2019/3 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht van de heer K. Zuidhof (verzoeker) tegen NRC Handelsblad (RvdJ 2018/35) te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

K. Zuidhof

tot herziening van de conclusie van de Raad van 31 augustus 2018 (RvdJ 2018/35) betreffende zijn klacht

tegen

de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

De heer K. Zuidhof te Den Haag (verzoeker) heeft op 19 september 2018 verzocht om herziening van de conclusie van 31 augustus 2018 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van verzoeker betrokken van 4 en 10 oktober 2018. De hoofdredacteur van NRC Handelsblad heeft niet op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 2 november 2018 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich voorafgaand aan de zitting verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

De heer Zuidhof heeft op 8 februari 2018 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad over de artikelen “De keiharde lobby voor een extreem duur medicijn”, “Hoe een leugen van een farmaceut de Tweede Kamer bereikte”, “Valse informatie lobbyist ‘vervuilde’ debat duur medicijn” en “Intern onderzoek naar handelwijze Orkambi-lobbyist”. In de artikelen is bericht over de rol van verzoeker als lobbyist bij de parlementaire besluitvorming ten aanzien van het toelaten van een geneesmiddel tot het verzekerde pakket.

De Raad heeft op 31 augustus 2018 geconcludeerd dat NRC Handelsblad journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld en daartoe het volgende overwogen:
“De Raad heeft de kern van de klacht zo opgevat, dat NRC onvolledig over de kwestie heeft bericht door geen aandacht te besteden aan de uitspraak van de Klachtencommissie. De Raad zal zich tot deze kern beperken.
De Raad stelt voorop dat media in een democratische samenleving een belangrijke rol hebben om als ‘publieke waakhond’ onderzoek te verrichten naar en aandacht te besteden aan politieke besluitvormingsprocessen, zoals in dit geval rond de toelating van het geneesmiddel Orkambi tot het verzekerde pakket.
NRC heeft aannemelijk gemaakt dat er voldoende aanleiding bestond om in het hiervoor bedoelde  kader in de artikelen van 17/18 november 2017 te berichten over de betrokkenheid van klager als lobbyist. Daarbij kwam klager – zoals de krant heeft aangevoerd – gaandeweg het journalistieke onderzoek centraal te staan in de berichtgeving. Dit leidde vervolgens tot het artikel van 30 november 2017, waarin uitvoerig is bericht over de klachten die tegen klager waren ingediend en de aanstaande behandeling daarvan door de interne Klachtencommissie.
De Raad constateert dat de berichtgeving ontegenzeglijk ernstige beschuldigingen aan het adres van klager in de uitoefening van zijn beroep bevat, waardoor zijn integriteit is aangetast.
Voorts stelt de Raad vast dat de Klachtencommissie enerzijds heeft geoordeeld dat de door klager verstrekte informatie onvoldoende gecheckt en onjuist was, maar dat de klachtencommissie anderzijds diverse nuanceringen heeft aangebracht en onder meer heeft beslist dat klager te goeder trouw heeft gehandeld.
Vanwege de door NRC gekozen insteek van haar eerdere berichtgeving – met een centrale rol voor klager en de aankondiging van het interne onderzoek naar de handelwijze van klager – had het dan ook op de weg van de krant gelegen om tevens aandacht te besteden aan de oordelen en nuanceringen van de Klachtencommissie, zij het niet uit eigen beweging dan toch in ieder geval nadat klager de krant hierover had benaderd.
In dit verband overweegt de Raad dat journalisten weliswaar vrij zijn in de selectie van nieuws, maar dat dit niet wegneemt dat zij zo volledig mogelijk dienen te berichten en eenzijdige berichtgeving behoren te vermijden.
Doordat geen aandacht is besteed aan de uitspraak van de Klachtencommissie is de berichtgeving niet evenwichtig. Dit leidt tot de conclusie dat NRC Handelsblad journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt – samengevat – dat de Raad terecht heeft geconstateerd dat de berichtgeving ernstige beschuldigingen aan zijn adres in de uitoefening van zijn beroep bevat, waardoor zijn integriteit is aangetast. Hier zijn onder meer punten A en C van de Leidraad aan de orde. De berichtgeving is eenzijdig en tendentieus. Er zijn ernstige beschuldigingen gepubliceerd zonder deugdelijke grondslag en zolang de berichtgeving nog online te raadplegen is, blijven die ernstige beschuldigingen levend en tasten ze zijn integriteit aan, aldus verzoeker.
Hij meent dat de Raad dit deel van zijn klacht, over de publicaties zelf, ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten door de klacht zo op te vatten dat NRC onvolledig over de kwestie heeft bericht door geen aandacht te besteden aan de uitspraak van de Klachtencommissie van de BVPA.
De Raad heeft vervolgens geoordeeld dat om die reden de berichtgeving onevenwichtig is en de krant daarmee journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Gevolg is dat NRC er kennelijk vanuit gaat dat de publicaties zelf wel door de beugel kunnen. Diverse medewerkers van de krant hebben zich in hun reacties helemaal gericht op het oordeel van de Raad dat NRC ten onrechte niet heeft bericht over de oordelen en nuanceringen van de Klachtencommissie. NRC heeft daarom geen reden gezien om de geleden schade te beperken door een rectificatie. Ook heeft de krant de aanbeveling van de Raad, om het oordeel te publiceren, naast zich neergelegd.
Tegen die achtergrond vraagt verzoeker aan de Raad alsnog te oordelen over het hiervoor geschetste niet beoordeelde deel van zijn klacht. Verzoeker heeft zijn standpunten uitvoerig toegelicht.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

In artikel 10a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad is bepaald dat herziening van een eerder gedane conclusie alleen mogelijk is indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Uit het verzoekschrift blijkt niet dat verzoeker vindt dat de Raad aan zijn oordeel – kort gezegd – onjuiste feiten ten grondslag heeft gelegd. Het verzoekschrift bevat vooral (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder in zijn klacht heeft geformuleerd. De Raad begrijpt het verzoekschrift aldus dat verzoeker vindt dat de Raad zijn klacht onjuist heeft behandeld, door deze te beperkt op te vatten. Ook als dat al het geval zou zijn – de Raad kan dat in het midden laten – biedt dit geen grond voor herziening. Voor een herziening alleen op grond van een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Het is niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoeker het niet eens is met de afwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2017/15
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 14 januari 2019 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, J. Hoogenberg, S. Kuijper en F.Th.H. Ruys, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.