2018/6 onbevoegd onthouding-oordeel zorgvuldig niet-inhoudelijk-behandeld

Samenvatting

J. Dohmen en NRC Handelsblad/NRC.Next (NRC) hebben in het artikel “Fraude - Rabo stopt met Noorse broeders” bericht over Stichting Christelijke Gemeente Nederland (klaagster). Voor zover de klacht is gericht tegen onvolledige en suggestieve informatieverstrekking, onvoldoende toepassing van wederhoor bij klaagster en de kop van het artikel, concludeert de Raad voor de Journalistiek dat Dohmen en NRC journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.
Verder heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen handelingen van Dohmen in een juridische procedure tussen partijen. De Raad acht zich niet bevoegd daarover te oordelen. Voor zover de klacht betrekking heeft op de aangevoerde schending van belangen van de Rabobank, is de klacht niet inhoudelijk behandeld omdat klaagster niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt. Ten slotte heeft de Raad zich op een aantal klachtonderdelen van een oordeel onthouden, omdat Dohmen en NRC niet inhoudelijk op de klacht hebben gereageerd en de beoordeling van die onderdelen daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid kan plaatsvinden.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Christelijke Gemeente Nederland

tegen

J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad en NRC.Next

De heer mr. Chr.A. Alberdingk Thijm, advocaat te Amsterdam, heeft op 21 september 2017 namens Stichting Christelijke Gemeente Nederland (klaagster) een klacht ingediend tegen de heer J.  Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad en NRC.Next. Hierop heeft de secretaris van de Raad klaagster nader geïnformeerd over de klachtprocedure. Vervolgens heeft mr. Chr.A. Alberdingk Thijm op 6 november 2017 aan de Raad bericht dat klaagster de klacht wilde voorzetten. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van mr. Chr.A. Alberdingk Thijm en mr. J. van den Brink, advocaat te Amsterdam, van 27 en 30 november 2017 en van 12 en 14 december 2017.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 15 december 2017. Aan de zijde van klaagster waren daar aanwezig de heer D. Nooitgedagt (voorzitter), de heer A. Ninders (penningmeester), mevrouw H. Kook (persvoorlichter), mevrouw mr. E. Janssen (advocaat) en mr. Alberdingk Thijm. Laatstgenoemde heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Namens Dohmen en NRC Handelsblad/NRC.Next (hierna: NRC) is niemand verschenen.

DE FEITEN

Op 11 mei 2017 is op de website van NRC Handelsblad een artikel van de hand van Dohmen verschenen onder de kop “Fraude - Rabo stopt met Noorse broeders” en de onderkop “De Rabobank onderzocht het netwerk van de broeders, na berichten over fraude.”  De lead van het artikel luidt:
“Rabobank verbreekt haar relatie met de Noorse broeders. De bank wil stoppen met de financiering van, en het betalingsverkeer aan bedrijven, stichtingen en (ex-)bestuurders van de in opspraak gekomen sektarisch christelijke geloofsgemeenschap. Dat blijkt uit documenten in handen van NRC.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Met de uitvoering van het besluit wordt de financiële infrastructuur van de broeders in Nederland goeddeels platgelegd. Dat is een vergaande maatregel die banken ook inzetten bij criminele organisaties en terrorismeverdachten.
Het besluit van de bank volgt op berichtgeving van NRC. Vorig jaar bleek uit die publicaties dat de broeders – die ook bekend staan als Christelijke Gemeente Nederland (CGN) – zich schuldig maken aan belastingontwijking, fraude, kinderarbeid en het schenden van de Arbeidstijdenwet. Ook verrijken leiders zich via belastingparadijzen met het geld dat de veertigduizend aanhangers wereldwijd afstaan. Van hen wonen er tweeduizend in Nederland.
Onder de Noorse broeders in Nederland zijn hoge ambtenaren van ministeries en Belastingdienst. Prominent broeder Alfonso Boekhoudt werd vorig jaar door het kabinet benoemd tot gouverneur van Aruba.”
en onder de tussenkop “Reputatie van de bank”:
“Na de publicaties deed Rabobank onderzoek naar het netwerk van de broeders. Daarbij bleek dat fiscale regels zijn overtreden. De betreffende geldstromen liepen over rekeningen van de bank, staat in een brief van de afdeling financial restructuring & recovery van de bank. Rabobank schrijft „op geen enkele wijze” te willen meewerken aan kwesties „die het aanzien of de reputatie van de bank kunnen schaden, dan wel een gevaar opleveren voor de integriteit van de bank.” Desgevraagd zegt de bank „nooit mededelingen [te] doen over individuele klantrelaties. In het algemeen is het zo dat de bank bij media-aandacht beziet in hoeverre dit van invloed is op de klantrelatie.”
Het slot van het artikel luidt:
“De financiële topman van de broeders, de Noor Bernt Aksel Larsen, wordt door het Nederlandse OM verdacht van valsheid in geschrifte. Eerder is ex-broeder Jonathan van der L. aangehouden op verdenking van onder meer fraude en witwassen. In een reactie zegt CGN: ,,Ons is bekend dat Rabobank met ons in gesprek wil. Rabobank heeft ons echter bevestigd dat een gesprek niet betekent dat zij de relatie met CGN verbreekt.””

