2018/16 deels-onzorgvuldig

Samenvatting

Trouw heeft niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door zonder voorafgaand onderzoek en toepassing van wederhoor het stuk “Ik ook. Maar ik kan het niet vertellen.” van Jelle Brandt Corstius te publiceren. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat de publicatie met name de persoonlijke visie van Brandt Corstius behelst. Verder is onvoldoende aannemelijk dat G.J. van Dam (klager) voor het grote publiek in de publicatie identificeerbaar is.
De Raad vindt echter dat de krant wél journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door in de redactionele inleiding de beschuldigingen tot de hare te maken en deze als feit te presenteren. Vanwege de grote gevoeligheid van het onderwerp en de wetenschap dat klager de beschuldigingen ten stelligste had ontkend, had de krant in haar inleiding terughoudender behoren te zijn. Zij heeft dit ten onrechte nagelaten.
De Raad voor de Journalistiek doet de aanbeveling aan Trouw deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

G.J. van Dam

tegen

de hoofdredacteur van Trouw

Mevrouw mr. M.A.M. Euverman en mr. Ph.A.J. Raaijmaakers, advocaten te Amsterdam, hebben op 22 november 2017 namens de heer G.J. van Dam een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Trouw. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klager en mr. J.P. van den Brink, advocaat te Amsterdam namens Trouw, betrokken van 28 december 2017 en van 20 februari 2018.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 23 februari 2018. Klager is daar verschenen, vergezeld door mevrouw mr. Euverman, mr. Raaijmaakers en mevrouw mr. F. Brans. Namens Trouw waren de heer C. van der Laan, hoofdredacteur, de heer M. Roessingh, adjunct-hoofdredacteur, de heer M. van Breda, bedrijfsjurist van de Persgroep, en mr. Van den Brink aanwezig. De raadslieden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.

