2019/30 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om de conclusie RvdJ 2019/1 over een klacht van T. Herrema tegen M. Beijer, de hoofdredacteur van Almere DEZE WEEK en Rodi Media B.V. (verzoekers) te herzien. De herzieningsprocedure staat alleen open voor media en journalisten die niet slechts formeel maar ‘daadwerkelijk’ in de zin van ‘effectief’ op de klacht hebben gereageerd. Verzoekers hebben dat echter niet gedaan.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

M. Beijer, de hoofdredacteur van Almere DEZE WEEK en Rodi Media B.V.

tot herziening van de conclusie van de Raad van 7 januari 2019 (RvdJ 2019/1) betreffende de klacht van

T. Herrema

Mevrouw mr. K.O. Valentien, advocaat te Almere, heeft op 1 februari 2019 namens M. Beijer, de hoofdredacteur van Almere DEZE WEEK en Rodi Media B.V. (verzoekers) verzocht om herziening van de conclusie van 7 januari 2019 inzake de klacht van de heer T. Herrema (klager) tegen verzoekers. Bij de beoordeling van het herzieningsverzoek is verder correspondentie van verzoekers en klager betrokken van 21 februari 2019 en van 11 maart 2019.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 15 maart 2019 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer T. Herrema heeft op 26 juli 2018 een klacht ingediend M. Beijer, de hoofdredacteur van Almere DEZE WEEK (hierna ook: ADW) en Rodi Media B.V.

In een e-mail van 5 oktober 2018 heeft mevrouw Valentien namens verzoekers het volgende aan de Raad bericht:
“Tot mij hebben zich gewend Rodi Media Midden Nederland BV (Almere Deze WEEK) en de heer Beijer inzake de klacht die bij de Raad voor de Journalistiek is ingediend door de heer T. Herrema. Cliënten wensen niet te reageren op noch mee te werken aan de behandeling van deze klacht.”

De Raad heeft in zijn conclusie van 7 januari 2019 – voor zover in het kader van deze herzieningsprocedure van belang – geconcludeerd dat Beijer, Almere DEZE WEEK en Rodi Media B.V. met de publicatie van het artikel “Werkrelatie ADW en wethouder ernstig verstoord” journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Hij heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat Beijer, Almere DEZE WEEK en Rodi Media via hun advocaat duidelijk hebben gemaakt dat zij zich in deze zaak niet wensen te verweren. Van een principiële afwijzing van de Raad is niet gebleken. De Raad zal de klacht dan ook inhoudelijk beoordelen.
Uit wat klager heeft aangevoerd is aannemelijk geworden dat naar aanleiding van het eerste contact op 5 juni 2018 tussen Almere DEZE WEEK en de burgemeester van Almere uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden. In het kader van dat overleg zijn op vrijdag 8 juni 2018 in samenspraak met de burgemeester, de gemeentesecretaris, de krant en klager de vragen geformuleerd voor Hoffmann Bedrijfsrecherche. Op basis daarvan heeft Hoffmann onderzoek gedaan naar de relevante inhoud van de privé telefoon van klager. Partijen hebben afgesproken dat wanneer het rapport van Hoffmann klaar was en vrijgegeven door klager, dit ook voor de krant beschikbaar zou zijn. Diezelfde avond heeft de krant bij de burgemeester aangekondigd dat zij op 12 juni tot publicatie zou overgaan. Op 11 juni heeft de gemeente het concept-artikel ontvangen, waarbij haar de gelegenheid is geboden te reageren op feitelijke onjuistheden en een weerwoord te geven. Omdat het rapport van Hoffmann nog niet gereed was, heeft de gemeentesecretaris telefonisch geïnformeerd naar de tussenstand. Het definitieve rapport is op woensdag 13 juni vrijgegeven.
De Raad overweegt dat journalisten in beginsel vrij zijn in de selectie van nieuws, maar dat neemt niet weg dat zij zo volledig mogelijk dienen te berichten en eenzijdige berichtgeving behoren te vermijden. In ieder geval dient het belang dat met een publicatie is gediend te worden afgewogen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. Bovendien dienen journalisten hun werk in onafhankelijkheid te verrichten en (de schijn van) belangenverstrengeling te vermijden.
Het is evident dat Beijer en de krant betrokken zijn bij de kwestie en als zodanig belanghebbenden zijn. Doordat zij hebben meegewerkt aan het opstellen van de vragen voor het onderzoeksbureau, waarna afspraken zijn gemaakt over de verspreiding van het rapport, zijn zij ook partij geworden bij dit onderzoek. Daarbij gaat het bovendien om zeer ernstige aantijgingen aan het adres van klager, die voor hem grote gevolgen kunnen hebben.
De Raad vindt dat Almere DEZE WEEK onder deze specifieke omstandigheden niet tot publicatie had mogen overgaan voordat het definitieve onderzoeksrapport was vrijgegeven. Immers, pas op dat moment kon zo volledig en onafhankelijk als in dit geval mogelijk over de kwestie worden bericht. Bovendien waren klager en de gemeente dan beter in staat geweest te reageren.
Door toch voor het verschijnen van het rapport van Hoffmann het artikel te publiceren hebben Beijer, Almere DEZE WEEK en Rodi Media B.V. journalistiek onzorgvuldig gehandeld.”