Een dag later is het artikel in NRC Handelsblad en NRC.Next verschenen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster, ook wel aangeduid als de Noorse broeders, stelt – kort samengevat – dat de inhoud en totstandkoming van het artikel dermate onzorgvuldig zijn, dat de journalistiek ethische standaarden zijn overschreden. Zij zet eerst de voorgeschiedenis van de kwestie uiteen. In het artikel wordt beweerd dat de Rabobank de bancaire relatie verbreekt met klaagster.  De Rabobank zou dit besluit hebben genomen naar aanleiding van een artikelenreeks van Dohmen in NRC, waaruit zou blijken dat klaagster zich schuldig zou maken aan ernstige strafbare feiten. Volgens klaagster is de berichtgeving onjuist en bestond daarvoor ten tijde van de publicatie onvoldoende aanleiding. Klaagster maakt er verder bezwaar tegen dat zij op één lijn wordt geplaatst met criminele organisaties. Het nieuws uit het artikel is wijd verbreid en heeft klaagster aanzienlijke schade toegebracht. Zo heeft Triodos Bank een week na de publicatie aangekondigd de relatie met klaagster te verbreken. Om verdere schade te beperken is klaagster een kort geding gestart, waarin zij onder andere een rectificatie heeft geëist. Bij vonnis van 31 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter te Den Haag de vorderingen van klaagster afgewezen. De rechter heeft geoordeeld dat – kort gezegd – klaagster onvoldoende heeft aangetoond dat het artikel geen grond vindt in de feiten en daardoor onrechtmatig zou zijn. Klaagster heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend en wenst daarnaast een klacht bij de Raad neer te leggen.
Allereerst voert klaagster aan dat na afloop van het kort geding nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen, waaruit blijkt dat Dohmen onder ede verklaringen heeft afgelegd over de totstandkoming van het artikel die in strijd zijn met de waarheid. Bovendien hanteert de Raad een ander toetsingskader dan de rechter. Het is het ethisch handelen van Dohmen dat hier aan de orde is. Het artikel wekt de indruk dat sprake is van waarheidsgetrouwe en nauwgezette, onpartijdige en faire, controleerbare, integere en zo volledig mogelijke berichtgeving; van gedegen onderzoeks-journalistiek met betrouwbaar brongebruik en met toepassing van wederhoor. In werkelijkheid heeft Dohmen een valse notariële verklaring afgelegd over zijn bronnen en daarmee de rechter op het verkeerde been heeft gezet. Verder heeft hij het ‘nieuws’ zelf uitgelokt, zich gebaseerd op een onbetrouwbare bron en bronnen niet vermeld.
Klaagster meent voorts dat Dohmen onvoldoende wederhoor heeft toegepast. Hij heeft op 11 mei 2017 een aantal leden van klaagster een e-mail gestuurd met het verzoek om binnen drie uur te reageren ‘op het besluit van Rabobank om de bankrelaties met klaagster en alle daaraan gelieerde (rechts)personen te verbreken’. Klaagster heeft daarop per e-mail geantwoord dat de informatie waarover Dohmen beschikt onjuist is, dat haar meer tijd moet worden gegund en dat het conceptartikel voorafgaand aan publicatie aan haar moet worden voorgelegd. Verder heeft klaagster aan Dohmen verzocht in ieder geval de volgende reactie integraal op te nemen: “De informatie waarover u beschikt is niet juist. Ons is bekend dat Rabobank met ons in gesprek wil n.a.v. de publicaties in NRC Handelsblad. Rabobank heeft ons echter bevestigd dat een gesprek niet betekent dat zij de relatie met CGN verbreekt. Ook Rabobank doet aan wederhoor. Wij vertrouwen erop dat de Rabobank de relatie met CGN niet zal verbreken. Van een ‘uitvoerig onderzoek’ is ons niets bekend. Mocht Rabobank beschikken over andere informatie dan de publicaties in NRC Handelsblad, dan zal zij die ons vanzelfsprekend voorafgaand aan een gesprek sturen, zoals dat gebruikelijk is in de relatie tussen bank en klant.”
