2019/16 deels-onzorgvuldig

Samenvatting

F. Hermans, de Gelderlander en het AD hebben in de artikelen “Weldoener of oplichter? FIOD doet onderzoek”, “Een man die gestopt moet worden?” en  “Mahin Jankie, de man die gestopt moet worden?” bericht over M. Jankie, stichting Multidag Nijmegen, Coöperatie Multidag U.A. en stichting Multiculturele Dagverzorging (klagers). Voor zover de klachten betrekking hebben op het informeren van Jankie over de insteek van een interview met Hermans, de toepassing van wederhoor en het geven van inzage vooraf, is de Raad van oordeel dat op die punten niet journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. Verder is de berichtgeving over het algemeen niet onjuist, onevenwichtig en/of tendentieus.
Wel vindt de Raad dat met de zin “FIOD doet onderzoek” in de hiervoor geciteerde kop alsmede met de passages in de artikelen waarin dat (vermeende) onderzoek aan de orde wordt gesteld, journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. In de berichtgeving is geen inzicht gegeven in het verrichte onderzoek en het beschikbare bronnenmateriaal. Hierdoor is voor de lezers onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar waarop de informatie – die klagers in ernstige mate diskwalificeert – is gebaseerd.
De Raad voor de Journalistiek doet de aanbeveling aan de Gelderlander en het AD deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klachten van

1.      stichting Multidag Nijmegen, Coöperatie Multidag U.A. en stichting Multiculturele Dagverzorging
2.      M. Jankie

tegen

1.      F. Hermans en de hoofdredacteuren van de Gelderlander en het AD
2.      F. Hermans en de hoofdredacteur van de Gelderlander

De heer mr. J. van Berk, advocaat te Nijmegen, heeft op 3 september 2018 namens stichting Multidag Nijmegen, Coöperatie Multidag U.A. en stichting Multiculturele Dagverzorging een klacht ingediend tegen de heer F. Hermans en de hoofdredacteuren van de Gelderlander en het AD.
Vervolgens heeft mr. Van Berk op 2 november 2018 namens de heer M. Jankie een klacht ingediend tegen voornoemde Hermans en de hoofdredacteur van de Gelderlander. De heer Jankie is bestuurder van de onder 1. genoemde organisaties (hierna gezamenlijk: klagers).
Vanwege de samenhang van beide klachten heeft de Raad deze gevoegd behandeld en beoordeeld.

Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klagers, de heer Hermans en de heer H. Nijenhuis, hoofdredacteur van het AD, betrokken van 5 september, van 1 en 5 oktober 2018, van 20 november 2018 en van 3 december 2018.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 14 december 2018. Namens klagers waren mr. Van Berk en de heer M. Jankie aanwezig, vergezeld door de heren R.R.R.N. Jankie en mr. S. Jankie.  Verder zijn de heer Hermans en de heer P. Jansen, hoofdredacteur van de Gelderlander, verschenen. Het AD was niet aanwezig.

DE FEITEN

Op 23 mei 2018 is in de Gelderlander een artikel van de hand van Hermans verschenen met de kop “Weldoener of oplichter? FIOD doet onderzoek”. De intro van dit artikel luidt:
“Is Nijmegenaar Mahin Jankie de weldoener die zijn omgeving jaren in hem heeft gezien? Of schuilt achter het imago van de aimabele Nijmeegs-Surinaamse zorgondernemer in werkelijkheid een doortrapte oplichter? Steeds meer mensen die met hem te maken hebben gehad, zeggen dat laatste.”
Verder bevat dit artikel onder meer de volgende passage:
“Jankie zou als vrijwilliger veel werk doen in de zorg. Maar er zijn nu ook verhalen, steeds hardnekkiger, die een andere kant van hem laten zien. Hij zou een wanbetaler zijn. In elk geval doet op dit moment de fiscale recherche FIOD onderzoek naar hem.”
Het slot van het artikel luidt:
“Mahin Jankie verwerpt alle aantijgingen met klem.”

