2018/42 zorgvuldig

Samenvatting

Op 30 november 2016 is op de website van het Reformatorisch Dagblad een artikel verschenen met de kop “Pieter van Rest: Prediker en officier van justitie”. Daarin komt ook een passage over klager voor. Gelet op de klachttermijn van zes maanden, te rekenen vanaf het moment van publicatie, kan niet meer worden geklaagd tegen de publicatie als zodanig. De afwijzing van klagers verzoek tot verwijdering van zijn naam en/of passages uit het artikel kan de Raad wel beoordelen. Er bestaat geen aanleiding om het belang van klager bij verwijdering van zijn naam en/of passages uit het artikel zwaarder te laten wegen dan het publieke belang van betrouwbare en integere archivering. De krant heeft in haar correspondentie met klager duidelijk blijk gegeven van de hiervoor bedoelde belangenafweging en heeft journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad

De heer X te [woonplaats] (klager) heeft op 10 mei 2018 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad. Naar aanleiding daarvan heeft de secretaris van de Raad in een e-mail van 14 mei 2018 klager geïnformeerd over de klachtprocedure. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klager en de heer dr. ir. S.M. de Bruijn, hoofdredacteur, van 19 mei 2018 en van 13, 21 en 27 juni 2018.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 6 juli 2018 in aanwezigheid van klager. Aan de zijde van de krant zijn daar de heer De Bruijn en de heer mr. drs. J.C. Karels, juridische zaken, verschenen.

DE FEITEN

Op 30 november 2016 is op de website van het Reformatorisch Dagblad het artikel “Pieter van Rest: Prediker en officier van justitie” verschenen. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Enkele internetbloggers kritiseren u. Zo stelt blogger [X] dat u uw positie misbruikt „om christenen wederrechtelijk voordeel te bezorgen.” Wat vindt u van zo’n uithaal?


Mr. Pieter van Rest: „Als mij wordt verweten dat ik anderen voortrek, raakt me dat. Ik doe mijn werk juist zónder aanziens des persoons, want dat is Bijbels. [X] is binnen het OM Noord-Nederland een bekende figuur. Hij maakt officieren van justitie en rechters voor van alles en nog wat uit. We negeren dat soort mensen. Op sociale media worden voortdurend allerlei vreselijke aantijgingen de wereld in geslingerd, zonder dat daar enige grond voor is. Denk aan wat Sylvana Simons, kandidaat-Kamerlid voor de nieuwe partij DENK, onlangs over zich heen kreeg.””

Klager heeft in een e-mail van 12 april 2018 zijn bezwaren tegen het artikel kenbaar gemaakt aan de hoofdredactie en verzocht zijn naam uit het artikel te verwijderen.

