2019/10 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen W. Heck en NRC Handelsblad (RvdJ 2018/45) te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 30 oktober 2018 (RvdJ 2018/45) betreffende zijn klacht

tegen

W. Heck en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

De heer X te […] (verzoeker) heeft op 10 november 2018 verzocht om herziening van de conclusie van 30 oktober 2018 inzake zijn klacht tegen W. Heck en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Heck noch de hoofdredacteur van NRC Handelsblad heeft op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 14 december 2018 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer X heeft op 24 mei 2018 een klacht ingediend tegen W. Heck en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad over het artikel “Pro-Russische krant blijkt betaald door Brabantse bioboer die strijdt tegen ‘joodse elite’”.

De Raad heeft op 30 oktober 2018 geconcludeerd dat Heck en NRC Handelsblad journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld en daartoe het volgende overwogen (N.B.: de in de kop bedoelde bioboer heet Jansen):
“De Raad stelt voorop dat journalisten vrij zijn in de selectie van wat zij publiceren. Dat brengt tevens mee dat het aan de redactie is om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.
NRC heeft aannemelijk gemaakt dat er voldoende aanleiding bestond om te berichten over de relatie tussen Jansen en De Andere Krant – waaronder begrepen klager in zijn hoedanigheid van eindredacteur – op de wijze zoals is gedaan.
Kennelijk heeft Jansen als borgsteller ingestaan voor de dekking van de drukkosten voor het geval – na het verschijnen van de eerste editie van De Andere Krant – via crowdfunding onvoldoende donaties zouden worden ontvangen. Jansen heeft aldus de uitgave van die eerste editie mogelijk gemaakt. Het is niet journalistiek ontoelaatbaar om hem dan als ‘de financier’ of ‘de geldschieter’ aan te duiden. Ook overigens is niet gebleken dat het artikel relevante onjuistheden bevat.
Verder is geen sprake van tendentieuze berichtgeving waardoor de belangen van klager onevenredig zouden zijn geschaad. De aanvankelijke tekst waarin ten onrechte werd beweerd dat klager ten tijde van zijn ontmoeting met Jansen in De Balie al op de hoogte was van diens denkbeelden, is terstond op een deugdelijke wijze rechtgezet. Dat klager tijdens het maken van de krant op de hoogte was van die denkbeelden, zoals in de aangepaste tekst is vermeld, staat niet ter discussie.
Bovendien is klager – via een e-mail aan Compagner – de gelegenheid tot wederhoor geboden. Gelet op de eerdere contacten tussen Heck en klager, is deze werkwijze van Heck begrijpelijk en niet onzorgvuldig. Dat Compagner, die kennelijk wist dat klager Heck liever niet wilde spreken, het niet opportuun vond om Heck met klager in contact te brengen, kan NRC niet met succes worden tegengeworpen.
Ten slotte heeft NRC klager nog aangeboden om in een ingezonden brief te reageren. Een dergelijk aanbod impliceert in de regel dat het medium ook tot plaatsing van de brief zal overgaan. Gelet op het voorgaande acht de Raad dit een adequate afdoening van de kwestie. Klager had daarmee de gelegenheid gehad zijn visie op de kwestie uiteen te zetten. Dat hij niet op dit aanbod is ingegaan, komt voor zijn rekening.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Heck en NRC Handelsblad journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt dat de Raad ten onrechte heeft geoordeeld dat er voldoende aanleiding bestond om te berichten over de relatie tussen Jansen en De Andere Krant. De Raad heeft dit oordeel onderbouwd door aan te sluiten bij de suggestie van NRC dat de eerste editie niet gemaakt had kunnen worden zonder de borgstelling van Jansen. Daarbij is de Raad voorbij gegaan aan het feit dat verzoeker ter zitting duidelijk heeft gemaakt dat de krant wel degelijk gemaakt had kunnen worden zonder borgstelling van Jansen, omdat nog voordat Jansen in beeld kwam, de hoofdredacteur had verzekerd dat hij en de overige twee initiatiefnemers van de krant de kosten zouden dragen die niet gedekt werden door donaties. Ook is de Raad voorbij gegaan aan hetgeen hij op de zitting naar voren heeft gebracht over het podium dat NRC heeft geboden aan een antisemiet, aldus verzoeker. Hij ziet daarom graag dat de Raad dit alsnog meeweegt. Verzoeker is het verder niet eens met het oordeel dat het journalistiek niet ontoelaatbaar is om Jansen aan te duiden als ‘de financier’ of ‘de geldschieter’. De Raad is hierbij eraan voorbij gegaan dat een borgsteller iets heel anders is dan een financier of geldschieter. Iemand kan borgsteller zijn zonder een cent uit te geven. Op het moment van publicatie was Jansen alleen borgsteller. Het was dus feitelijk onjuist hem als ‘de financier’ en als ‘de geldschieter’ aan te duiden. Jansen is sowieso nooit een ‘geldschieter’ geweest, hij was uiteindelijk één van de 150-160 financiers.
Verzoeker vraagt de Raad deze feiten alsnog te betrekken in de beoordeling van de manier waarop Heck Jansens relatie tot De Andere Krant kwalificeert. Verder merkt hij op dat Heck nergens in het artikel melding maakt van het aantal donaties dat er tot dan toe was binnengekomen. Hij stelt de vraag of het weglaten van een dergelijk relevant feit journalistiek toelaatbaar is.
Ten slotte vraagt verzoeker aan de Raad om te heroverwegen dat er geen sprake was van tendentieuze berichtgeving waardoor zijn belangen niet onevenredig zouden zijn geschaad. In de overwegingen ontbreekt namelijk de erkenning dat het schadelijk is voor iemands reputatie als deze in verband wordt gebracht met antisemitisme. Weliswaar staat in het artikel van Heck dat hij het gedachtengoed van Jansen niet deelt, maar wel staat er dat De Andere Krant betaald werd door een antisemitische bioboer en dat hij hem in contact heeft gebracht met De Andere Krant. Verzoeker heeft ter zitting erop gewezen dat dit heeft geleid tot geschrokken reacties in zijn naaste omgeving, veroordelende reacties online en auteurs die hun medewerking aan de tweede editie van De Andere Krant opzegden. Verzoeker zou graag zien dat de Raad dit alsnog opneemt in zijn oordeel, dit feit afweegt tegen de journalistieke relevantie van het artikel en daarin de volgende feiten meeneemt: 1) Jansen was één van de 150-160 financiers en De Andere Krant had ook gemaakt kunnen worden zonder hem; 2) In De Andere Krant ontbreekt elk spoor van antisemitisme; 3) De Andere Krant verschijnt in een oplage van 50.000 exemplaren en speelt geen enkele rol in het publieke debat; 4) Vrijwel niemand kende het blog van Jansen totdat NRC er aandacht aan besteedde.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Hij heeft dat niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd dan wel tijdens de mondelinge behandeling van zijn klacht naar voren heeft gebracht, en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure.
Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoeker het niet eens is met de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2018/52
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 15 februari 2019 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, L.A.M.M. Donders, mw. A. Karadarevic, mw. drs. M.M. Klaassen en A. Olgun, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.