Het artikel is vervolgd onder de kop “Een man die gestopt moet worden?”. De intro van dit vervolgartikel luidt:
“In 2015 kreeg de Nijmeegse zorgondernemer Mahin Jankie nog een lintje. Nu wordt hij beschuldigd, onder meer van fraude. Is Jankie een wanbetaler, zoals wordt gezegd? ,,Onzin.””
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passage:
“Jankie laat zich niet snel imponeren. Ook niet nu hij onder de loep wordt genomen voor vermeende faillissementsfraude door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD). De Nijmeegse curator Reinier Pijls deed aangifte van een delict dat zou hebben plaatsgevonden bij een van de voorlopers van de Nijmeegse Multidag-stichting, een dagbesteding in Spijkenisse. In 2007 begonnen, in 2011 gestopt. De administratie is zoek, terwijl de stichting is ingeschreven op het woonadres van Jankie. Pijls: ,,Doordat er geen administratie aan mij wordt overhandigd, kan ik mijn werk niet doen.”
Dat is strafbaar op grond van artikel 344a van het wetboek van strafrecht. ,,De maximale gevangenisstraf is 4 jaar”, laat een woordvoerster van de FIOD weten.
Jankie heft daarnaar gevraagd hulpeloos de armen. ,,Ik ben geen dader, maar slachtoffer! Die zaak loopt al sinds 2011. De stichting staat inderdaad op mijn woonadres, maar het is een voormalige directeur in Zuid-Holland die er met tonnen vandoor is gegaan. Hij is de oplichter, niet ik.””
Het slot van het artikel luidt:
“Mehedi zucht diep. Jankie is volgens haar als een koekoek die háár nest – Sifa – heeft afgepakt. ,,We zijn inmiddels een bodemprocedure gestart. Hij probeert een coup te plegen. Terwijl ík de oprichter van Zorggroep Sifa ben.”
Maar zelfs als ze er als winnaar uitkomt, en daar twijfelt Mehedi niet aan, is het volgens haar zeer de vraag of de deurwaarder die 100.000 euro aan achterstallig zorggeld weet te vinden. ,,Hij doet rare dingen. Niemand lijkt grip op hem te hebben, door zijn web aan stichtingen waarbij hij of zijn gezin betrokken is. De heer Jankie voert extreem veel rechtszaken tegen iedereen die tegen hem ingaat. Dit moet stoppen. Anders maakt hij nog meer mensen en bedrijven kapot.””
Dit vervolgartikel is diezelfde dag ook nagenoeg gelijkluidend op de website van de Gelderlander gepubliceerd en doorgeplaatst op de website van het AD onder de kop “Mahin Jankie, de man die gestopt moet worden?” en met de intro:
 “Weldoener of oplichter? De Nijmeegse zorgondernemer Mahin Jankie kreeg in 2015 nog een lintje. Nu wordt hij van alle kanten beschuldigd, onder meer van fraude. “Deze man moet gestopt worden.””

