2018/43 onthouding-oordeel deels-onzorgvuldig

Samenvatting

V. van der Boon en J. Bonjer (Het Financieele Dagblad) hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld door voorafgaand aan de publicatie van het artikel “Familie vecht met trustkantoor om erfenis” onvoldoende wederhoor toe te passen bij de heer D.W. Neupert (klager). Gezien de ernst van de gepubliceerde beschuldigingen – die voor een belangrijk deel klager persoonlijk betreffen – hadden zij meer pogingen moeten ondernemen om klager te bereiken.
Verder heeft klager gesteld dat het artikel een groot aantal onjuiste aantijgingen en feiten bevat, hetgeen door het FD gemotiveerd is betwist. Gezien de complexiteit van de materie, kan de Raad geen gefundeerd oordeel geven zonder diepgaand verder feitenonderzoek. De procedure bij de Raad leent zich echter niet voor een dergelijk onderzoek. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat het feitencomplex nog steeds voorwerp is van diverse juridische procedures. Op dit punt onthoudt de Raad zich daarom van een oordeel.
De Raad voor de Journalistiek doet de aanbeveling aan Het Financieele Dagblad deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

D.W. Neupert

tegen

V. van der Boon en J. Bonjer, hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad

De heren mr. V.J.C. de Bruijn en mr. J.M. Boelens, advocaten te Amsterdam, hebben op 30 april 2018 namens de heer D.W. Neupert (klager) een klacht ingediend tegen de heer V. van der Boon, redacteur, en de heer J. Bonjer, hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad (hierna gezamenlijk het FD). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klager en het FD van 8 juni 2018 en van 3 en 6 juli 2018.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 6 juli 2018. Namens klager waren daar mr. De Bruijn en mr. Boelens aanwezig. Aan de zijde van de krant zijn daar de heer Van der Boon, de heer C. de Horde, Chef Markten/Financiële instellingen/Onderzoeksgroep, en de heer P. Battes, adjunct-hoofdredacteur, verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van notities.

DE FEITEN

Op 12 februari 2018 is in Het Financieele Dagblad een artikel van de hand van Van der Boon verschenen met de bovenkop “Fraude”, de kop “Familie vecht met trustkantoor om erfenis” en de onderkop “Advocaat dreigt zich honderden miljoenen toe te eigenen”. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Erfgenamen van een Israëlische zakenman liggen in de clinch met een trustkantoor over bezittingen die zijn ondergebracht in belastingparadijzen, waaronder Curaçao. De honderden miljoenen euro's, van onder meer aandelen in het Nederlandse bedrijf Mobileye, dreigen in handen te komen van de advocaat van dit trustkantoor. De familie probeert dit via rechtszaken te voorkomen.
Het conflict is het gevolg van een manoeuvre van zakenman Israel Perry. De Israëliër dacht zijn vijanden en schuldeisers te slim af te zijn door zijn bezit onder te brengen in Curaçao, Panama en de Kaaimaneilanden. Trustmaatschappij Lopag uit Liechtenstein kreeg via de Zwitserse jurist Dieter Neupert, Perry's belangrijkste adviseur, het beheer.
‘Neupert was de vertrouwensman van de familie’, vertelt de 51-jarige erfgename Tamar Perry aan Het Financieele Dagblad. ‘Een hele aardige man, dacht ik.’ Daar denkt ze nu wel anders over: ‘Neupert is de grootste boef die ik ken.’
Na het overlijden van Perry op 18 maart 2015 ontdekten zijn erfgenamen dat Neupert de erfenis van naar schatting €800 mln naar zich toe had getrokken. Conform de wens van vader Perry, beweert Neupert. Maar Tamar en haar familie beschikken over een testament waarin de erflater zijn familie begunstigt en niet zijn advocaat.”
en
“Bij de verkoop van Israëlisch vastgoed kwam de familie Perry voor het eerst in conflict met Neupert. Die meldde een opbrengst van $20 mln. ‘Ik moest hemel en aarde bewegen om erachter te komen hoeveel het pand had opgebracht’, zegt Perry. ‘Dat bleek ruim $30 mln te zijn. Een derde had Neupert stiekem voor zichzelf gehouden.’ (…) De Franse villa van $35 mln waarin de weduwe van Israel Perry, Lilly Perry, woont werd ook onderdeel van het conflict. Volgens de familie benoemde Neupert zich met valse documenten tot directeur van de vennootschap in Delaware die deze villa bezit. Neupert wil de weduwe het huis uitzetten, maar de rechter in Delaware stak daar een stokje voor en noemt het ‘fraude’.”
en
“Neupert geeft geen commentaar. Lopag Trust schrijft in een reactie dat zij vanwege de regels in Liechtenstein voor trusts ‘op dit moment beperkt is in haar mogelijkheden om vragen te beantwoorden’. Lopag wijst er wel op dat naar haar oordeel Tamar Perry met ‘een wereldwijde lastercampagne tegen Lopag’ bezig is. Lopag stelt de wil van Israel Perry uit te voeren.”