Verder stelt klaagster dat de berichtgeving in strijd is met de waarheid en tendentieus. De bewering dat de Rabobank stopt met de bancaire relatie met klaagster is onjuist en bovendien niet controleerbaar, omdat Dohmen zijn daadwerkelijke bron(nen) niet noemt. Daarnaast is de berichtgeving onvolledig, omdat Dohmen essentiële informatie heeft weggelaten, te weten: dat hij – naar eigen zeggen – getriggerd werd door een Facebookbericht van boze CGN-uittreders, dat hij slechts beschikte over een vaag sms’je en dat dit sms’je afkomstig is van een anonieme bron. Bovendien heeft Dohmen niet vermeld dat de brief van de Rabobank was gericht aan de in het artikel genoemde Van der L. – en niet aan klaagster – en ook niet dat de Rabobank middels de brief alle rekeningen van Van der L. en zijn bedrijf bij de bank opzegt. Zodoende heeft Dohmen bewust de indruk gewekt dat de brief aan klaagster was gericht en een opzegging van haar bankrelatie betreft, wat geenszins het geval is. Ten slotte meent klaagster dat vooraf door de Rabobank aan Dohmen verstrekte correcties, niet goed in het artikel zijn verwerkt. Dit maakt de berichtgeving eenzijdig en tendentieus.
Ten aanzien van de procedurele verweren van Dohmen en NRC voert klaagster – opnieuw kort samengevat – aan dat Dohmen en NRC in een e-mail van 7 november 2017 inhoudelijk op de klacht hebben gereageerd en deze e-mail als productie hebben overgelegd in deze klachtprocedure. Daarmee hebben zij beoogd inhoudelijk verweer te voeren. Verder wijst klaagster erop dat een klachtprocedure bij de Raad los staat van een civielrechtelijke procedure. Beide procedures kunnen gelijktijdig of na elkaar worden gevoerd. Bovendien gaat de klacht niet over precies dezelfde kwestie: pas nadat de rechter in kort geding uitspraak heeft gedaan, is duidelijk geworden dat Dohmen onjuiste, althans misleidende, informatie over de bronnen en de totstandkoming van het artikel in de notariële verklaring heeft laten opnemen en dat als bewijsstuk in het kort geding heeft gebracht. Dit is de voornaamste reden waarom de klacht aan de Raad is voorgelegd. Klaagster meent dat zij wel degelijk een rechtstreeks belang heeft bij de klacht, omdat zij direct betrokken is bij de gewraakte publicatie en daardoor persoonlijk in haar belang is geschaad. Of een gerechtelijke procedure over eenzelfde publicatie loopt is in dit kader niet relevant. Verder heeft zij wel degelijk binnen drie maanden na de publicatie haar bezwaren aan Dohmen en NRC voorgelegd. Al per e-mail van 11 mei 2017, nog vóór publicatie, heeft zij laten weten dat de informatie waarover Dohmen en NRC beschikken onjuist is. Op deze en daaropvolgende e-mails heeft zij geen (deugdelijke) reactie ontvangen. Vervolgens heeft mr. Alberdingk Thijm op 6 juni 2017 aan mr. Van den Brink bericht dat hij een kort geding zou starten en op 7 juni 2017 nader toegelicht welke onjuistheden het artikel bevat. Pas op 3 augustus 2017 is in een gesprek met de Rabobank gebleken dat Dohmen in een notariële verklaring en ter zitting niet de waarheid heeft gesproken over zijn bronnen. De klacht hierover is binnen drie maanden na die datum, op 6 oktober 2017, aan het medium voorgelegd. Ten slotte is de klacht binnen de termijn van zes maanden ingediend bij de Raad, te rekenen zowel vanaf 3 augustus 2017 als vanaf de publicatiedatum van 11/12 mei 2017. In dat verband benadrukt klaagster dat haar klacht niet is gericht tegen eerdere publicaties.
Klaagster heeft haar standpunten uitvoerig toegelicht en geconcludeerd dat het handelen van Dohmen en NRC indruist tegen de uitgangspunten en kernwaarden van de Leidraad.

