2018/36 zorgvuldig

Samenvatting

De Volkskrant heeft niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door zonder voorafgaand onderzoek en toepassing van wederhoor het stuk “Sarah Sluimer reageert in dit opiniestuk op #metoo: We beschermen ze, de mannen” te plaatsen. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat dit stuk het persoonlijke verhaal van Sluimer behelst. Verder is onvoldoende aannemelijk dat de echtgenoot van klaagster voor het grote publiek in de publicatie identificeerbaar is.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van de Volkskrant

Mevrouw X te [woonplaats] heeft op 6 maart 2018 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant en mevrouw S. Sluimer. Vervolgens heeft klaagster haar klacht tegen Sluimer ingetrokken. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klaagster en de Volkskrant betrokken van 31 maart 2018, 23 april 2018 en 14 mei 2018.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 15 juni 2018. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door mr. J. Pen die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van de Volkskrant waren mevrouw C. de Vries, managing editor, en de heer mr. M. van Breda, bedrijfsjurist, aanwezig.

DE FEITEN

Op 18 oktober 2017 is op de website van de Volkskrant in de rubriek ‘Opinie’ een bijdrage van Sluimer geplaatst met de kop “Sarah Sluimer reageert in dit opiniestuk op #metoo: We beschermen ze, de mannen”. Verder bevat dit stuk onder meer de volgende passage:
“De eerste man. Hij deelde driftig zijn weerzin tegen Weinstein op social media. Ik appte hem. Het schuurt, zei ik. Het schuurt dat er zoveel verhalen over jou en onwillige vrouwen in nachttreinen en op dansvloeren de ronde doen. Het schuurt dat ik ooit met je werkte en me toen regelmatig ongemakkelijk voelde bij de toon van je nachtelijke smsjes en ellenlange mails. Iets dwingerigs, iets hijgerigs. Ik kreeg antwoord. Het was een bewustwordingsproces. Het lag aan de verdovende middelen. Meerdere vrouwen hadden hem de laatste tijd erop aangesproken. Hij was nog geen heilige, maar deed zijn best. En dat was alles. De nadruk op zíjn proces. Een vraag om begrip, een vraag om tijd. Geen schaamtevolle belofte onmiddellijk te stoppen met drugs en grensoverschrijdend gedrag. Het was zo zwaar voor hém, zo zwaar allemaal. Ik heb hem niet meer terug geappt, ik weet niet waar te beginnen. Deze man, het centrum van het universum.”
Vervolgens schrijft Sluimer over ‘de tweede man’ en ‘de derde man’. Het slot van het stuk luidt:
“En dan zijn wij er. De vrouwen. De vrouwen die wederom met de billen bloot moeten. Kijk, mannen, #metoo zetten we op social media. Ik ook, zie je, aan mij zaten ze ook. En mannen zetten treurige smileys onder ons relaas en ze zeggen geschokt te zijn. En daar blijft het dan ook bij. Als brave meisjes leggen we het martelaarsjuk weer op onze schouders. We laten de wereld niet weten wíe precies ons in een hoekje dreef, want dat wil uiteindelijk niemand weten. Want de daders zijn altijd iemands baas. Of een beste vriend. Of een man van wie je nog geld krijgt. Of iemand met een stevige positie binnen onze samenleving. Dus als pakezeltjes sukkelen wij vrouwen door: me too. En ja, me too. En we zijn met de meest miezerige solidariteitsverklaring van een man al gelukkig. Dankjewel. Wat fijn dat jij niet zo bent. Dankjewel, jij, dankjewel. We beschermen ze, de mannen. De eerste man, de tweede man, de derde man. Ze trekken in een stoet voorbij en leggen steeds een steentje op de stapel op je rug.”

