2018/41 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht van de Orde der Transformanten (verzoekster) tegen J. Mom, A. Rooijakkers en R. van Brakel, hoofdredacteur van Radio EenVandaag (AVROTROS) (RvdJ 2018/18). Verzoekster maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad op basis van onjuiste constateringen tot zijn conclusie is gekomen. Dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

Orde der Transformanten

tot herziening van de conclusie van de Raad van 14 mei 2018 (RvdJ 2018/18) betreffende haar klacht

tegen

J. Mom, A. Rooijakkers en R. van Brakel, hoofdredacteur van Radio EenVandaag (AVROTROS)

Mevrouw drs. M.L.A. Baart-van Wijk heeft op 10 juni 2018 namens de Orde de Transformanten (verzoekster) verzocht om herziening van de conclusie van 14 mei 2018 inzake de klacht van verzoekster tegen de heer J. Mom, de heer A. Rooijakkers en de heer R. van Brakel, hoofdredacteur van Radio EenVandaag (AVROTROS). Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van partijen betrokken van 25 juni 2018 en 2 juli 2018.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 6 juli 2018 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Mevrouw mr. drs. M.E. Schermerhorn heeft op 8 december 2017 namens de Orde der Transformanten (klaagster) een klacht ingediend over een uitzending van het radioprogramma Radio EenVandaag van 25 oktober 2017 met de titel “Schrijven over sektes leidde tot pesterijen en intimidatie”.

De Raad heeft in zijn conclusie van 14 mei 2018 beslist dat J. Mom, A. Rooijakkers en R. van Brakel, hoofdredacteur van Radio EenVandaag (hierna gezamenlijk: Radio EenVandaag) journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld. Hij heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt allereerst vast dat de uitzending duidelijk als onderwerp had: de gevolgen die Damen heeft ondervonden en nog ondervindt van de publicatie van haar boek. Gezien de opzet van de uitzending – een interview met vraag en antwoord – en de toon ervan, zijn de bedoeling en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de luisteraar voldoende duidelijk: de uitzending behelst met name de persoonlijke visie van Damen en feitelijke verslaglegging staat niet voorop.
De uitzending van Radio EenVandaag is dan ook zowel qua inhoud als qua opzet anders dan de uitzending van De Ochtend, waarover de Raad zich eerder heeft uitgesproken (RvdJ 2016/48). In die uitzending was naar aanleiding van het jaarverslag van Sektesignaal.nl aandacht besteed aan de opsporing van sektes. In dát kader was Damen, in een vooraf opgenomen reportage, als (vermeend) deskundige aan het woord gelaten over klaagster.
In dit geval is relevant dat de persoonlijke ervaringen van Damen betrekking hebben op de verschillende juridische procedures tussen haar en klaagster. De gemiddelde luisteraar zal dan ook hebben begrepen dat klaagster een andere mening is toegedaan. Rooijakkers heeft dit ook nog eens benadrukt met de opmerking: “Maar goed, het kan zijn dat zij zich ook, dat zij vonden dat je ook echt smaad pleegde zal ik maar zeggen. Dat ze, dat je hen verkeerd beschreef, dat je dingen schreef die niet klopten.”
Daarnaast heeft Rooijakkers Damen in voldoende mate kritisch benaderd, de beschuldigingen van Damen niet tot de zijne gemaakt en deze ook niet als feit gepresenteerd. Dat Damen in het live-gesprek haar woorden ten aanzien van de moordaanslagen (“gepleegd door die groep”) wellicht ongelukkig heeft gekozen, kan Radio EenVandaag niet worden aangerekend. Bovendien heeft Damen die uitlating mede door tussenkomst van Rooijakkers genuanceerd.
Gelet op het voorgaande heeft Radio EenVandaag niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door zonder voorafgaand nader onderzoek en toepassing van wederhoor het live-gesprek met Damen uit te zenden.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekster voert – samengevat – aan dat de Raad ten onrechte heeft gesteld dat voor de luisteraar voldoende duidelijk zou zijn geweest dat de uitgezonden informatie ‘met name de persoonlijke visie van Damen’ betrof. Het is vanzelfsprekend dat de Raad goedkeurt dat ruimte wordt geboden aan het weergeven van een subjectief ervaringsbeeld. Daarvan moet dan wel daadwerkelijk sprake zijn. In dit geval had de radio-uitzending als doelstelling: het weergeven van de subjectieve beleving van het eigen ervaringskader van Damen naar aanleiding van de publicatie van haar boek. De redactie is echter buiten het zelf gestelde kader getreden door te vragen naar zogenaamde objectieve feiten over verzoekster, bijvoorbeeld met de vraagstelling “Wie zijn dat dan?”. Vervolgens bevat het antwoord van Damen geen subjectieve beleving van haar boekervaringen, maar poneert zij zogenaamde feiten omtrent verzoekster. Hier is derhalve de subjectieve perceptie van Damen geponeerd als ware het een objectief feit. Er is aldus geen sprake van een ‘'kennelijk persoonlijke mening’, zodat de betreffende uitlatingen verifieerbaar moesten zijn en wederhoor diende te worden toegepast.
Volgens verzoekster had Radio EenVandaag binnen het zelf gestelde kader voor het interview duidelijk onderscheid moeten maken tussen de feiten en de subjectieve beleving van Damen. Dit is echter niet gebeurd, waardoor ten minste ten onrechte de schijn van verstrekking van objectieve informatie is opgeroepen.
Verzoekster concludeert dat de conclusie berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten en dat herziening van die conclusie is gerechtvaardigd. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft verzoekster nog gewezen op correspondentie tussen haar en Damen uit de periode 2011-2013.

Radio EenVandaag stelt hier tegenover dat het verzoek geen grondslag biedt voor herziening. Zij kan de redenering van verzoekster niet volgen, dat de redactie met haar vragen aan Damen buiten het door haarzelf gestelde kader is getreden – te weten: dat zou zijn gevraagd naar feiten – en dat daarom reden bestaat voor herziening van de conclusie.
Verder ziet Radio EenVandaag niet in waarom de aanvullende stukken van verzoekster, waarin zij haar klachten uit 2011 en 2012 over het boek van Damen weer ter sprake brengt, een grond zouden bieden om de conclusie van de Raad te herzien.
Volgens Radio EenVandaag wordt in de conclusie duidelijk weergegeven dat de uitzending met name de persoonlijke visie van Damen betrof, waarbij Rooijakkers haar voldoende kritisch benaderd heeft, de beschuldigingen van Damen niet tot de zijne heeft gemaakt en deze ook niet als feit heeft gepresenteerd. De door verzoekster aangevoerde argumenten en stukken doen aan die conclusie niets af.
Radio EenVandaag concludeert dat het verzoek tot herziening moet worden afgewezen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien de verzoekster aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoekster heeft dit niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekster eerder al in haar klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vraagt verzoekster om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoekster het niet eens is met de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/23
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 6 september 2018 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, L.A.M.M. Donders, dr. H.J. Evers, J. Hoogenberg en mw. A. Karadarevic, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.