DE FEITEN

Vooruitlopend op een publicatie die gepland stond voor maandag 23 oktober 2017 heeft Trouw op zaterdag 21 oktober 2017 eerst telefonisch contact gehad met klager en hem daarna per e-mail een concept-artikel gestuurd met het verzoek daarop te reageren.
Hierop heeft mr. Euverman op zondag 22 oktober 2017 namens klager per e-mail gereageerd. In deze reactie heeft Euverman onder meer geschreven:
“Cliënt heeft kennis genomen van de inhoud van deze brief en ontkent ten stelligste de ernstige verwijten die hem worden gemaakt en maakt uitdrukkelijk bezwaar tegen de publicatie.”
en
“Hoewel u c.q. Trouw aangeeft niet de intentie te hebben de naam van cliënt te noemen en de heer Brandt Corstius ook aangeeft: “En ik schrijf dit ook niet om de producer te straffen”, wordt in de brief gesproken over een producer van het programma Barend en Van Dorp en wordt bovendien vermeld: “Na wat gegoogle kwam ik erachter dat de producer intussen had gewerkt bij […], en nu zijn eigen […] had opgezet.” Dit is naar cliënt te herleiden, hetgeen tevens blijkt uit het feit dat Trouw aan cliënt om een reactie vraagt.”
en
“Deze e-mail dient tevens als ingebrekestelling te worden beschouwd en zal in een procedure tevens worden overgelegd. Niets uit deze e-mail, noch enige reactie van cliënt, mag worden gepubliceerd.”
Diezelfde dag heeft Roessingh hierop geantwoord als volgt:
“Uw e-mail van vanmiddag ontvingen wij in goede orde. De publicatie van de brief van de heer Brandt Corstius stellen wij uit om ons moverende redenen. De brief verschijnt dus niet in de krant van morgen.
Morgen komen wij nader inhoudelijk op uw e-mail terug. Vooruitlopend daarop kunnen wij u alvast berichten dat de brief daadwerkelijk afkomstig is van de heer Brandt Corstius. Wij hebben hem uw mail van vanmiddag ook doen toekomen.”
Vervolgens heeft Van der Laan op maandag 23 oktober 2017 om 22:28 uur per e-mail aan de raadslieden van klager het volgende meegedeeld:
“Graag kom ik bij u terug op onze e-mail van gistermiddag inzake de brief van de heer Brandt Corstius.
Wij hebben besloten de versie die wij afgelopen zaterdag aan de heer Van Dam stuurden niet te publiceren. Wij zullen wel een open brief van Brandt Corstius publiceren, maar die is niet herleidbaar tot uw cliënt.”
Hierna is op maandag 23 oktober 2017 om 22:30 uur op de website van Trouw een stuk van de hand van Jelle Brandt Corstius gepubliceerd met de kop “Ik ook. Maar ik kan het niet vertellen.” De intro van het stuk luidt:
“De hashtag #MeToo heeft een stroom verhalen over ervaringen met seksueel misbruik op gang gebracht. Ook journalist Jelle Brandt Corstius is slachtoffer. Maar hij kan zijn relaas niet doen: ‘Het is zijn woord tegen het mijne.’”
Verder bevat het stuk onder meer de volgende passages:
“In het prille begin van mijn televisiecarrière ben ik tijdens mijn werk gedrogeerd, en gedwongen tot orale seks, wat verkrachting is.”
en
“Dat is geen verhaal natuurlijk. Op het allereerste college journalistiek leer je dat in elk verhaal, hoe klein ook, de vijf w’s en de h moeten zitten: wie, wat, waar, waarom, wanneer en hoe. In de eerste zin ontbreken de wie, de waar, en de waarom.”
en
“Maar nota bene dit verhaal, dat mij persoonlijk zoveel schade heeft gedaan, kan ik niet vertellen. Ik had mijn verhaal opgeschreven voor Trouw, zoals het hoort, met de vijf w’s en de h. Ik vond het belangrijk om dit te delen. Ik schrijf het om herhaling te voorkomen. Waarom zou ik de enige zijn? Wie weet hoe vaak deze persoon nog eens iets in het drankje gooit van een kwetsbare jongeling.”
en
“Maar dit verhaal kan niet gepubliceerd worden. Het is zijn woord tegen mijn woord. Er zijn geen getuigen, ik ken – voorlopig – geen andere incidenten. Als het tot een rechtszaak zal komen is de kans groot dat hij mij succesvol beschuldigt van smaad (…).”
Het slot van het stuk luidt:
“Reacties
Wilt u naar aanleiding van deze brief ook uw ervaring kwijt, dan kunt u mailen naar misbruik@trouw.nl. Trouw behandelt alle mail vertrouwelijk en zal alleen publiceren met uw toestemming.”