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen – samengevat – dat Hermans voorafgaand aan het interview met Jankie niet heeft kenbaar gemaakt wat de aanleiding was van het door hem te schrijven artikel. Bij het maken van de afspraak was de insteek die van een eerder gesprek tussen Jankie en Hermans, waarin Hermans had laten weten dat hij een artikel wilde schrijven over het specifieke zorgaanbod van klagers. Voorafgaand aan het gesprek is niet duidelijk gemaakt dat de berichtgeving de strekking zou hebben die ze nu heeft. Als Jankie daarvan vooraf op de hoogte was geweest, dan had hij zich daarop kunnen voorbereiden. Nu werd hij onverwachts geconfronteerd met aantijgingen uit verschillende hoeken. Overigens heeft Hermans in het geheel geen aandacht besteed aan de uitleg die hem is gegeven over het zorgaanbod van klagers.
Voorts stellen klagers dat sprake is van onjuiste berichtgeving. Jankie is nooit verdacht van, laat staan veroordeeld voor, het strafrechtelijk vergrijp oplichting. Daarbij komt dat Jankie ten onrechte is vereenzelvigd met rechtspersonen waarbij hij betrokken is (geweest); de rechtshandelingen van de rechtspersonen zijn één op één aan Jankie toegerekend. Die handelingen zijn niet te kwalificeren als oplichting en bovendien heeft Jankie nooit persoonlijk dergelijke handelingen verricht. Jankie kan daarentegen wel als weldoener worden gekwalificeerd, omdat hij onbezoldigd werkzaamheden verricht en daarvoor een lintje heeft ontvangen. Volgens klagers had de kwalificatie ‘oplichter’ daarom niet als tegenhanger van ‘weldoener’ in de kop mogen staan. Ook de passages over het FIOD-onderzoek zijn onjuist. Er is ten onrechte gesteld dat een onderzoek naar Jankie wordt gedaan, terwijl blijkens het artikel de curator aangifte van faillissementsfraude zou hebben gedaan tegen een stichting. Zelfs als het klopt dat de curator aangifte heeft gedaan, betekent dat nog niet dat de FIOD onderzoek doet. Klagers benadrukken dat er geen FIOD-onderzoek loopt tegen Jankie noch tegen de rechtspersonen waarvan hij bestuurder is (geweest). Jankie heeft Hermans duidelijk uitgelegd dat de Kamer van Koophandel een adreswijziging niet correct heeft verwerkt, waardoor de failliete stichting op zijn huisadres staat ingeschreven. Daarnaast heeft hij meegedeeld dat hij al 2,5 jaar voor het faillissement niet meer in het bestuur van deze stichting zat. Op de zitting voegt mr. Van Berk hieraan desgevraagd toe dat de FIOD geen mededelingen doet over lopende onderzoeken. In ieder geval heeft Jankie geen brief hierover gehad en er zijn ook geen andere standaardactiviteiten door de FIOD verricht die bij zo een onderzoek horen. In de faillissementspraktijk richten de pijlen zich doorgaans op de bestuurder, maar dat was Jankie al lang niet meer. De activiteiten van de betreffende stichting hebben in Spijkenisse plaatsgevonden en de administratie heeft zich ook altijd daar bevonden. Verder maken klagers er nog bezwaar tegen dat op verschillende andere plaatsen Jankie is verwisseld met rechtspersonen en dat hij als ‘zorgondernemer’ is aangeduid. Jankie is onbezoldigd vrijwilliger en bestuurder bij verschillende rechtspersonen.
Volgens klagers is de berichtgeving ook onevenwichtig en tendentieus, zoals onder meer blijkt uit de koppen van de artikelen. Die mogen weliswaar prikkelend zijn, maar de kop “Mahin Jankie, de man die gestopt moet worden?” is zeer diffamerend. Hierbij is van belang dat Jankie in de kop is genoemd en dat het artikel tal van feitelijke onjuistheden bevat. Bovendien heeft Hermens de in de kop opgeworpen vraag aan het eind door Mehedi bevestigend laten beantwoorden: “Dit moet stoppen, anders maakt hij nog meer mensen en bedrijven kapot.” Dit is lasterlijk, aldus klagers. Zij vinden verder dat desinformatie is verhuld als nieuwsfeiten en dat er een scheve verhouding bestaat tussen de passages waarin negatief dan wel positief over hen is bericht. Daarbij komt dat Hermans tal van aan hem toegestuurde documenten niet heeft meegenomen in de berichtgeving en geen aandacht heeft besteed aan de uitleg die Jankie heeft gegeven over een boekhoudster die betrokken is geweest bij Multidag. Zonder het uitdiepen van de volledige onderliggende gang van zaken en het vermelden van alle juiste feiten, kan niet worden gesproken van een evenwichtige publicatie. Door de wijze waarop Hermans zijn bronnen heeft geselecteerd zijn tendentieuze artikelen ten nadele van klagers gepubliceerd. De gemiddelde lezer zal daardoor tot de onterechte conclusie zijn gekomen dat Jankie een oplichter en faillissementsfraudeur is, die gestopt moet worden.
Bij dit alles komt dat geen deugdelijk wederhoor is toegepast, aldus klagers. Uit het vervolgartikel is op te maken dat Hermans eerst informatie heeft vergaard bij mevrouw Mehedi en vervolgens Jankie in de gelegenheid heeft gesteld om daarop te reageren. Op het wederhoor van Jankie heeft mevrouw Mehedi nog eens mogen reageren, maar daarna is Jankie niet opnieuw benaderd voor een tegenreactie. Klagers menen dat door deze gang van zaken het principe van hoor en wederhoor is geschonden.
Ten slotte vinden klagers dat een voorgenomen publicatie die zo beschadigend is als de onderhavige, ter verificatie van de feiten moet worden voorgelegd aan de geïnterviewde. Tegen de achtergrond van de later – na het interview – aan Hermans aangeleverde documenten, had Hermans de artikelen vooraf aan Jankie moeten voorleggen om evidente onjuistheden te kunnen weerleggen. Dat heeft Hermans ten onrechte niet gedaan, aldus klagers.
Zij benadrukken dat de berichtgeving hen veel last heeft bezorgd, omdat zij daarop veelvuldig zijn aangesproken, onder meer door cliënten en andere zakelijke relaties.

