2018/52 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht van de heer J.M. van Kessel (verzoeker) tegen mevrouw V. van der Kooi en het Eindhovens Dagblad (RvdJ 2018/32) te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

J.M. van Kessel

tot herziening van de conclusie van de Raad van 23 augustus 2018 (RvdJ 2018/32) betreffende zijn klacht

tegen

V. van der Kooi en de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

De heer J.M. van Kessel te Eindhoven (verzoeker) heeft op 4 september 2018 verzocht om herziening van de conclusie van 23 augustus 2018 inzake zijn klacht tegen mevrouw V. van der Kooi en de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad. Van der Kooi en de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad hebben niet op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 19 oktober 2018 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich voorafgaand aan de zitting verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

De heer Van Kessel heeft op 8 februari 2018 een klacht ingediend tegen Van der Kooi en de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad over het artikel “Kiesraad: Niks mis met registratie Groenen”.

De Raad heeft op 23 augustus 2018 geconcludeerd dat Van der Kooi en het Eindhovens Dagblad journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld en daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat journalisten vrij zijn in de selectie van wat ze publiceren. Dat brengt tevens mee dat het aan de redactie is om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.
Van der Kooi heeft in het artikel aandacht besteed aan de uitspraak van de Raad van State in de bestuursrechtelijke procedure waarbij klager is betrokken. Volgens de Raad is de uitspraak van de Raad van State op een journalistiek juiste wijze vertaald. Met de samenvatting is geen andere betekenis of lading aan de feiten gegeven, dan in de gebruikte bron het geval is. Van der Kooi was niet gehouden om in het artikel ook aandacht te besteden aan andere aspecten van de zaak, zoals die door klager zijn verwoord.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Van der Kooi en het Eindhovens Dagblad journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt – kort samengevat – dat hij het niet eens is met de conclusie van de Raad. Dat de Raad heeft verwezen naar punt A. van de Leidraad (de journalist is vrij in de selectie van nieuws) getuigt van willekeur. Hij heeft zich in zijn klacht namelijk gebaseerd op de eis dat journalisten waarheidsgetrouw en zo volledig mogelijk berichten. De krant heeft echter met opzet belangrijke feiten verzwegen, waardoor de berichtgeving slordig en onvolledig was. Verzoeker begrijpt dan ook niet dat de Raad de berichtgeving als ‘zorgvuldig’ heeft gekwalificeerd. Bovendien heeft de krant niet voldaan aan punt B.3 van de Leidraad: het recht op wederhoor. Verzoeker heeft zijn standpunten uitvoerig toegelicht.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Hij heeft dat niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure.
Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoeker het niet eens is met de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/41 en RvdJ 2017/45
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 26 november 2018 door prof.mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, S.A. Agterberg, L.A.M.M. Donders en mw. drs. E.M.H. Lemaier, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.