Bij het artikel is in een apart kader met de kop “Besmette blazoenen” de volgende tekst geplaatst:
“Zowel Dieter Neupert, Lopag Trust als Israel Perry hebben een besmet blazoen. Perry dankte zijn welstand aan het opzetten van een financiering waarmee Israëlische burgers achterstallige pensioenpremies aan Duitsland konden betalen, om recht te krijgen op pensioenuitkeringen. In 2008 werd Perry in Israël tot 12 jaar cel veroordeeld wegens fraude met dit door hem opgezette leenstelsel van de Organization for the Implementation of the Social Security Treaty Israël-West Germany. Wegens ziekte kwam hij na drie jaar cel vervroegd vrij. Volgens advocaat Van Campen speculeert Neupert erop dat de omstreden herkomst van het kapitaal van Perry het moeilijker maakt voor de familie hun geld op te eisen. Dit valt niet te verifiëren omdat Neupert niet reageert op vragen van het FD. Neupert en Lopag komen voor in de Panama en Paradise Papers als facilitators van vermoede witwaspraktijken door omstreden Russische en Egyptische politici en zakenlieden. Verschillende media melden dat Interpol Neupert zoekt op verdenking van witwassen voor een oud-premier van Pakistan.”

Het artikel is in nagenoeg dezelfde bewoordingen ook op de website van het FD gepubliceerd. Daaronder is het volgende naschrift geplaatst:
“Enkele weken na publicatie van dit artikel reageert advocaat Dieter Neupert alsnog per e-mail. Hij wijst erop dat hij de officiële uitvoerder van de laatste wil van wijlen Perry is, en daarmee een rol te spelen heeft in de afwikkeling. Hij ontkent zich meester te willen maken van de erfenis.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voert – kort samengevat – aan dat hij in het artikel ten onrechte is afgeschilderd als mogelijk door Interpol gezochte advocaat met een verleden van witwas-verdenkingen, die zich op criminele wijze de omvangrijke erfenis van Israel Perry eigen tracht te maken. Zijn bonafide inspanningen als executeur-testamentair zijn door het FD weggezet als een poging tot verduistering. Dit is gebeurd op basis van eenvoudig aantoonbare en voor de krant kenbare feitelijke onjuistheden. Bovendien is het beginsel van wederhoor niet correct toegepast. Het FD heeft kortom journalistiek onzorgvuldig gehandeld, aldus klager.
Hij licht toe dat een uiterst versimpeld, eenzijdig en onjuist beeld is geschetst van een omvangrijk juridisch feitencomplex. Zo bevat het artikel onder meer onjuiste weergaven van het testament van Israel Perry en van de rechtszaak in Delaware. Het FD heeft zich ter zake gebaseerd op juridische documenten, maar deze zodanig geparafraseerd dat daardoor de ‘feiten’ een onjuiste betekenis hebben gekregen. Klager benadrukt in dit verband dat hij door Perry was benoemd tot executeur-testamentair – hetgeen in het artikel onvermeld is gelaten – en dat hij nooit de positie van ‘begunstigde’ in de erfenis heeft ingenomen. Verder betwist hij nadrukkelijk dat de rechter in de Delaware-zaak zijn handelingen ‘fraude’ heeft genoemd.
Voor het overige berust het artikel, waar het gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van Israel Perry, op de verklaringen van Tamar Perry en haar advocaat. Zij zijn echter in diverse juridische procedures tegen klager verwikkeld en daarom duidelijk en voor het FD kenbaar conflicterende bronnen. Klager wijst erop dat tegen Tamar Perry inmiddels een strafrechtelijk onderzoek loopt in Zwitserland. Voor een groot deel van de aantijgingen ontbreekt daarbij het noodzakelijke deugdelijke zelfstandige onderzoek van het FD. Volgens klager kan de krant zich er niet achter verschuilen dat de aantijgingen zijn weergegeven als citaten van derden.
Ten aanzien van de tekst met de kop “Besmette blazoenen” stelt klager nog dat de daarin opgenomen beschuldigingen over hem niet zijn onderbouwd en feitelijke grondslag missen. Zwitserse autoriteiten hebben inmiddels schriftelijk bevestigd dat hij niet wordt gezocht door Interpol.
Verder licht klager toe dat de krant hem niet (voldoende) de gelegenheid heeft geboden om te reageren op de aantijgingen. Dit klemt te meer nu het artikel hiertoe juist wel noopte, gelet op zijn beweerdelijke rol, de ernst van de verschillende aantijgingen, en het feit dat de krant zijn positie op een cruciaal onderdeel onjuist heeft weergegeven. Van der Boon zou hem op 6 februari 2018 per e-mail hebben benaderd, maar die e-mail heeft hij nooit ontvangen. Daarbij komt dat de in die e-mail opgenomen vragen ontoereikend zijn, omdat zij uitsluitend betrekking hebben op de mogelijke betrokkenheid van klager bij trustkantoor Lopag en niet (voldoende) zien op de ernstige aantijgingen jegens hem persoonlijk. Bovendien had het op de weg van de krant gelegen om te verifiëren of het bericht goed bij hem was aangekomen en om bij het uitblijven van zijn reactie meer pogingen te ondernemen hem – eventueel langs andere kanalen – te bereiken. Daarvoor was voldoende tijd en gelegenheid. Klager betwist uitdrukkelijk dat hij er bewust voor heeft gekozen niet te reageren, dat het zijn vaste beleid is om commentaar te weigeren en dat hij op de hoogte was van de publicatie, aangezien Lopag wel op vragen van het FD heeft gereageerd. Volgens klager veronderstelt het FD ten onrechte dat hij de advocaat is van Lopag of dat hij en Lopag uit anderen hoofde overleg hebben gehad over de vragen van het FD. Op de zitting verklaart De Bruijn desgevraagd dat hij uit hetgeen klager hem heeft gezegd, afleidt dat klager en Lopag voorafgaand aan de publicatie geen contact daarover hebben gehad.
Nadat klager zijn klacht aan de krant had voorgelegd heeft het FD aangeboden hem te interviewen voor een nieuwe publicatie en online een nagekomen reactie gepubliceerd. Dit acht klager echter niet toereikend. Hij wil niet dat het FD ‘zijn’ verhaal publiceert, maar dat de krant zelf – uit eigen naam – de door haar gewekte verkeerde indruk wegneemt. De nagekomen reactie staat alleen online, waardoor deze de mensen die de krant alleen op papier lezen, niet bereikt. Ten tweede neemt het FD geen enkele verantwoordelijkheid voor de inhoud van die reactie, terwijl de krant op basis van het testament bijvoorbeeld eenvoudig kan nagaan dat de bewering juist is. Onjuistheden in het artikel zijn hiermee dus niet erkend of hersteld.
Ter ondersteuning van zijn standpunten heeft klager uitvoerig de achtergrond van de kwestie geschetst onder verwijzing naar en toelichting van een groot aantal bijlagen.