Hermans en de Gelderlander stellen hier – eveneens samengevat – tegenover dat kritische geluiden over Jankie de aanleiding vormden voor de berichtgeving. Als dergelijke geluiden de ronde doen over iemand die zorggeld int en uitgeeft, dan is dat journalistiek relevant. Hermans heeft voor het interview telefonisch een afspraak gemaakt via de secretariaatsmedewerkster, waarbij hij heeft aangekondigd dat hij Jankie wilde interviewen over de zorg die hij levert en dat hij daarbij vragen had. Tijdens het interview heeft hij de strekking ervan direct duidelijk gemaakt. Na een korte inleiding over het lintje dat Jankie eerder had gekregen en zijn goede reputatie, heeft Hermans expliciet gezegd dat hij ook andere, kritische geluiden had gehoord. Vervolgens ging het hele interview daarover. Mocht Jankie vooraf niet hebben geweten dat het interview ging over de rechtszaken die hij voert, dan is daar vanaf het begin van het gesprek geen enkel misverstand over mogelijk geweest. Temeer omdat Jankie en zijn vrouw uitvoerig antwoord gaven op de kritische vragen van Hermans. Overigens toonde Jankie geen enkele verbazing toen Hermans de vele rechtszaken aankaartte. Dit duidt erop dat Hermans vooraf heeft aangekondigd het daarover te willen hebben, hoewel hij zich dat niet met volledige zekerheid kan herinneren. Verder heeft Jankie geen enkel moment aandrang vertoond om het gesprek, dat zo’n anderhalf uur duurde, te willen beëindigen. Hermans heeft niet expliciet geschreven over het zorgaanbod, omdat dat niet het onderwerp van zijn berichtgeving was.
Hermans en de Gelderlander betwisten dat de berichtgeving onjuistheden bevat. Ten aanzien van het gebruik van de aanduiding ‘oplichter’ voeren zij aan dat een term in een kop prikkelend mag zijn en dat deze in dit geval niet hoeft te voldoen aan de strafrechtelijke definitie. Met betrekking tot de passages over het FIOD-onderzoek wijzen zij erop dat de stichting waarnaar de curator onderzoek doet, als adres het woonadres van Jankie voert. Dat komt omdat Jankie van die stichting bestuurder is (geweest). Als de curator onderzoek doet naar de stichting, dan is het niet vreemd te veronderstellen dat hij ook onderzoek doet naar de persoon erachter, in dit geval Jankie. Op de zitting voegt Hermans hieraan toe dat de curator hem heeft meegedeeld dat de FIOD onderzoek deed dan wel ging doen. Hermans beschikt ook over een bevestiging ter zake van een andere bron, maar die kan hij vanwege de vertrouwelijkheid alleen aan de Raad en niet aan klagers laten zien. Verder wijst hij erop dat niet hij maar mevrouw Mehedi Jankie en Multidag heeft vereenzelvigd.
Ook weerspreken Hermans en de Gelderlander dat sprake is van onevenwichtige en tendentieuze berichtgeving. In de kop “Een man die gestopt moet worden?” staat een vraagteken; de opgeroepen stelling wordt niet als feit geponeerd. In de intro van het artikel geeft Jankie zelf al antwoord: “Onzin.” Het is journalistiek gebruikelijk om de lezer met een prikkelende kop en inleiding het verhaal in te trekken, daar is niets mee mis. Dat wat klagers lasterlijk noemen, is een citaat van mevrouw Mehedi, met wie Jankie een conflict heeft. Zij komt inderdaad uitvoerig aan het woord, maar tegelijkertijd heeft Jankie alle kans gekregen om haar beschuldigingen tegen te spreken. Hermans en de Gelderlander menen dat zij de voor- en tegengeluiden evenwichtig aan bod hebben laten komen. Een journalist kan niet uitputtend alle aangevoerde argumenten uitvoerig uit de doeken doen. De krant heeft daarvoor onvoldoende ruimte en bovendien moet de berichtgeving begrijpelijk zijn voor de lezer. Ook zonder uitputtendheid kan sprake kan zijn van een evenwichtige publicatie. Juridische kwesties lenen zich er niet voor om – voor een breed lezerspubliek – tot in detail te worden toegelicht. Het is wel zaak om beide partijen zo goed mogelijk in beeld te brengen en dat is hier gebeurd. Van een onevenredige verhouding tussen negatieve en positieve passages is geen sprake. In dat verband merken Hermans en de Gelderlander op dat Jankie veel meer tekstruimte toebedeeld heeft gekregen dan zijn criticasters. Het is juist dat niet alle ontvangen documenten zijn meegenomen in de publicatie. Dat geldt ook voor de stukken die Hermans kreeg van de personen die klaagden over Jankie. De publicaties gaan echter niet over het vaststellen van wie er al dan niet gelijk heeft, maar over het feit dat over een gelauwerde stadsgenoot ook andere geluiden zijn te horen. De boekhoudster is niet genoemd, omdat dit niet nodig was voor het neerzetten van een evenwichtig beeld over klagers.
Verder voeren Hermans en de Gelderlander aan dat zij Jankie hebben gevraagd op de kritische geluiden te reageren. Dat heeft hij uitvoerig gedaan en zijn reactie is uitgebreid verwerkt in de berichtgeving. Aan mevrouw Mehedi is niet méér gelegenheid gegeven om te reageren dan aan Jankie. Na het interview met Jankie heeft Hermans nog kort contact gehad met Mehedi om een toelichting te vragen op een onduidelijkheid: ging het om 100.000 of 30.000 euro zorggeld, zoals Jankie stelt? Op grond daarvan kan niet worden gesteld dat het principe van hoor en wederhoor is geschonden. Hermans zou een slechte journalist zijn, als hij die aanvullende vraag niet alsnog had gesteld.
Ten slotte wijzen Hermans en de Gelderlander erop dat er geen verplichting bestaat om een dergelijke publicatie vooraf ter inzage voor te leggen. In dat verband benadrukken zij dat er geen feitelijke onjuistheden in de artikelen staan.