HET STANDPUNT VAN PARTIJEN

Verzoekers stellen – samengevat – dat zij daadwerkelijk op de klacht hebben gereageerd en dat dit standpunt bij de conclusie is betrokken. Zij wijzen in dat verband op de eerste alinea van de beoordeling zoals deze hiervoor onder ‘De Feiten’ is weergegeven. Zij voeren aan dat zij zich destijds niet konden verweren in verband met het feit dat klager aangifte had gedaan tegen Beijer en ADW. Een verweer op de klacht zou hun belangen in die procedure (zeer wel) mogelijk hebben benadeeld, zodat van dat verweer is afgezien.
Verder gingen verzoekers ervan uit dat de Raad een juiste conclusie kon opstellen op basis van de door klager ingediende stukken. Zij hebben echter geconstateerd dat de conclusie, althans op één onderdeel betreffende het artikel van 12 juni 2018, berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten. Dit konden verzoekers niet voorzien. Het gaat om de volgende passage: “Doordat zij hebben meegewerkt aan het opstellen van de vragen voor het onderzoeksbureau, waarna afspraken zijn gemaakt over de verspreiding van het rapport, zijn zij ook partij geworden bij dit onderzoek.”  Verzoekers stellen dat daaruit blijkt dat de Raad ten onrechte ervan uit is gegaan dat tussen hen, klager en de gemeente Almere afspraken zijn gemaakt over de verspreiding van het rapport Hoffmann en dat zij hebben meegewerkt aan de opstelling van de vragen aan het onderzoeksbureau. Verzoekers hebben hun standpunten ter zake uitgebreid toegelicht en de Raad verzocht alsnog te concluderen dat zij journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.

Klager stelt hier – eveneens samengevat – tegenover dat verzoekers naar aanleiding van de klacht aan de Raad te kennen hebben gegeven dat zij op geen enkele wijze wilden meewerken aan de behandeling van de klacht. Daarin leest hij geen voorbehoud ten aanzien van de uitkomsten. Niet valt in te zien waarom het verzoek tot herziening nu in behandeling zou moeten worden genomen. Een niet-ontvankelijkverklaring ligt voor de hand, aldus klager. Daarbij komt dat op grond van het Reglement van de Raad de basis voor herziening ontbreekt, nu verzoekers in eerste instantie niet daadwerkelijk op de klacht hebben gereageerd.
Voor het geval de Raad toch tot inhoudelijke beoordeling van het herzieningsverzoek zou overgaan, heeft klager nog uitvoerig op de verdere standpunten van verzoekers gereageerd.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad is het volgende bepaald:
“Een conclusie van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klacht, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van het medium dat of de journalist die daadwerkelijk op de klacht heeft gereageerd.”

Verzoekers hebben aangevoerd dat zij met het e-mailbericht van 5 oktober 2018 ‘daadwerkelijk’ op de klacht hebben gereageerd en dat dit ook blijkt uit de eerste alinea van de beoordeling van de klacht, waarin de Raad het volgende heeft overwogen:
“De Raad stelt voorop dat Beijer, Almere DEZE WEEK en Rodi Media via hun advocaat duidelijk hebben gemaakt dat zij zich in deze zaak niet wensen te verweren. Van een principiële afwijzing van de Raad is niet gebleken. De Raad zal de klacht dan ook inhoudelijk beoordelen.”
Het standpunt van verzoekers berust echter op een verkeerde uitleg van deze passage, die moet worden bezien in de context van artikel 9 lid 5 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, waarnaar in de conclusie is verwezen en waarin het volgende is bepaald:
“Indien de klacht is ingediend tegen een medium dat of een journalist die zich uit beginsel niet verweert, ziet de Raad af van behandeling, tenzij de klacht volgens de Raad van algemene strekking of principieel belang is.”

Met de bepaling van artikel 10a lid 1 is echter beoogd om de herzieningsprocedure alleen open te stellen voor media en journalisten die niet slechts formeel maar ‘daadwerkelijk’ in de zin van ‘effectief’ op de klacht hebben gereageerd. Ofwel, zoals de Raad destijds in zijn persbericht van 26 februari 2010 heeft verwoord: “op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.” 

Aangezien verzoekers niet ‘daadwerkelijk’ op de klacht hebben gereageerd in de zin als hiervoor bedoeld, ziet de herzieningskamer geen aanleiding tot herziening van de conclusie.

Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 27 mei 2019 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, dr. H.J. Evers, J. Hoogenberg, mw. A. Pruis en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.