Het FD stelt hier – eveneens samengevat – tegenover dat het artikel tot stand is gekomen met voldoende zorgvuldigheid. Het is een verslag van een geschil, waarbij gepoogd is beide partijen te horen. Klager heeft er bewust voor gekozen niet te reageren. Zijn zakenrelatie bij Lopag heeft dat wel, zij het beknopt, gedaan.
Het FD heeft desondanks de conflictpunten binnen de grenzen van het redelijke geverifieerd op aannemelijkheid. De in het artikel opgevoerde punten vinden voldoende steun in het toen voor het FD beschikbare feitenmateriaal.
De krant licht toe dat uit de publicatie duidelijk blijkt – door bewoordingen als ruzie, strijd, in de clinch, gevecht, procederen en strijdtoneel – dat het gaat om de weerslag van een conflict. Tamar Perry vertelt wat haar grieven en verdenkingen zijn. Voor de lezer is Tamar Perry herkenbaar als een geconflicteerde bron en is evident dat klager als tegenpartij in dat conflict een andere opvatting zal hebben. Overigens publiceert het FD niet zomaar ieders standpunt. De krant controleert altijd of een standpunt een kern van aannemelijkheid heeft en dat is ook in deze kwestie gebeurd. De bevindingen van de krant onderschrijven het beeld dat op zijn minst reden is om te twijfelen aan een correcte gang van zaken bij de afwikkeling van de erfenis. Ter ondersteuning hiervan verwijst de krant naar een groot aantal bijlagen. Daaruit blijkt onder meer dat klager feitelijk een grote mate van zeggenschap over de nalatenschap had. De onderlinge verhoudingen zijn geschetst in de infografiek bij de internetversie van het artikel. Verder is in het proces-verbaal van de zitting van de Delaware-zaak te lezen dat de rechter heeft gezegd: “I think that it is likely that there is a sufficient basis to suspect a crime of fraude”.  In dat verband wijst het FD erop dat duidelijk is geschreven dat de rechter de handelingen fraude ‘noemt’, niet dat er een definitief vonnis is en dat in het linkje bij het online-artikel duidelijk ‘tussenvonnis’ staat. De samenvatting is weliswaar kort, maar in de kern journalistiek correct. Daarbij komt dat ‘fraude’ in het gewone taalgebruik een bredere betekenis heeft dan in een Amerikaans rechterlijk vonnis; de voorzichtige bewoordingen van de rechter doen er niet aan af dat de feiten die hij opsomt ruimschoots het predicaat ‘fraude’ verdienen. En ook ten aanzien van de tekst dat ‘volgens verschillende media Interpol klager zoekt’ is het FD niet over één nacht ijs gegaan. Uit een korte zoekopdracht op Google blijkt dat media dit melden en de krant beschikt bovendien over een kopie van een verzoek van het OM in Karachi.
Ten aanzien van het toegepaste wederhoor wijst de krant erop dat Van der Boon ruim voor publicatie, op 6 februari 2018, commentaar heeft gevraagd aan zowel klager als aan het lange tijd met hem samenwerkende trustkantoor Lopag uit Liechtenstein. Namens Lopag is op de vragenmail van het FD gereageerd. Aan de standpunten, die in het artikel zijn meegenomen, is in de antwoordmail toegevoegd: “We hebben onze advocaten benaderd voor juridisch advies”.  