2018/40 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht van de heer G.J. van Dam (verzoeker) tegen Trouw (RvdJ 2018/16). Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad op basis van onjuiste constateringen tot zijn conclusie is gekomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

G.J. van Dam

tot herziening van de conclusie van de Raad van 30 april 2018 (RvdJ 2018/16) betreffende zijn klacht

tegen

de hoofdredacteur van Trouw

De heer G.J. van Dam (verzoeker) heeft op 24 mei 2018 verzocht om herziening van de conclusie van 30 april 2018 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van Trouw. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van partijen betrokken van 29 mei 2018, 1 juni 2018 en 3 juli 2018.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 6 juli 2018 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Mevrouw mr. M.A.M. Euverman en mr. Ph.A.J. Raaijmaakers, advocaten te Amsterdam, hebben op 22 november 2017 namens de heer G.J. van Dam een klacht ingediend over het artikel “Ik ook. Maar ik kan het niet vertellen.”, dat op 23 oktober 2017 op de website van Trouw is verschenen en een dag later is gepubliceerd op de voorpagina van haar papieren editie.

De Raad heeft in zijn conclusie van 30 april 2018 beslist dat Trouw met de publicatie van de zinsnede “Ook journalist Jelle Brandt Corstius is slachtoffer.” journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld en dat verder de handelwijze van de krant zorgvuldig was. De Raad heeft hiertoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat de redactie verantwoordelijk is voor de plaatsing van het stuk. Ook als die plaatsing volledig op één lijn kan worden gesteld met het plaatsen van een ingezonden brief – hetgeen, gelet op het navolgende, in het midden kan blijven – kan dit leiden tot het oordeel dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld.
Gezien de opzet en toon van de publicatie, zijn de bedoeling en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk: de publicatie behelst met name de visie gebaseerd op persoonlijke ervaringen van Brandt Corstius en feitelijke verslaglegging staat niet voorop.
De Raad acht het onvoldoende aannemelijk dat klager door de zinsnede ‘in het prille begin van mijn [Brandt Corstius’] televisiecarrière’ voor het grote publiek identificeerbaar is. Niet kan dus worden geconcludeerd dat klager objectief bezien door de publicatie wordt gediskwalificeerd.
Trouw heeft dan ook niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door tot publicatie van het stuk van Brandt Corstius over te gaan, zonder voorafgaand nader onderzoek en toepassing van wederhoor.
(zie de Leidraad van de Raad onder punt B.3 en vgl. onder meer RvdJ 2017/6 en RvdJ 2011/73)
De omstandigheid dat de krant de eerdere versie van het stuk – waarin klager mogelijk wél herkenbaar was – voor wederhoor heeft voorgelegd, brengt niet mee dat klager reeds daarom in de gelegenheid had moeten worden gesteld ook op de tweede versie te reageren.
De krant mocht volstaan met de aankondiging van de publicatie in de e-mail van maandag 23 oktober 2017 om 22:28 uur. Het zou de hoofdredactie hebben gesierd als zij, zoals toegezegd, op dat moment meer inhoudelijk zou zijn ingegaan op de e-mail van mr. Euverman van 22 oktober 2017. Dat zij dat heeft nagelaten is echter niet journalistiek onzorgvuldig.
Dat de publicatie in Trouw door handelingen van derden – onder wie Brandt Corstius en (uiteindelijk) klager zelf – en alle media-aandacht in de daaropvolgende dagen alsnog tot klager herleidbaar is geworden, maakt het voorgaande niet anders. Dit kan Trouw niet worden aangerekend.
De Raad vindt echter dat de krant wél journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door in de redactionele inleiding bij de brief van Brandt Corstius diens beschuldigingen tot de hare te maken en deze bovendien – met de zinsnede “Ook journalist Jelle Brandt Corstius is slachtoffer.” – als feit te presenteren.
Trouw was zich naar eigen zeggen bewust van het dilemma dat speelt bij publicaties over #MeToo-onthullingen en de bijzondere zorgvuldigheid die bij dit zeer gevoelige onderwerp moet worden betracht. Daarbij komt dat de krant in de aanloop naar de publicatie de wetenschap had verkregen, dat klager de beschuldigingen ten stelligste had ontkend. Trouw had daarom in haar inleiding terughoudender behoren te zijn en heeft dit ten onrechte nagelaten.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Trouw met de publicatie van de zinsnede “Ook journalist Jelle Brandt Corstius is slachtoffer.” journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Verder was de handelwijze van de krant zorgvuldig.