Klaagster is de echtgenote van ‘de eerste man’.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt – samengevat – dat de krant de bijdrage van Sluimer niet in deze vorm had mogen plaatsen gelet op de voorgeschiedenis, de inhoud en de te verwachten gevolgen. Volgens klaagster had de redactie moeten onderzoeken of voor de beschuldigingen aan het adres van haar echtgenoot een feitelijke grondslag bestond. Bovendien had haar echtgenoot de gelegenheid moeten krijgen voor een weerwoord. Op beide onderdelen is de krant tekort geschoten.
Volgens klaagster is haar echtgenoot zwartgemaakt zonder concrete feiten. Sluimer heeft niet vermeld wat precies mis was aan de sms’jes en mailtjes van haar echtgenoot; het is niet duidelijk welk grensoverschrijdend gedrag aan de orde zou zijn geweest. Om het nog erger te maken heeft de krant het stuk geïllustreerd met een Weinstein-foto. Het stuk bevat echter geen enkel aanknopingspunt voor fysieke handtastelijkheden. Bovendien was in de situatie van Weinstein sprake van een machtspositie ten opzichte van de slachtoffers. In het stuk van Sluimer is dit niet aan de orde.
Ten aanzien van de herleidbaarheid van het stuk tot haar echtgenoot stelt klaagster dat alleen relevant is in hoeverre het voorzienbaar was dat de naam van haar echtgenoot bekend zou worden en wat de arbeidsrechtelijke gevolgen konden zijn. Het door de Raad eerder ingenomen standpunt dat het erom gaat of iemand voor het grote publiek identificeerbaar is, acht klaagster onjuist. In dit geval speelt verder een rol dat Sluimer voorafgaand aan de publicatie in een appgroep actie heeft gevoerd tegen de echtgenoot van klaagster. Volgens klaagster kon iedereen binnen een halve dag weten dat het hier om haar echtgenoot ging.
Klaagster benadrukt dat iedere beschuldiging van #MeToo-gedrag voorspelbare gevolgen heeft. Juist daarom moet een krant uiterst behoedzaam zijn bij het publiceren en zich ervan vergewissen of er bij anonimiteit herkenbaarheid kán optreden alsmede of sprake is van een gerichte actie of persoonlijke vete.
Klaagster concludeert dat het stuk onspecifiek en algemeen is, en geen concrete klachten bevat waartegen haar echtgenoot zich kan verweren. De krant had om die reden publicatie moeten weigeren, zelfs als zij de overtuiging had dat de publicatie niet herleidbaar was tot de echtgenoot van klaagster. Voor zover de redactie niet had zien aankomen dat de echtgenoot van klaagster zo snel geïdentificeerd zou worden, had zij bij Sluimer moeten informeren om wie het ging, om zichzelf een oordeel te kunnen vormen over de mogelijke herkenbaarheid en de motieven van Sluimer. Door een en ander na te laten heeft de krant onzorgvuldig gehandeld, aldus klaagster.
Ten aanzien van haar belang merkt klaagster op dat haar echtgenoot vanwege afspraken met zijn voormalig werkgever niet in de positie is om zelf een klacht in te dienen. Klaagster meent dat zij eveneens belanghebbende is in deze zaak. Met het verschijnen van het stuk en de framing door de krant in het kader van de #MeToo-beweging, is zij op sociale media mikpunt van discussie geworden. Verder heeft GeenStijl screenshots geplaatst van een gesprek op Twitter tussen haar en een twitteraar. Daarbij komt dat ook klaagster financiële schade ondervindt doordat haar echtgenoot naar aanleiding van het verschijnen van het stuk zijn baan is kwijtgeraakt.