Het AD sluit zich geheel aan bij het verweer van de Gelderlander. Beide kranten zijn onderdeel van De Persgroep, een nieuwsorganisatie waarin artikelen worden uitgewisseld. Het artikel dat op de website van AD.nl/nijmegen heeft gestaan is exact hetzelfde stuk als dat op de website van de Gelderlander is verschenen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klachten bestaan in de kern uit de volgende onderdelen:
1.      Jankie is onvoldoende geïnformeerd over de insteek van het interview met Hermans;
2.      de berichtgeving is feitelijk onjuist;
3.      de berichtgeving is onevenwichtig en tendentieus;
4.      er is onvoldoende wederhoor toegepast;
5.      de artikelen zijn ten onrechte niet vooraf ter inzage aan klagers voorgelegd.

Ad 1.
De Raad overweegt dat een journalist die iemand wil interviewen, diegene zodanig behoort in te lichten over de aard van de publicatie, dat de te interviewen persoon voldoende geïnformeerd kan beslissen of hij aan die publicatie wil meewerken. Het is voldoende aannemelijk dat het Jankie in ieder geval kort na aanvang van het gesprek met Hermans duidelijk moet zijn geworden dat hij werd geïnterviewd naar aanleiding van kritische geluiden en ook wat de context en strekking van de publicatie zouden zijn. Als Jankie vervolgens niet (verder) had willen meewerken, dan had het op zijn weg gelegen om het gesprek met Hermans te beëindigen, maar dat heeft hij kennelijk niet gedaan. Op dit punt is niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Ad 2. en 3.
De Raad stelt voorop dat de journalist vrij is in de selectie van nieuws. Dit brengt mee dat het aan de redactie is om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Er bestaan geen journalistieke normen die meebrengen dat Hermans aandacht had moeten besteden aan álle hem ter beschikking gestelde documenten en/of dat hij evenveel ruimte had moeten geven aan positieve en negatieve passages over klagers.
Verder is het journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp(er) wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Ten aanzien van de kop “Een man die gestopt moet worden?” is daarvan in ieder geval geen sprake.