Dohmen en NRC hebben – eveneens kort samengevat – aan de Raad bericht dat zij zich uit principe inhoudelijk niet verweren, omdat klaagster ervoor heeft gekozen de kwestie aan de rechter voor te leggen. Zij menen dat hun positie wordt geschaad als zij ook bij de Raad verweer voeren. Een lopend juridisch geschil waarbij beide partijen door advocaten worden vertegenwoordigd, hoort thuis bij de rechter. Om deze reden moet de Raad afzien van een inhoudelijke behandeling van de klacht.
Daarnaast heeft klaagster geen rechtstreeks belang bij beoordeling van haar klacht door de Raad, omdat zij de kwestie al aan de rechter heeft voorgelegd en die procedure aanhangig is in hoger beroep. Het enkele feit dat zij tweemaal door de rechter in het ongelijk is gesteld geeft haar geen belang. Ook hierom dient een inhoudelijke behandeling achterwege te blijven.
Hierbij komt dat de bezwaren niet eerst zijn voorgelegd aan NRC binnen drie maanden na het plaatsvinden van de publicaties waartegen klaagster bezwaar heeft. In plaats van drie, zaten er bijna vijf maanden tussen de publicatie van 11/12 mei 2017 en het toesturen van de bezwaren op 6 oktober 2017.
Bovendien richt de klacht zich mede tegen artikelen van 29 oktober, 3 november en 5 november 2016. Dat betekent dat de klachten niet kunnen worden besproken zonder die artikelen in de beoordeling mee te nemen. Omdat deze publicaties dateren van bijna een jaar voor het indienen van de klacht, is de klacht niet tijdig bij de Raad ingediend.
Ten slotte voegen Dohmen en NRC hieraan nog toe dat nu zij geen inhoudelijk verweer voeren, de behandeling van de klacht niet met de vereiste grondigheid kan geschieden. Dit heeft tot gevolg dat de Raad zich zal moeten onthouden van een oordeel over de klacht.