Het stuk is een dag later op de voorpagina van de papieren editie van Trouw verschenen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt – samengevat – dat de publicatie ernstige beschuldigingen aan zijn adres bevat. Hij zou zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige strafbare feiten, terwijl daarvoor geen aangifte is gedaan en geen sprake is van een veroordeling. Dit had voor de krant aanleiding moeten zijn om te onderzoeken of voor de beschuldiging voldoende feitelijke grond bestond. Dat heeft Trouw ten onrechte nagelaten. Dat sprake zou zijn van een 'open brief' bevrijdt de krant niet van de op haar rustende onderzoeksplicht. Trouw blijft verantwoordelijk voor publicatie daarvan. Bovendien heeft de krant zich nadrukkelijk met de inhoud van de brief bemoeid. Hierdoor is dat wat wellicht is begonnen als een open brief, veranderd in een artikel van de krant zelf, aldus klager. In dat verband wijst hij erop dat de brief op de voorpagina van de krant is geplaatst en dat de schrijver ‘voormalig journalist van de krant is geweest’, hetgeen wellicht aan de vooringenomenheid van de krant heeft bijgedragen. Dat Trouw zich erop beroept met de publicatie het algemeen belang te willen dienen en een bijdrage te willen leveren aan een belangrijke maatschappelijke discussie, biedt onvoldoende verontschuldiging om een eigen zorgvuldig onderzoek achterwege te laten. Verder meent klager dat het stuk tendentieus en suggestief is, zowel in het woordgebruik als in de beschrijving van de gebeurtenissen. Mede door de plaatsing in het kader van #MeToo is ten onrechte gesuggereerd dat  Brandt Corstius een prille schoolverlater zou zijn en zijn 'verkrachter' een machtige producent. Doordat niet is vermeld dat beiden ongeveer even oud waren en beiden aan het begin van hun carrière stonden, is een vertekend beeld ontstaan. Trouw heeft bovendien nagelaten een journalistieke context aan te brengen – met woorden als ‘vermeend’ en ‘vermoedelijk’ – die tot enige nuance had kunnen leiden.
Hierbij komt dat de krant geen (correct) wederhoor heeft toegepast. Direct in het telefonisch contact van zaterdag 21 oktober 2017 heeft hij laten weten dat geen sprake was van verkrachting, maar dat het ging om vrijwillige seks van twee kanten. Vervolgens hebben zijn raadslieden in de e-mail van 22 oktober 2017 duidelijk vermeld dat klager de beschuldigingen ontkent. In strijd met haar toezegging heef de krant daarop niet meer inhoudelijk gereageerd en alsnog de open brief gepubliceerd. De ontkennende reactie van klager is daarin op geen enkele wijze verwerkt, terwijl dat wel had gemoeten. Daarentegen is wel vermeld dat hij een advocaat in de arm heeft genomen en een beroep heeft gedaan op smaad. Klager merkt nog op dat de e-mail van 23 oktober 2017 in de spamfilter van het advocatenkantoor terecht is gekomen. Deze e-mail betrof echter geen inhoudelijke reactie, maar de aankondiging dat er een open brief zou worden geplaatst. De brief was niet meegezonden, zodat klager daarop ook niet vooraf heeft kunnen reageren, nog daargelaten dat de brief slechts twee minuten later op de website van Trouw is geplaatst.
Bij dit alles is relevant dat de krant heeft nagelaten de anonimiteit van de in de brief aangeduide man te waarborgen. Hierdoor was het artikel eenvoudig tot klager herleidbaar en is daarmee zijn privacy ongerechtvaardigd aangetast. In de brief is immers gedetailleerd vermeld in welke fase van de carrière van Brandt Corstius de gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden en welke baan hij toen bekleedde. Bovendien heeft hij de naam van klager bekendgemaakt bij de hoofdredactie van Trouw en – na de publicatie – bij Frits Barend, die de naam van klager verder bekend heeft gemaakt. In dit verband wijst klager erop dat Brandt Corstius in zijn brief mede-slachtoffers heeft opgeroepen zich bij hem of Trouw te melden. Uit de context blijkt dat het hem daarbij heel specifiek gaat om slachtoffers van de man die hem zou hebben verkracht. Die oproep is in tegenspraak met het standpunt van de krant, dat zij de naam van klager niet bekend wilde maken.
Op de zitting voegt klager hieraan nog toe dat het in deze zaak (her)kenbaar zijn in de ‘bekende kring’ tevens betekent: kenbaar zijn in de mediawereld, waarvan klager en Brandt Corstius beroepsmatig afhankelijk zijn. Kenbaarheid in de mediawereld moet vervolgens gelijk worden gesteld met kenbaarheid voor het grote publiek. Bovendien gaat het om een artikel van een Bekende Nederlander dat prominent op de voorpagina is geplaatst, wat de impact groter maakt.
Klager concludeert dat door het handelen en nalaten van Trouw ten onrechte een eenzijdig, tendentieus en onjuist beeld van de kwestie is geschetst. De krant had kunnen weten wat de desastreuze maatschappelijke en persoonlijke gevolgen voor klager zouden zijn door hem in het licht van #MeToo te beschuldigen; klager is reeds op voorhand veroordeeld. Door alle media-aandacht, die het gevolg was van de publicatie in Trouw, heeft klager enkele dagen later noodgedwongen zelf zijn verhaal moeten doen, waarbij hij zich heeft beperkt tot één medium (het televisieprogramma Pauw). Met het geven van een podium aan Brandt Corstius zonder kritische kijk op de publicatie en het nalaten van behoorlijk (feiten)onderzoek, heeft de krant journalistiek onzorgvuldig gehandeld, aldus klager.