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker voert – samengevat – aan dat de conclusie twee oordelen bevat (enerzijds heeft Trouw onzorgvuldig gehandeld en anderzijds zorgvuldig) die elkaar uitsluiten. Toen Trouw zich de beschuldigingen van Brandt Corstius eigen maakte, als zijnde een door de krant zelf gepresenteerd feit, verviel daarmee het argument dat de gemiddelde lezer de inhoud van de brief van Brandt Corstius als diens persoonlijke visie zou herkennen. De Raad gaat eraan voorbij dat - mede door de prominente plaats op de voorpagina - Trouw voorsorteerde op het vormen van de mening van de lezer. Door de redactionele introductietekst bij de brief werd dat wat een beschuldiging was, tot waarheid gepromoveerd. De redenering ‘Trouw maakte het verhaal van Brandt Corstius tot het verhaal van de krant en was daarin journalistieke onzorgvuldigheid te verwijten’, kan niet leiden tot de conclusie ‘dat Trouw geen onzorgvuldigheid treft door het publiceren van de brief van Brandt Corstius’. Wie het verhaal van een derde als eigen verhaal presenteert, draagt daarvoor inhoudelijk ook de journalistieke (eind)verantwoordelijkheid; het een kan niet zonder het ander, aldus verzoeker.
Verder wekt het zijn verbazing dat het Brandt Corstius niet wordt aangerekend dat hij de openbaarheid koos met zijn eigen (onbewezen) verhaal, terwijl het hem wel wordt verweten dat hij zelf de publiciteit koos om zijn eer en goede naam te verdedigen. De Raad heeft het feit genegeerd dat verzoeker bij het indienen van zijn klacht al met feiten kon staven dat zijn naam al ruim voor zijn gedwongen optreden bij Pauw bekend was in mediakringen en bij journalisten. Ten overvloede merkt verzoeker op dat zelfs heel veel juridisch getouwtrek rondom anonimiseren niets helpt. Zijn naam was altijd op straat komen te liggen, dat was onontkoombaar.
Volgens verzoeker gaat het er verder om of datgene wat in de brief van Brandt Corstius werd prijsgegeven op zichzelf voldoende was om hem te identificeren. Die vraag moet met ‘ja’ worden beantwoord, in ieder geval in mediakringen en bij journalisten. Voor zowel zakelijk als privé is deze bekendheid van verzoeker al ernstig genoeg, zijn leven was toen al geruïneerd. Hiermee heeft de Raad echter geen rekening gehouden. Dat verzoeker voor iedereen in medialand met het grootste gemak herleidbaar was, is een vaststaand feit. Hij moest na een week noodgedwongen bij Pauw het ware verhaal vertellen, omdat een ware klopjacht op ‘de drogerende serieverkrachter’ werd georganiseerd. Trouw wist - en wilde niets liever dan - dat haar artikel groot nieuws zou worden, met alle gevolgen van dien. Hem restte geen andere mogelijkheid dan zelf de schade nog enigszins te beperken. Verzoeker vindt dan ook dat het door de Raad gehanteerde criterium ‘bekendheid bij het grote publiek’ te ruim is bemeten. In dat verband wijst hij nog op enkele eerdere conclusies van de Raad.
Verzoeker meent dat de Raad voorbij is gegaan aan eerder gepresenteerde feiten. Hij benadrukt dat media, zijn werkterrein, een klein wereldje vormen waarin iedereen iedereen kent. Er is een week lang door duizenden mensen gespeculeerd en geoordeeld op basis van het door Trouw als waarheid gepresenteerde verhaal. Journalisten jagen op nieuws, dus ook op de ‘drogerende verkrachter’ van Brandt Corstius, teneinde die naam aan het grote publiek te kunnen presenteren. Trouw wist en weet goed hoe het werkt in mediakringen en Brandt Corstius maakte er aantoonbaar gretig gebruik van om in de krant zijn klopjacht te beginnen. Hieraan is de Raad echter voorbij gegaan.
Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst klager nog op een artikel in HP/De Tijd, dat gaat over de publicatie in Trouw, en doet hij een beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. In dat verband voert verzoeker aan dat de Raad het feit heeft genegeerd, dat Brandt Corstius zich erop heeft beroepen dat hij geen aangifte kan doen omdat sprake is van verjaring. Die bewering is echter niet juist. Ten onrechte is gesuggereerd dat Brandt Corstius niets anders overbleef dan het zoeken van de publiciteit, omdat de koninklijke weg, die van het doen van aangifte, niet zou openstaan. Trouw had zich daarop niet lichtzinnig mogen beroepen en heeft bovendien de onschuldpresumptie genegeerd. Hierdoor is het recht van verzoeker op een eerlijk proces gefrustreerd. Volgens verzoeker heeft Trouw een niet te rechtvaardigen inbreuk gemaakt op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Volgens verzoeker wegen de belangen van de krant (de persvrijheid) en de belangen van Brandt Corstius op geen enkele manier op tegen zijn belangen. Wanneer de Raad kiest voor een formele weging van belangen in het belang van de journalistiek, wordt daarmee voorbij gegaan aan de impact van de inhoud van de publicatie. Bij een formele benadering moet ook worden vastgesteld dat aan enige vorm van publicatie door Brandt Corstius en Trouw gezamenlijk in ieder geval een aangifte vooraf had moeten gaan. Ook aan dat feit is de Raad voorbijgegaan.
Verzoeker concludeert dat de Raad bij het trekken van de conclusie aan een reeks van feiten en argumenten voorbij is gegaan en meent dat daarom zijn verzoek moet worden toegewezen.