BEOORDELING VAN DE PROCEDURELE ASPECTEN

In artikel 9 lid 5 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad is het volgende bepaald:
“Indien de klacht is ingediend tegen een medium dat of een journalist die zich uit beginsel niet verweert, ziet de Raad af van behandeling, tenzij de klacht volgens de Raad van algemene strekking of principieel belang is.”
Met de zinsnede ‘uit beginsel’ is tot uitdrukking gebracht dat de bepaling niet voorziet in de mogelijkheid dat media per geval besluiten al dan niet hun medewerking aan de procedure bij de Raad te verlenen. Deze bepaling kan succesvol worden ingeroepen als het betrokken medium en/of de journalist principieel niet wenst mee te werken aan een tegen hem gerichte procedure voor de Raad en, naar mag worden verondersteld, zich ook niets wenst aan te trekken van wat de Raad eventueel in een tegen hem gerichte zaak beslist. Het gaat dan in feite om een principiële afwijzing van de Raad. Daarvan is hier echter geen sprake, aangezien Dohmen en NRC duidelijk hebben gemaakt dat zij zich enkel in deze zaak niet wensen te verweren.

Volgens artikel 2 lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klacht worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, als zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt. Dat is hier het geval. De Raad merkt hierbij op dat hij niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Dat partijen zijn verwikkeld in een juridische procedure laat onverlet dat de Raad zich kan uitspreken over de vraag of beroepsethische normen zijn overschreden.

Gelet op de e-mailcorrespondentie van partijen kort voor en na de publicatie van 11/12 mei 2017 moet worden geconcludeerd dat klaagster binnen drie maanden haar bezwaren tegen het artikel aan Dohmen en NRC heeft voorgelegd. Verder heeft klaagster de klacht binnen zes maanden ingediend bij de Raad.  Ze heeft nadrukkelijk gesteld dat de klacht niet is gericht tegen eerdere publicaties in NRC. De klacht over het artikel is dan ook tijdig ingediend.

Het voorgaande leidt ertoe dat de Raad de klacht over het artikel van 11/12 mei 2017 inhoudelijk zal beoordelen. Daarbij zal de Raad bezien of de behandeling van (onderdelen van) de klacht met de vereiste grondigheid kan geschieden of dat hij zich van een oordeel dient te onthouden.
Ten aanzien van de klacht over de notariële verklaring van Dohmen – die dateert van 4 juli 2017 – en dat wat hij op de zitting bij de voorzieningenrechter heeft verklaard, overweegt de Raad het volgende. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of daarmee al dan niet journalistiek zorgvuldig is gehandeld. In artikel 4 lid 1 van de Statuten is bepaald wat wordt verstaan onder journalistieke gedraging verstaan: ‘een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep’. Dit klachtonderdeel heeft betrekking op gedragingen van Dohmen in het kader van een tussen partijen gevoerde juridische procedure. In lijn met eerdere conclusies overweegt de Raad dat in een dergelijk geval het belang van het in volle vrijheid voeren van verweer zodanig zwaar dient te wegen, dat niet meer van een journalistieke gedraging in de zin van de Statuten kan c.q. mag worden gesproken. De Raad is daarom niet bevoegd over deze gedragingen te oordelen en zal dit klachtonderdeel niet inhoudelijk behandelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover gericht tegen het artikel van 11/12 mei 2017

Blijkens het klaagschrift bevat de klacht de volgende onderdelen:
1.      Dohmen heeft geen c.q. onvoldoende deugdelijke bronnen gebruikt;
2.      Dohmen heeft samengewerkt met een belanghebbende die met klaagster in conflict is en aldus niet onafhankelijk te werk is gegaan;
3.      Dohmen heeft richting de Rabobank niet gewerkt met open vizier en bij de bank is onvoldoende wederhoor toegepast;
4.      in het artikel is onvolledige en suggestieve informatie verstrekt;
5.      Dohmen heeft onvoldoende wederhoor bij klaagster toegepast;
6.      de berichtgeving is in strijd met de waarheid en tendentieus.

Ad 1. en 2.
Bij zijn beraadslaging is de Raad tot het inzicht gekomen dat de beoordeling van deze klachtonderdelen niet met de vereiste zorgvuldigheid kan geschieden. De Raad kan op basis van de door klaagster overgelegde stukken en mondelinge aanvulling onvoldoende beoordelen of  haar standpunten juist zijn. Dohmen en NRC hebben ervoor gekozen niet inhoudelijk op de klacht te reageren en hebben de Raad dus geen informatie verschaft over de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van Dohmen en NRC ernstig wordt bemoeilijkt. Dit betekent dat de Raad niet kan concluderen of Dohmen en NRC op deze punten al dan niet journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld. De Raad onthoudt zich daarom ter zake van een oordeel.