Klager is sinds vele jaren advocaat en partner van Lopag. Zij zijn samen betrokken in een reeks rechtszaken met Tamar Perry c.s. Het FD mocht dus veronderstellen dat Lopag en klager contact hebben gehad over een reactie aan de Nederlandse krant, en dat klager ook langs die weg kennis heeft genomen van de vragen van het FD. Het verwijt van klager dat de vragen in de e-mail van 6 februari met verzoek om commentaar niet zien op de aantijgingen is onjuist. Het FD vraagt klager duidelijk of het klopt dat hij zich meester maakt van de bezittingen van Israel Perry (“is acting as the master of the assets”). De vraag ziet daarmee precies op de bestreden onderkop dat klager dreigt zich de bezittingen toe te eigenen. De vragen zijn bovendien in een vroeg stadium verstuurd, bijna een week voor publicatie, juist om klager voldoende tijd te geven om te reageren. Het artikel is op dat moment nog deels in wording. Het is niet zo dat iedere nieuwe vondst van de journalist moet leiden tot een nieuwe e-mail met een verzoek om daarop te reageren, al helemaal niet als op de eerste e-mail niet is gereageerd. Hierbij moet worden bedacht dat de e-mail is ingeleid met de zin dat het gaat over de ‘conflicten tussen Tamar Perry en Lopag’. De eerste vraag luidt vrij vertaald: “Klopt het dat u internationaal wordt gezocht?” Dat geeft toch duidelijk genoeg aan dat het om een artikel gaat met ernstige punten. Verder is relevant dat klager een professionele partij is. Dan mag het FD verwachten dat hij zich realiseert er verstandig aan te doen om te reageren. Klager reageerde echter niet, waaruit de krant mocht concluderen dat hij bewust afzag van een reactie. Te meer omdat Lopag op dezelfde dag ook een e-mail had ontvangen van het FD en daarop wél reageerde. Overigens is het kennelijk klagers vaste beleid om commentaar te weigeren; in een vergelijkbare beschrijving van het conflict in het Britse The Independent van 8 maart 2018 is – net als in het FD – gemeld dat klager commentaar weigert en dat Lopag beperkt is in de mogelijkheden vragen te beantwoorden.
Op de zitting heeft het FD hieraan toegevoegd dat zij klager in de eerste e-mail niet wilde bestoken met een bombardement aan vragen. Die hadden eventueel na het eerste contact nog gesteld kunnen worden, aangezien de tekst nog in wording was.
Overigens heeft Van der Boon in de ochtend van 6 februari 2018 eerst via een vaste lijn geprobeerd telefonisch contact met klager te krijgen, maar dat is niet gelukt. De reactie van Lopag gaf vervolgens een duidelijk signaal: het had geen zin om verdere vragen te stellen. Gezien die reactie is ook niet overwogen om de publicatie uit te stellen.
Na de publicatie is klager aangeboden om in een interview vragen te beantwoorden. Toen klager weigerde hierop in te gaan, heeft het FD – onverplicht – een addendum toegevoegd aan de oorspronkelijke publicatie. Een concept van dat addendum is vooraf aan klager voorgelegd, maar hij heeft daarop niet gereageerd.
Een en ander maakt dat de publicatie van 12 februari 2018 bezwaarlijk journalistiek onzorgvuldig kan worden genoemd, aldus het FD.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Namens klager is op de zitting benadrukt dat de kern van de klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
1.      het FD is tekortgeschoten in haar verplichting tot het toepassen van voldoende wederhoor.
2.      het FD heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de onjuistheid van aantijgingen en feiten in het artikel en heeft ter zake onzorgvuldig gehandeld.
De Raad zal zich tot deze kern beperken.