Met betrekking tot de kop “Weldoener of oplichter? FIOD doet onderzoek” neemt de Raad allereerst in aanmerking dat Jankie als vrijwilliger én als bestuurder bij diverse zorginstellingen is betrokken. Verder is aannemelijk geworden dat Jankie zich als het gezicht van die instellingen profileert, zodat hij en die instellingen vereenzelvigd kunnen worden. Dat er juridisch een onderscheid bestaat tussen Jankie en de zorginstellingen, doet daar niet aan af. In eerdere zaken heeft de Raad bepaald dat een journalist zich bij het hanteren van de kwalificatie ‘oplichting’ niet hoeft te beperken tot gedragingen waarbij sprake is van oplichting in strafrechtelijke zin. In de tekst van het artikel wordt deze term voldoende genuanceerd. Voor zover in de kop de kwalificatie ‘oplichter’ als tegenhanger van ‘weldoener’ is gebruikt, waarbij bovendien de zin als vraag is geformuleerd, is daarmee niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld.

Echter de zin “FIOD doet onderzoek” in de hiervoor geciteerde kop alsmede de passages in beide artikelen waarin dat (vermeende) onderzoek aan de orde wordt gesteld, vindt de Raad journalistiek onzorgvuldig. Klagers hebben gemotiveerd betwist dat zij bij een FIOD-onderzoek zijn betrokken. Hermans heeft desgevraagd meegedeeld dat hij van de curator had vernomen dat een FIOD-onderzoek zou worden verricht. De bewering is echter niet toegeschreven aan de curator maar als vaststaand feit gepresenteerd. In dat verband heeft Hermans nog aangevoerd dat hij bewijs ter zake kan overleggen, maar dat hij dit vanwege de vertrouwelijkheid van de bron alleen aan de Raad beschikbaar kan stellen. Ten behoeve van een eerlijke procedure – waarbij partijen over en weer op elkaars stukken moeten kunnen reageren – kan de Raad van dat bewijs geen kennis nemen. Wat daar van zij, ook als een journalist terecht zijn bron beschermt en vertrouwelijk behandelt, dan nog dient hij in zijn berichtgeving voldoende inzicht te geven in het verrichte journalistieke onderzoek en het beschikbare bronnenmateriaal. Dat is hier niet gebeurd. Voor de lezers is onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar waarop de informatie – die klagers in ernstige mate diskwalificeert – is gebaseerd.

Voor het overige is niet gebleken dat sprake is van onjuiste, onevenwichtige en/of tendentieuze berichtgeving. In dat verband merkt de Raad nog op dat een uitgebreide reactie van Jankie is opgenomen. Ten slotte is het niet journalistiek onzorgvuldig om hem aan te duiden als ‘zorgondernemer’, ook als hij niet beoogt winst te maken en dus geen ‘ondernemer’ is in commerciële zin. Daarbij is mede in aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de vereenzelviging van Jankie en de zorginstellingen.

Ad 4.
Het principe van hoor en wederhoor houdt in dat aan iemand die door een publicatie wordt gediskwalificeerd, voldoende gelegenheid wordt geboden om te reageren op de aantijgingen. Dit betekent niet dat de journalist na het verkrijgen van dat wederhoor daarin opgenomen feiten niet elders zou mogen verifiëren, bijvoorbeeld bij een bron die de beschuldigingen heeft geuit.
Het is aannemelijk dat aan Jankie alle in de berichtgeving opgenomen beschuldigingen voor wederhoor zijn voorgelegd en dat zijn reactie adequaat in de artikelen is verwerkt. Niet is gebleken dat mevrouw Mehedi in een later contact met Hermans nieuwe beschuldigingen heeft geuit. Er bestond dan ook geen aanleiding voor Hermans om nogmaals wederhoor toe te passen.

Ad 5.
Er bestaat geen norm op grond waarvan een journalist verplicht is om vooraf een artikel ter inzage toe te sturen, tenzij dit met de betrokkene is afgesproken. Gesteld noch gebleken is dat Hermans met Jankie hierover een afspraak heeft gemaakt.

Een en ander leidt tot de conclusie dat voor zover de klacht betrekking heeft op de passages over het (vermeende) FIOD-onderzoek Hermans, de Gelderlander en het AD journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Verder was hun handelwijze zorgvuldig.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A., B.1, B.3 en B.4
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/22, RvdJ 2018/21, RvdJ 2017/43, RvdJ 2015/15, RvdJ 2014/43 en RvdJ 2013/34

CONCLUSIE

Voor zover de klacht betrekking heeft op passages over het (vermeende) FIOD-onderzoek hebben Hermans, de Gelderlander en het AD journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Verder was hun handelwijze zorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan de Gelderlander en het AD om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 18 maart 2019 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, L.A.M.M. Donders, mw. A. Karadarevic, mw. drs. M.M. Klaassen en A. Olgun, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.