Ad 3.
Dit onderdeel van de klacht heeft betrekking op de aangevoerde schending van belangen van de Rabobank. Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende sprake van een eigen belang van klaagster, zodat hij de klacht op dit punt niet inhoudelijk zal behandelen.

Ad 4.
Kern van klaagsters bezwaar is dat ten onrechte niet is vermeld dat de brief van de Rabobank was geadresseerd aan (de later genoemde) Van der L. en dat selectief uit die brief is geciteerd. Hierdoor zou – aldus klaagster – ten onrechte de indruk zijn gewekt dat de brief aan haar was gericht en een opzegging van haar bankrelatie betrof.
De Raad deelt dit standpunt niet. In de eerste zin van de bewuste passage is immers uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om een onderzoek van de bank naar het netwerk van de broeders. Voor de gemiddelde lezer is voldoende duidelijk dat de brief betrekking heeft op iemand die behoort tot dat netwerk en als ‘oud-broeder’ kan Van der L. als zodanig worden beschouwd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat Dohmen en NRC ter zake journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Ad 5.
In lijn met eerdere conclusies overweegt de Raad dat, als aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, die betrokkene niet steeds vooraf volledig behoeft te worden geïnformeerd over de inhoud van de publicatie. Volstaan kan worden met duidelijk mee te delen, waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht.
Gelet op de inhoud van de reactie van klaagster moet worden geconcludeerd dat haar de strekking van de publicatie voldoende duidelijk moet zijn geweest en dat zij bovendien voldoende tijd heeft gehad om te reageren. Verder stelt de Raad vast dat de kern van de reactie is opgenomen in het artikel. Dohmen en NRC hebben op dit punt zorgvuldig gehandeld.

Ad 6.
Klaagster heeft met name bezwaar gemaakt tegen de kop: de bewering dat de Rabobank de bancaire relatie met haar verbreekt, is onjuist en bovendien pleegt zij geen fraude.
De Raad overweegt dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. De grenzen van journalistieke zorgvuldigheid worden alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit de toelichting van klaagster blijkt dat de bank na de eerdere artikelenreeks in NRC het voornemen heeft geuit de relatie met haar te willen beëindigen. In het artikel wordt de kop bovendien voldoende duidelijk genuanceerd. In het geheel bezien is met de kop geen zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de kwestie gegeven, dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld.
Voor zover klaagster heeft gesteld dat het artikel nog andere relevante onjuistheden bevat en tendentieus is, onthoudt de Raad zich van een oordeel. Voor een weloverwogen oordeel is een bredere kennis van de feiten nodig dan waarover de Raad beschikt. Gezien de complexiteit van de kwestie kan de Raad geen gefundeerd oordeel geven zonder diepgaand feitenonderzoek, hetgeen echter mede door de houding van Dohmen en NRC niet mogelijk is. De procedure bij de Raad leent zich er niet voor dat de Raad een dergelijk feitenonderzoek buiten (een der) partijen om verricht. 

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2017/39, RvdJ 2017/36, RvdJ 2014/4, RvdJ 2012/38, RvdJ 2011/65, RvdJ 2011/60, RvdJ 2010/32 en RvdJ 2005/52
Relevante artikelen uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2 lid 1, 2a, 9 leden 2, 4 en 5

CONCLUSIE

Voor zover de klacht is gericht tegen onvolledige en suggestieve informatieverstrekking, onvoldoende toepassing van wederhoor bij klaagster en de kop “Fraude - Rabo stopt met Noorse broeders” hebben Dohmen en NRC Handelsblad/NRC.Next journalistiek zorgvuldig gehandeld.
Voor zover de klacht is gericht tegen gedragingen van Dohmen in een juridische procedure tussen partijen acht de Raad zich onbevoegd daarover te oordelen.
Voor zover de klacht betrekking heeft op de aangevoerde schending van belangen van de Rabobank, is de klacht niet inhoudelijk behandeld.
Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.

Zo vastgesteld door de Raad op 31 januari 2018 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. A. Karadarevic, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.