Ad 1.
Volgens het FD heeft Van der Boon op dinsdag 6 februari 2018 eerst tevergeefs geprobeerd klager via een vast telefoonnummer te bereiken en heeft hij daarna aan klager het volgende e-mailbericht gestuurd:
“As a reporter for the Dutch financial daily Het Financieele Dagblad I am working on an article about the conflicts between Tamar Perry and Lopag. Perry c.s. are telling me that international arrest warrants are issued against the Lopag trustees and against you, Dieter Neupert, as a Lopag-lawyer. Are you aware of this? Perry c.s. claims that there are investigations by the authorities going on against Lopag, Louis Oehri, Dominik Naeff and Dieter Neupert in the UK, the US and the Cayman. Is that correct? As far as I can see the main complaint by Perry is that you in the name of Lopag is acting as the master of the assets of the late mister Israel Perry. Is this correct? If so, on what grounds are you in the name of Lopag now the master of the Perry-assets? Can I hear from you before Friday-afternoon at the end of this week?”

De Raad meent dat de inhoud van dit bericht op zichzelf genomen voldoende was om een eerste contact met klager te bewerkstelligen. Uit de vragen had klager kunnen opmaken dat het een urgente kwestie betrof en dat het op zijn weg lag daarop te antwoorden. Niet ter discussie staat, dat klager niet heeft gereageerd, naar zijn zeggen omdat hij het bericht niet had ontvangen. Of dat laatste al dan niet het geval is, kan in het midden blijven. De vraag die voorligt is of het FD vervolgens kon volstaan met de summiere reactie van Lopag en ervan mocht uitgaan dat klager niet bereid was (verder) commentaar te geven.