De Volkskrant stelt hier – eveneens samengevat – tegenover dat begin oktober 2017 de #MeToo-discussie internationaal losbarstte met de onthullingen over het wangedrag van Harvey Weinstein. Hierna volgde ook in Nederland een stortvloed aan beschuldigingen van seksueel grens-overschrijdend gedrag aan het adres van vele beroemdheden en mensen achter de schermen. Met haar opinie mengde Sluimer zich nadrukkelijk in het #MeToo-debat. Het doel van haar stuk was om op basis van haar privé-ervaringen aan de orde te stellen dat mannen in de context van dit debat hun eigen rol in het dagelijks leven niet bevragen en daarin beschermd worden door vrouwen. Haar opiniestuk vormde daarmee een waardevolle toevoeging aan het uiterst relevante #MeToo-debat.
Verder wijst de krant erop dat de mannen die Sluimer als voorbeelden heeft gebruikt, niet herleidbaar zijn. Uit niets dat Sluimer over ‘de eerste man’ heeft geschreven, blijkt dat het de echtgenoot van klaagster betrof. De krant heeft de naam van klaagsters echtgenoot niet bekend gemaakt. Het is ook ondenkbaar dat hij voor het grote publiek herkenbaar is in het opiniestuk. Gezien de eerdere conclusies van de Raad is van een ‘beschuldiging’ dan ook geen sprake. Dit brengt mee dat wederhoor niet was geboden. Daarbij komt dat het beginsel van wederhoor niet geldt voor opiniërende bijdragen. Op de zitting voegen Van Breda en De Vries hieraan nog toe dat het stuk geen concrete beschuldigingen aan het adres van klaagsters echtgenoot bevat.
De krant wijst er nog op dat het niet aan haar te wijten is dat de naam van de echtgenoot van klaagster wel bekend is geworden. Voor al hetgeen Sluimer naast de publicatie naar buiten heeft gebracht en alle speculaties die daarop gevolgd zijn, is de krant niet verantwoordelijk. In dit verband betwist de krant overigens uitdrukkelijk dat Sluimer voorafgaand aan de publicatie heeft opgeroepen tot een actie tegen de echtgenoot van klaagster.
Ten slotte betoogt de krant dat als een #MeToo-gerelateerd verhaal naar buiten komt, dit altijd – hoe weinig informatie ook is verstrekt – zal kunnen leiden tot geruchten en mogelijk een zoektocht. Dat betekent echter niet dat een opiniestuk als het onderhavige niet geplaatst zou kunnen worden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor de goede orde stelt de Raad voorop dat klaagster haar klacht tegen Sluimer heeft ingetrokken. De Raad zal het handelen van Sluimer dan ook niet beoordelen.

De Raad overweegt voorts dat de redactie verantwoordelijk is voor de plaatsing van het door Sluimer ingezonden stuk. Gezien de opzet en toon van de publicatie, zijn de bedoeling en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk: de publicatie behelst de visie gebaseerd op persoonlijke ervaringen van Sluimer en feitelijke verslaglegging staat niet voorop.

In een aantal recente conclusies heeft de Raad duidelijk gemaakt dat in dit soort zaken van belang is te bezien of voldoende aannemelijk is dat een in een stuk beschreven persoon voor het grote publiek identificeerbaar is. Hantering van dat criterium op de huidige klacht leidt er toe dat de Raad   alleen maar kan concluderen dat het onvoldoende aannemelijk is dat de echtgenoot van klaagster voor het grote publiek identificeerbaar is als de door Sluimer in haar stuk beschreven ‘eerste man’. Niet kan dus worden geconcludeerd dat hij objectief bezien door de publicatie wordt gediskwalificeerd. De Raad ziet geen enkele aanleiding om bij deze klacht ineens deze vaste beoordelingslijn ter zijde te schuiven. Dat klaagster zich in het gehanteerde criterium niet kan vinden, is daarvoor onvoldoende.

Terzijde merkt de Raad nog op dat de beschuldigingen van zeer algemene aard zijn en dat niet is gebleken dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag, zoals klaagster ook zelf heeft opgemerkt. Dit laat overigens onverlet dat het de krant vrijstond het stuk van Sluimer te plaatsen in het kader van het #MeToo-debat.

De Volkskrant heeft dan ook niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door tot publicatie van het stuk van Sluimer over te gaan zonder voorafgaand nader onderzoek en toepassing van wederhoor. Dat de publicatie door handelingen van derden alsnog tot de echtgenoot van klaagster herleidbaar is geworden, maakt het voorgaande niet anders. Dit kan de Volkskrant niet worden aangerekend.

Ten overvloede overweegt de Raad dat hij het niet opportuun acht om zich expliciet uit te spreken over de vraag of klaagster al dan niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A., B.3, C en D.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/17, RvdJ 2018/16 en RvdJ 2017/6

CONCLUSIE

De Volkskrant heeft journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 31 augustus 2018 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, S. Kuijper, mw. drs. E.M.H. Lemaier en F.Th.H. Ruys, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.