaat van die man. Er zit een stekkie los! lk heb er nog gewaarschuwd!”
en
“Als Janssen aan Sonja voorhoudt dat [X] zegt dat ze close was met Sonja en dat de band met moeder Stien goed was, zegt Sonja: “lk had echt medelijden met die vrouw, wat ze allemaal voor hem deed, ze was zo gek op die man. Het is zielig dat ze zo behandeld wordt. De laatste keer kon hij haar niet meer gebruiken omdat ze geen geld meer had. Ze heeft een motor voor hem gekocht. Ze was zo gek op hem dat ze mijn moeder belde dat ze ‘t niet meer aankon, van het dak wilde springen. lk zal je het nog wat duidelijker vertellen: ik moest altijd naar haar toe van Wim. Ze was niet mijn vriendin.” Janssen: “Ze omschrijft het contact met u als goed en warm.” Sonja: “Zielig, heel erg om aan te zien hoe hij met haar omging.””
en
“Volgens [X]’s dochter ging Cor soms snuiven en werd hij dan agressief. Sonja: “Cor heeft nooit gesnoven, ze moet naar haar eigen kijken, dat mens is knettergek. Aardig, maar knettergek. lk moest altijd van hem naar haar, ze is nog nooit bij mij geweest, ik weet niet waar je ‘t over hebt.” Sonja had wel bij [X] in Duitsland gelogeerd. “lk moest die vrouwen in de gaten houden. Sandra ook. Als de schilder kwam, moest ik er al gaan zitten, dat ze niet alleen met de schilder was. Dan was het: ‘ga naar [X].’ Als ik nee zei, was het: ‘Je gaat gewoon.’ lk moest kijken of het daar gezellig was, dan kon hij naar andere vriendinnetjes.” Sonja vond [X] “een zielig vrouwtje, het was Wim er alleen maar om te doen haar van haar geld af te halen. Het is alleen maar uitbuiten, meer niet. Wij hebben haar tegenover hem altijd wel lief en aardig gevonden. Wim riep over haar alleen maar ‘mafkees dit, mafkees dat...’”
De relatie tussen Sonja en [X] was wel goed, “alleen op het laatst, toen heb ze een sms verstuurd, ik moest vaak op bezoek met vriendinnen van Wim, wat zij niet wist. Toen hij opgepakt was, heb ik gezegd: ‘Hij heb nog twee andere vriendinnen.’ Toen heb ik een sms van haar gekregen, die kan ik je laten lezen, daar lusten de honden geen brood van. Omdat zij toch de hoofdvrouw was.””