Eerder heeft de Raad overwogen dat er grenzen zijn aan de inspanningen die een journalist zich moet getroosten om bij een voorgenomen publicatie in contact te komen met een persoon aan wie de gelegenheid tot wederhoor moet worden geboden. Als zo iemand niet reageert op herhaalde en reële pogingen tot contact, komt er een moment dat die grens is bereikt. Daar komt bij dat sprake kan zijn van een zodanige actuele gebeurtenis, dat de voorgenomen publicatie niet te lang kan worden uitgesteld. Dit neemt niet weg dat naarmate de geuite beschuldigingen in de voorgenomen publicatie in ernst of belastering toenemen, van een journalist kan worden gevraagd zich meer in te spannen om die persoon te bereiken. Dat geldt helemaal als de noodzaak van onmiddellijke publicatie minder lijkt te tellen. (RvdJ 2014/21)

Gezien de ernst van de gepubliceerde beschuldigingen – die voor een belangrijk deel klager persoonlijk betreffen – kan niet worden geconcludeerd dat de krant aan de verplichting tot toepassing van wederhoor ten aanzien van klager heeft voldaan, door te volstaan met het weergeven van de summiere reactie van Lopag. Dat klager en Lopag een nauwe relatie hebben, kan daaraan – vanwege de persoonlijke aard van de beschuldigingen – niet afdoen.
Voorts heeft het FD niet aannemelijk gemaakt dat zij voorafgaand aan de publicatie over zodanige aanwijzingen beschikte dat klager stelselmatig zou weigeren op dergelijke beschuldigingen te reageren, op grond waarvan niet van haar kon worden verlangd dat zij klager nogmaals zou benaderen.

De Raad vindt dat het FD in de gegeven omstandigheden meer pogingen had moeten ondernemen om klager te bereiken. Door dat na te laten heeft het FD journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Het feit dat het FD nadien klager heeft aangeboden om in een interview vragen te beantwoorden, en ook het feit dat het FD uit eigen beweging een addendum heeft toegevoegd aan de oorspronkelijke publicatie is onvoldoende om die aanvankelijke onzorgvuldigheid te compenseren.

Ad 2.
Verder heeft klager gesteld dat het artikel een groot aantal onjuiste aantijgingen en feiten bevat, hetgeen door het FD gemotiveerd is betwist. Bij zijn beraadslaging is de Raad tot het inzicht gekomen dat de beoordeling van dit onderdeel van de klacht niet met de vereiste zorgvuldigheid kan geschieden. De Raad kan op basis van de standpunten van de partijen en de door hen overgelegde stukken onvoldoende beoordelen welk standpunt juist is. Voor een weloverwogen oordeel is een bredere kennis van de feiten nodig dan waarover de Raad beschikt. Gezien de complexiteit van de materie, kan de Raad geen gefundeerd oordeel geven zonder diepgaand verder feitenonderzoek. De procedure bij de Raad leent zich echter niet voor een dergelijk onderzoek. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat het feitencomplex nog steeds voorwerp is van diverse juridische procedures. Op dit punt onthoudt de Raad zich daarom van een oordeel.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/6, RvdJ 2015/11, RvdJ 2014/21, RvdJ 2011/8 en RvdJ 2007/75
Relevant punt uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 9 lid 4

CONCLUSIE

Voor zover de klacht betrekking heeft op het onvoldoende toepassen van wederhoor hebben V. van der Boon en J. Bonjer (Het Financieele Dagblad) journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.

De Raad doet de aanbeveling aan Het Financieele Dagblad om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 16 oktober 2018 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, L.A.M.M. Donders, dr. H.J. Evers, J. Hoogenberg en mw. A. Karadarevic, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.


Publicatie in Het Financieele Dagblad d.d. 19 oktober 2018