Na een e-mailwisseling op 18 april 2018 heeft de webredacteur van de krant op 23 april 2018 het volgende aan klager bericht:
“Er is overleg geweest met de schrijver van het interview. Hij stelt dat het betreffende citaat op internet (“om christenen wederrechtelijk voordeel te bezorgen”) aan u wordt toegeschreven. Een mogelijkheid is dat het citaat later van internet is verwijderd. Uit de reactie van Van Rest bleek dat hij kritisch over u was. Wij zijn uiterst terughoudend in het aanpassen van artikelen, omdat daarmee de betrouwbaarheid van onze berichtgeving onder druk komt te staan. Daarom zullen we het artikel in de huidige vorm handhaven.”
Klager heeft daarop diezelfde dag gereageerd met het verzoek om de woorden die hem in de mond zijn gelegd, te verwijderen en een rectificatie te plaatsen. Hierop heeft de krant niet meer geantwoord.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voert – samengevat – aan dat in het artikel meningen worden gebracht alsof ze waar zijn, zonder dat vooraf wederhoor bij hem is toegepast. Volgens klager is het niet juist dat hij op een blog uitlatingen over Van Rest heeft gedaan. Als de krant dat vooraf bij hem had gecheckt, dan waren daarover geen misverstanden ontstaan. Zeer waarschijnlijk heeft een ander zich van zijn naam bediend om op die manier zijn goede naam aan te tasten. Dit gebeurt vaker; op sociale media worden gratis accounts en websites aangemaakt door personen die daarbij kortstondig een valse identiteit aannemen. Dit heet spoofing en daarom gebruikt klager zijn naam niet in de sociale media.
Klager licht toe dat hij een voormalig medewerker is van de recherche in Drenthe. Hij verliet de organisatie in 2002 als gevolg van een arbeidsconflict. Vervolgens is er vanuit het Openbaar Ministerie een soort heksenjacht op hem ontstaan vanwege zijn kritische houding op het functioneren van politie en justitie. Dit heeft er mogelijk toe geleid dat Van Rest de journalist van de krant op de mouw heeft gespeld dat klager een blogger is. Klager betwist nadrukkelijk dat dit het geval is. Hij heeft geen blog geregistreerd en heeft de artikelen die op het blog zijn verschenen niet geschreven, ondertekend en/of geüpload. Er heeft geen citaat van hem over ‘christenen’ op internet gestaan, aldus klager.
Op de zitting voegt hij hieraan toe dat het blog op zijn verzoek in februari 2017 offline is gehaald. Er is vermeld: “the authors have deleted this site”.
Hij meent dat zijn goede eer en naam door het artikel worden aangetast. De publicatie belast hem in aanzienlijke mate in zijn dagelijks functioneren en heeft grote gevolgen voor zijn kansen op de arbeidsmarkt. Klager heeft daarom aan de krant verzocht zijn naam uit het artikel te verwijderen en de cache van zoekmachines op te schonen. Hij vindt het onbehoorlijk en klachtwaardig dat de krant niet meer heeft gereageerd op zijn laatste e-mail en de daarin vervatte verzoeken. Daarom heeft hij zich tot de Raad gewend.

Het Reformatorisch Dagblad stelt voorop dat – blijkens de e-mail van de secretaris van de Raad aan klager van 14 mei 2018 – de termijn om te klagen tegen de publicatie als zodanig is verstreken. Wel kan nog worden geklaagd tegen de afwijzende beslissing van de krant op het verzoek van klager om diens naam uit het artikel te verwijderen. In haar reactie richt de krant zich daarom haar afhandeling van dat verzoek van klager.
De krant is uiterst terughoudend in het aanpassen van online archieven, om de betrouwbaarheid van de vrije nieuwsgaring te waarborgen. Om het verwijderingsverzoek goed af te handelen is de webredacteur van de krant ingegaan op de kwestie hoor/wederhoor en op de vraag of het citaat van klager afkomstig is. In zijn eerste e-mail aan klager heeft de webredacteur toegelicht dat het voorleggen van het bewuste citaat aan Van Rest juist een vorm van wederhoor betrof. Dat klager daarbij met naam is genoemd valt te verdedigen, omdat klager op internetblogs de publiciteit zoekt en daarbij forse aantijgingen richting met name genoemde personen niet schuwt. In dat verband wijst de krant op diverse artikelen op een blog met de naam ‘Koosgaatdoor’. Het met name noemen van de auteur dient de controleerbaarheid van het citaat, dat anders in de lucht zou hangen aldus de krant. Daarbij komt dat de artikelenserie was gericht op christenen en de rechtspraak. In die zin was het bewuste citaat van klager functioneel.
Ten aanzien van de vraag of het citaat werkelijk van klager afkomstig is, voert de krant aan dat ten tijde van het beoordelen van het verwijderingsverzoek het ‘nee’ van klager tegenover het ‘ja’ van de eigen journalist stond. Voor de krant was er op dat moment geen reden om te betwijfelen dat het citaat inderdaad van klager afkomstig is. 
De krant zag zich in het kader van deze klachtprocedure genoodzaakt de herkomst van het citaat verder te documenteren. Nader onderzoek heeft opgeleverd dat klager een blog had met de naam ‘koosgaatdoor.wordpress.com’. Op dat blog is een artikel te vinden met het citaat dat in het gewraakte artikel is gebruikt. Op de homepage van het blog is als verantwoording opgenomen: “De website koosgaatdoor.wordpress.com is een platform waarop meerdere auteurs hebben gepubliceerd. Artikelen worden geplaatst na goedkeuring.” Volgens de krant is het artikel met het bewuste citaat onmiskenbaar door klager zelf geschreven. Het artikel is ondertekend met “Copyright@2016 [X] – researcher/blogger” en is volledig in de ik-vorm geschreven. Diezelfde ik-vorm geldt voor meerdere artikelen op de site, die dan ook alle ondertekend zijn door klager. Andere artikelen die over zijn persoon gaan, zijn door anderen ondertekend. De krant wijst erop dat de door haar in dit verband overgelegde bijlage een kopie betreft van 23 oktober 2016, een maand vóór de publicatie van het interview met Van Rest. De gearchiveerde pagina’s zijn nadien van internet verwijderd en waren alleen terug te vinden via het internetarchief van archive.org.
De krant concludeert dat zij in deze kwestie zorgvuldig heeft gehandeld en de verschillende belangen op de juiste manier tegen elkaar heeft afgewogen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat de klacht betrekking heeft op een artikel van 30 november 2016. Gelet op de klachttermijn van zes maanden, te rekenen vanaf het moment van publicatie, kan niet meer worden geklaagd tegen de publicatie als zodanig.
Voor zover klager bezwaar tegen het feit dat de krant zijn naam en/of passages uit het artikel niet wil verwijderen van haar website, beschouwt de Raad de beslissing van de krant als een journalistieke gedraging in de zin van de statuten, zodat de Raad daarover kan oordelen.