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen – kort samengevat – het volgende. X heeft tussen 1999 en 2002 een relatie met Willem Holleeder gehad. In 2001 lag zij in een scheiding met Y. Ondanks het einde van haar relatie met Willem Holleeder heeft zij vanuit haar rechtvaardigheidsgevoel besloten om een ontlastende verklaring af te leggen. Dat is niet in goede aarde gevallen bij Astrid en Sonja Holleeder, die juist belastende verklaringen hebben afgelegd. In dit verband wijzen klagers erop dat de afgelegde verklaringen bij de rechter-commissaris, voor zover niet ter zitting behandeld, niet openbaar zijn. De processen-verbaal worden slechts aan de rechtbank en verdediging ter beschikking gesteld. De zittingen waren in beginsel openbaar, maar daar zijn geen audio-opnames door de pers gemaakt en het uitgewerkte verslag van de griffie is niet openbaar. Het aantal zitplaatsen voor het publiek was beperkt en de strafzittingen zijn niet live uitgezonden. Een derde kan dus niet zonder meer toetsen, of hetgeen is weergegeven in het boek juist is. Evenmin kan worden beoordeeld in welke context de geselecteerde passages zijn geuit. Voor de gemiddelde lezer is de toegang tot de informatie dus zeer beperkt en deze is daarom aangewezen op een getrouwe en volledige weergave daarvan door journalisten. Dat leidt ertoe dat in dit geval van de journalist een bijzondere zorgvuldigheid mag worden verwacht.
De passages waarin klagers voorkomen, dienen geen enkel journalistiek of maatschappelijk belang. Hoofdstuk 24. bevat louter bijzaken, die voor het strafproces irrelevant zijn. In dat hoofdstuk zijn talloze, ernstige beschuldigingen jegens X opgenomen die aantoonbaar onjuist en onnodig kwetsend zijn. De gewraakte passages zijn, op uitzonderingen na, waarheidsgetrouw weergegeven in de zin dat het citaten betreffen uit verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder. Inhoudelijk zijn de passages echter onjuist en/of onvolledig, en deels uit de context geplaatst. Korterink en Van Maar hebben nagelaten de verklaringen kritisch te benaderen en nuances aan te brengen. Zij hebben de citaten ten onrechte als feiten weergegeven en de beschuldigingen tot die van henzelf gemaakt, zodat er voor de gemiddelde lezer geen ruimte is zich een eigen oordeel te vormen.
Daarbij komt dat X op twee plaatsen foutief is geciteerd. Zo heeft ze niet gezegd dat ‘ze naïef en blind was’, maar juist het tegendeel verklaard, te weten: “Volgens meneer Teeven was ik compleet naïef en blind en had ik met een heel zwaar iemand te maken gehad, maar voor mij was dat natuurlijk niet zo. (…) lk heb Willem denk ik leren kennen in 1999. Vroeger had je geen internet en geen krant, dus ik wist niet wie Willem was toen ik hem leerde kennen. lk vond het gewoon een leuke, spannende man.” Bovendien hebben Korterink en Van Maar er bewust voor gekozen om hoofdstuk 24 de onjuiste en onnodig kwetsende benaming “Schijthoer” te geven. Deze kwalificatie ziet waarschijnlijk op een door Astrid Holleeder over X gemaakte zijdelingse opmerking. De benaming is volledig uit de context gehaald en dekt niet de lading van het verhaal; het geeft niet goed weer hoe Astrid en Sonja eigenlijk over X dachten. Daarnaast wordt de kwalificatie gebruikt voor prostituees. Dat is X niet en zij heeft geen enkel contact met dat milieu. Bovendien wordt de kwalificatie nergens tussen aanhalingstekens geplaatst, waardoor de gemiddelde lezer ten onrechte de indruk zal krijgen dat het een waardeoordeel van de journalist betreft.
Ten aanzien van Y geldt dat het telefoongesprek van 19 november 2004 juist is weergegeven en dat dit ook geldt voor de vraag van de officier van justitie en de reactie daarop van X. Echter, ook hier zijn passages onvolledig weergegeven en uit hun context geplaatst, waardoor zij geen waarheidsgetrouw beeld opleveren. Ten onrechte is de indruk gewekt dat Y door Holleeder dreigde te worden afgeperst, alsmede dat hij regelmatig tegen zijn dochter schreeuwt en grove bewoordingen bezigt.
Klagers voeren aan dat het hier geen weergave van feiten uit rechtbankverslagen betreft, maar dat het grotendeels gaat om als feiten gepresenteerde verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder. Tussen hen en X bestaat een conflictsituatie, hetgeen Korterink en Van Maar bekend was. Ook waren zij ermee bekend dat X zich tijdens het proces bij de advocaat van Willem Holleeder heeft gemeld, omdat zij zich niet kon vinden in de wijze waarop over haar werd gesproken. Verder wisten zij dat de advocaat van Holleeder zich herhaaldelijk erover heeft beklaagd dat Astrid en Sonja Holleeder grenzen overschreden zonder dat de rechter daartegen optrad. Hierbij komt dat Korterink zelf heeft verklaard dat hij de manier waarop Astrid en Sonja X ter zitting door het slijk hebben gehaald, weerzinwekkend vindt en dat hij zich kan voorstellen dat X het onaangenaam vindt op deze manier in de publiciteit te komen.
Alle belangen tegen elkaar afwegend stond het Korterink en Van Maar niet vrij om deze gewraakte passages op deze wijze te publiceren. Gelet op de ernst van de beschuldigingen en de bronnen waaruit deze voortkomen, hadden de beschuldigingen aan het adres van klagers alleen gepubliceerd mogen worden na het verrichten van onderzoek en toepassen van wederhoor. Dat hebben Korterink en Van Maar echter nagelaten, terwijl op de achterkant van het boek wel de suggestie is gewekt dat alle betrokkenen aan het woord zijn gekomen. Bovendien hebben zij geen rekening gehouden met de kwetsbaarheid van X als getuige, die in een opzienbarend strafproces een ontlastende verklaring heeft afgelegd, in de wetenschap dat ze daarmee de publieke opinie tegen zich krijgt.
Door de onzorgvuldige handelwijze is een eenzijdig, onjuist en tendentieus beeld van klagers geschetst. X heeft geen zelfmoordpogingen ondernomen, lijdt niet aan psychische kwalen en was rond de eindexamentijd van Francis niet in Nederland. Zij is nimmer door Willem Holleeder fysiek mishandeld of financieel uitgebuit. Bovendien is de privacy van klagers onnodig aangetast.
Klagers zijn zowel door mensen uit hun directe omgeving als door onbekenden op de publicatie aangesproken. De publicatie heeft negatieve gevolgen voor hen en voor hun dochter.