Trouw betwist allereerst dat de twee oordelen in de conclusie elkaar uitsluiten. De Raad vond de inleiding onzorgvuldig, maar vond eveneens dat verzoeker bij lezing van de brief niet herleidbaar was voor het grote publiek en dat voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk was dat de brief de persoonlijke visie van Brandt Corstius bevatte. Dus publicatie van de brief was wel zorgvuldig. Er is geen reden waarom het één het ander zou uitsluiten. En als dat wel het geval zou zijn, ligt eerder voor de hand dat het betekent dat de Raad ten onrechte concludeerde dat de inleiding onzorgvuldig was. Het is naar de mening van Trouw uitgesloten dat de lezer door kennisneming van de inleiding zou denken dat de brief als feit wordt gepresenteerd. Immers, zoals de Raad terecht stelt, lezing van de brief maakt meteen duidelijk dat dit de persoonlijke visie van Brandt Corstius is. De inleiding maakt dat niet anders.
Verder wijst Trouw erop dat verzoeker heeft verwezen naar een eerdere conclusie van de Raad, die een publicatie betrof waarin de naam van de beschuldigde werd genoemd. Dat is in deze zaak nu juist niet het geval. Daarnaast heeft verzoeker nieuwe argumenten naar voren gebracht, die het afgewezen deel van zijn klacht moeten onderbouwen. In dat verband heeft hij verwezen naar conclusies van de Raad die zien op interviews en over beschuldigingen aan het adres van (geheel of gedeeltelijk) bij naam genoemde personen. Dat doet zich hier niet voor. Voorts heeft hij een artikel uit HP/De Tijd ingestuurd, kennelijk met als bedoeling op een nieuw punt te wijzen, te weten dat de hoofdredacteur van Trouw in zijn hoofdredactioneel commentaar het verhaal van Brandt Corstius ‘weer’ als vaststaand feit zou hebben gepresenteerd. Dat betwist Trouw.
Bovenal is van belang dat geen van de argumenten van verzoeker kan leiden tot herziening, ook niet als hij op één of meer punten wel gelijk zou hebben.  Voorbijgaan aan feiten en argumenten is geen grond voor herziening. Herziening vereist dat de conclusie berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten. Daar is geen sprake van en dat wordt door verzoeker niet gesteld. Het herzieningsverzoek is een verkapt hoger beroep. Tegen conclusies van de Raad staat echter geen hoger beroep open. Het herzieningsverzoek moet dan ook worden afgewezen, aldus Trouw.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien de verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoeker heeft dit niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Dat de Raad onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eerder gepresenteerde feiten, leidt – voor zover dit standpunt al juist zou zijn – niet tot de conclusie dat de Raad is uitgegaan van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Ook verder is niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoeker het niet eens is met de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Ten overvloede overweegt de herzieningskamer dat de Raad niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Het is dan ook niet aan de Raad om te beoordelen of in strijd is gehandeld met juridische normen.
 
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/23 en RvdJ 2018/6
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 6 september 2018 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, L.A.M.M. Donders, dr. H.J. Evers, J. Hoogenberg en mw. A. Karadarevic, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.