De Raad onderkent het grote belang van een betrouwbare en integere archivering, waarvan de inhoud niet kan worden gewijzigd. Het publieke belang daarvan weegt in beginsel zwaarder dan het belang dat personen kunnen hebben bij het verwijderen of anonimiseren van gearchiveerde artikelen met een voor hen onwelgevallige inhoud. Slechts in bijzondere gevallen kan dit maatschappelijk belangrijke principe wijken voor een privébelang. Daarvan is hier geen sprake.

Dat de publicatie voor klager mogelijk nadelig is, weegt in dit geval niet op tegen het publieke belang van het Reformatorisch Dagblad. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de standpunten van partijen ten aanzien van de vraag of het bewuste citaat daadwerkelijk van klager afkomstig was, lijnrecht tegenover elkaar staan. De Raad heeft kunnen constateren dat zich bij de door het Reformatorisch Dagblad overgelegde artikelen uit de weblog https:/koosgaatdoor.wordpress.com veel artikelen bevinden die zijn ondertekend door [initiaal voornaam] dan wel [initiaal voornaam] [achternaam klager] en dat in die artikelen – soms met vermelding van zeer persoonlijke details – melding wordt gemaakt van allerlei persoonlijke ervaringen en belevenissen en/of van grieven die X betreffen. Hierover nader bevraagd heeft klager meegedeeld dat geen van die artikelen aan hem mag worden toegeschreven. De Raad kan niet beoordelen welk standpunt juist is, maar vindt dat de krant in ieder geval ten tijde van de publicatie ervan mocht uitgaan dat het citaat door klager was gebezigd. Dat het citaat kennelijk nu niet meer onder de naam van klager op internet beschikbaar is – anders dan via het internetarchief van archive.org – maakt dit niet anders.
Verder vindt de Raad dat indien een betrokkene zich tot een nieuwsmedium wendt met een verzoek tot anonimisering of verwijdering van een publicatie, het medium in zijn reactie blijk moet geven van de hiervoor bedoelde afweging van belangen. Dat heeft de webredacteur van de krant in zijn correspondentie met klager duidelijk gedaan. Het was beter geweest als de krant nog afsluitend op de e-mail van klager van 23 april 2018 had gereageerd, hetgeen Karels op de zitting heeft erkend. Dat dit niet is gebeurd, is echter onvoldoende voor de conclusie dat de krant journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

Relevant punt uit de Leidraad van de Raad: D.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2015/6
Relevant punt uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2a

CONCLUSIE

Het Reformatorisch Dagblad heeft journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 10 september 2018 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, L.A.M.M. Donders, dr. H.J. Evers, J. Hoogenberg en mw. A. Karadarevic, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.