Korterink en Van Maar stellen daar – eveneens kort samengevat – het volgende tegenover. De passages waar klagers bezwaar tegen maken, hebben alle betrekking op letterlijke verklaringen tijdens het strafproces en dus op rechtbankverslaggeving. Het toepassen van wederhoor was dan ook niet nodig.
Hoofdstuk 24 is een samenvatting van de verschillende verhoren van Astrid en Sonja. De volledige verslagen staan op de website van Korterink. Hij heeft geprobeerd in het boek de essentie van de verhoren weer te geven. Het is juist dat hij zich niet kritisch heeft uitgelaten over de verklaringen.
Dat hoort bij objectieve journalistiek: zo zorgvuldig mogelijke weergave van de feiten, zonder commentaar. De verslagen staan al vanaf 3 december 2018 online. Als klagers toen bezwaar hadden gemaakt, had Korterink eventueel aanpassingen kunnen aanbrengen en daarmee rekeningen kunnen houden voor de publicatie van het boek. Een gesprek met X, eventueel off the record, was uitermate relevant en interessant geweest. Het is moeilijk voorstelbaar dat klagers pas na publicatie van het boek hinder ondervonden.
Sonja en Astrid beweren van alles over X. Het is niet zonder meer na te gaan wie de waarheid spreekt. Dat Korterink en Van Maar weten dat hun beweringen niet juist zijn, klopt niet. Een verslag van een zitting is bovendien geen onderzoeksreportage, waarbij het om waarheidsvinding gaat. Vrijwel alles wat X zelf naar voren heeft gebracht, via haar advocaat Janssen, is zo volledig en precies mogelijk weergegeven. Korterink meent tijdens de zitting te hebben gehoord dat X in een eerdere verklaring had gezegd dat ze naïef en blind was. Hij kan dit verkeerd hebben verstaan of het is verkeerd gezegd, dat is niet na te gaan. Hij begrijpt nu dat officier van justitie Teeven de opmerking over X heeft gemaakt, maar is dat ter zitting niet besproken. Korterink is bereid dit in een volgende druk aan te passen.
Voor tal van betrokkenen in het proces geldt dat er negatieve gevolgen zijn. X heeft die over zichzelf afgeroepen door tijdens het proces contact op te nemen met de advocaat en haar mening naar voren te brengen. Bewonderenswaardig en dapper. Dat Astrid en Sonja haar dit niet in dank zouden afnemen, kon zij vermoeden. Zonder die actie had vrijwel niemand van haar bestaan geweten.
Voor de hoofdstuktitel “Schijthoer” is gekozen vanwege de benaming die Astrid aan X geeft. Dit scheldwoord – dat binnen de familie Holleeder veelvuldig wordt gebruikt – is relevant, omdat het duidelijk maakt hoezeer Astrid Holleeder iedereen die het tegen haar opneemt negatief neerzet.
Dat het woord wordt gebruikt om een prostituee aan te duiden is onjuist. Uit niets blijkt enig verband tussen X en prostitutie. Lezers kunnen die indruk ook niet krijgen; Holleeder wordt met tal van vriendinnen in verband gebracht, die geen van allen ook maar iets met prostitutie te maken hebben. Net als bij de andere hoofdstuktitels gaat om een kernachtig woord.
Het anonimiseren van verdachten en getuigen wordt soms toegepast, maar in misdaadboeken vrijwel nooit. Korterink en Van Maar betwisten dat Y eenvoudig is te identificeren. Verder merken zij op dat X in het verleden zelf contact heeft gezocht met RTL Boulevard en toen heeft meegewerkt aan een uitzending.
Korterink heeft klagers meegedeeld dat hij bereid was tot een gesprek. Hij heeft aangeboden om in goed overleg hun kant van het verhaal weer te geven in de hem ten dienste staande kanalen en op te nemen in een volgende druk. Ook heeft hij laten weten bereid te zijn de gedetailleerde verslagen van het proces offline te halen. Die hebben geen toegevoegde waarde meer, hij heeft die verslagen gemaakt in het kader van het werken aan het boek. Klagers hebben hiervan geen gebruik willen maken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt vast dat klagers bezwaar maken tegen passages waarin uitlatingen worden weergegeven die door diverse betrokkenen zijn gedaan in het Holleeder-proces. Een journalist hoeft bij berichtgeving van feitelijke aard, zoals verslagen van rechtszaken, in beginsel geen wederhoor toe te passen. Voor een uitzondering op deze regel bestond in dit geval geen aanleiding.

Daarbij neemt de Raad is aanmerking dat de passages niet zijn gepresenteerd als vaststaande feiten, maar voor rekening zijn gelaten van de diverse betrokkenen. Bovendien komt in het boek duidelijk tot uitdrukking dat tussen Astrid en Sonja Holleeder enerzijds en X anderzijds een conflictsituatie is ontstaan. Het boek laat de lezer dan ook voldoende ruimte om de informatie op waarde te schatten.
Dit geldt ook voor de titel “Schijthoer” van hoofdstuk 24. De titel is weliswaar niet tussen aanhalingstekens geplaatst, maar uit de eerste alinea van het hoofdstuk blijkt direct dat het een uitlating van Astrid Holleeder betreft.
Het stond Korterink en Van Maar vrij die uitlating op deze te gebruiken als titel van het hoofdstuk. Bezien in de context van de hele publicatie is dit gebruik niet nodeloos grievend en ook anderszins niet journalistiek onzorgvuldig.

Niet is gebleken dat Korterink en Van Maar een zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave hebben gegeven van wat zich tijdens het Holleeder-proces heeft afgespeeld, dat daarmee sprake is van niet-waarheidsgetrouwe of tendentieuze berichtgeving.

Verder is X – door de wijze waarop zij bij het Holleeder-proces is betrokken en het feit dat zij kennelijk zelf eerder de publiciteit heeft gezocht – in zekere zin een publieke figuur is geworden. Zij zal zich daarom een zekere mate van ongewilde publiciteit moeten laten welgevallen. In dit licht bezien is de vermelding van haar naam journalistiek toelaatbaar. De privacy van X is evenmin onevenredig aangetast door de vermelding van de straat waarin zij destijds woonde. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat geen huisnummer is genoemd en X daar al een geruime tijd niet meer woonachtig is.
Het is niet aannemelijk dat Y voor een groot publiek identificeerbaar is geworden. Dat hij wellicht in kleine kring is herkend, kan daaraan niet afdoen.

Het voorgaande leidt ertoe dat Korterink en Van Maar de passages over klagers mochten publiceren op de wijze zoals zij hebben gedaan. Dat het mogelijk gaat om bijzaken die voor het strafproces niet relevant zijn, doet daaraan niet af. Journalisten zijn immers vrij in de selectie van wat ze publiceren.

Ten slotte stelt de Raad vast dat Korterink, nadat klagers hun bezwaren hadden kenbaar gemaakt, heeft aangeboden met X in gesprek te gaan. Bij die gelegenheid had zij haar verhaal naar voren kunnen brengen, waarna Korterink daaraan aandacht zou hebben besteed. Dat X van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, kan Korterink en Van Maar niet worden tegengeworpen.

Een en ander leidt tot de conclusie dat Korterink en Van Maar journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A., B.3 en C.1.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2019/11

CONCLUSIE

Korterink en Van Maar hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 25 november 2019 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, L.A.M.M. Donders, mw. M. ten Katen, M. Keppels en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.