Trouw stelt hier – eveneens samengevat – tegenover dat de hoofdredactie zich heel goed bewust was van het dilemma dat speelt bij publicaties over #MeToo-onthullingen. Bij een zeer gevoelige kwestie als misbruik moet vanzelfsprekend zorgvuldig worden omgegaan met de belangen van zowel de persoon die zegt slachtoffer te zijn, als de persoon die hij/zij beschuldigt. En dat heeft de krant hier zonder meer gedaan. Naar aanleiding van de eerste versie van de brief van Brandt Corstius heeft de hoofdredactie lang gediscussieerd over de vraag of het stuk zo kon worden gepubliceerd, zonder concreet bewijs. Hoewel de naam van de man over wie hij schreef niet in zijn brief stond, heeft Brandt Corstius die naam wel aan de hoofdredactie van Trouw prijsgegeven om de krant in staat te stellen wederhoor te plegen. Na het telefonische- en e-mailcontact op 21 en 22 oktober 2017 besloot de hoofdredactie de eerste brief niet te publiceren, omdat deze herleidbaar was tot de beschreven man en omdat het verhaal te veel de vorm had van een persoonlijke afrekening. Vervolgens ontving de krant van Brandt Corstius een herschreven versie van zijn brief, waaruit de elementen die de beschuldigingen herleidbaar maakten waren verwijderd. Bovendien was de focus verlegd van het misbruik zelf naar de onmogelijkheid om daarmee naar buiten te komen; het is een verhaal over het dilemma waarmee een slachtoffer van misbruik zich ziet geconfronteerd. Mede omdat het slachtoffer een man was, zag de krant in deze brief een zeer waardevolle toevoeging aan het #MeToo-debat. In dat verband merkt Trouw op dat #MeToo niet alleen gaat over machtsverhoudingen, maar ook speelt bij/of betrekking heeft op mensen die aan het prille begin van hun loopbaan staan en mede daarom terugdeinzen voor het veroorzaken van rimpelingen.
Trouw meent dat zij de privacy van klager voldoende heeft meegewogen en die niet ongerechtvaardigd heeft aangetast. De publicatie bevat het minimum aan informatie, te weten: ‘in het prille begin van zijn [Brandt Corstius’] televisiecarrière’, en is daarmee niet herleidbaar tot klager. Zijn naam lag niet op straat na de publicatie van de brief in Trouw. De krant kan alleen worden aangesproken op haar eigen publicatie. Het kan de krant niet worden aangerekend dat de naam van klager vervolgens bekend is geworden. De handelingen die klager noemt, die tot het circuleren van zijn naam zouden hebben geleid, zijn geen handelingen van Trouw. Klager heeft er tenslotte zelf voor gekozen om uit de anonimiteit te treden en zijn naam bij Pauw bekend te maken.
Het voorgaande leidt er ook toe dat Trouw niet gehouden was om onderzoek te verrichten. Dat klager mogelijk door mensen in zijn omgeving is herkend dan wel is aangesproken op de berichtgeving, is hiervoor onvoldoende. Omdat klager niet voor het grote publiek herkenbaar was, was er geen sprake van een ‘beschuldiging’ en dus ook geen reden om te onderzoeken of daarvoor voldoende grondslag bestond.
Ten aanzien van het wederhoor merkt de krant op dat zij de eerste versie van de brief heeft voorgelegd aan klager. Voor de tweede versie van de brief is geen apart wederhoor gepleegd. Enerzijds omdat klager niet identificeerbaar was in die versie en derhalve geen sprake was van een ‘beschuldigde’. Anderzijds had de advocaat van klager in haar e-mail van 22 oktober 2017 expliciet vermeld dat geen enkele reactie van klager mocht worden gepubliceerd. Er bestond dan ook geen reden om nogmaals een reactie te vragen, te meer nu de tweede versie van de brief geen nieuwe informatie bevatte ten opzichte van de eerste versie. Nadat klager zich op 30 oktober 2017 bij Pauw had laten interviewen, heeft Trouw de volgende dag daaraan aandacht besteed. Diezelfde dag is ook een interview met de advocaat van klager gepubliceerd. Uit het optreden in Pauw heeft Trouw afgeleid dat klager inmiddels geen bezwaar meer had tegen het publiceren van zijn reactie. Uit eigen beweging en ter informatie voor haar lezers heeft Trouw daarop onder de ingezonden brief van Brandt Corstius op haar website een update toegevoegd, die linkt naar het artikel over het optreden bij Pauw.
Verder heeft Trouw in een artikel van haar hoofdredacteur openbaar rekenschap afgelegd over haar journalistieke keuzes. De reactie van klager is dus wel degelijk gepubliceerd, zowel bij de ingezonden brief van Brandt Corstius als in aparte artikelen.
Verder wijst de krant erop dat deze zaak draait om de publicatie van een ingezonden brief. Dat de hoofdredactie heeft geweigerd de eerste versie te publiceren en vervolgens de door Brandt Corstius aangepaste versie heeft geplaatst, leidt er niet toe dat sprake is van een redactionele inhoud. Een ingezonden brief kan worden geplaatst waar de redactie dat juist acht. Dat dit is gebeurd op de voorpagina doet niet af aan het karakter ervan, net zomin als het feit dat de brief is geschreven door iemand die journalist is. Het is duidelijk dat het stuk – dat in de ik-vorm is geschreven – het verhaal van Brandt Corstius bevat. Hij is stellig in zijn beschuldigingen, maar ook eerlijk over zijn bewijsprobleem. Dat geeft de lezer de ruimte een eigen mening te vormen. Trouw heeft zich de beschuldigingen niet eigen gemaakt en heeft (slechts) in het algemeen haar lezers gevraagd hun #MeToo-verhalen te delen.
Trouw concludeert dat zij voldoende zorgvuldigheid heeft betracht om aan alle betrokken belangen tegemoet te komen. Bij haar afweging heeft zij terecht laten meewegen dat de inzender van de brief bij haar bekend is als integer, gedegen en betrouwbaar.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat de redactie verantwoordelijk is voor de plaatsing van het stuk. Ook als die plaatsing volledig op één lijn kan worden gesteld met het plaatsen van een ingezonden brief – hetgeen, gelet op het navolgende, in het midden kan blijven – kan dit leiden tot het oordeel dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld.

Gezien de opzet en toon van de publicatie, zijn de bedoeling en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk: de publicatie behelst met name de visie gebaseerd op persoonlijke ervaringen van Brandt Corstius en feitelijke verslaglegging staat niet voorop.

De Raad acht het onvoldoende aannemelijk dat klager door de zinsnede ‘in het prille begin van mijn [Brandt Corstius’] televisiecarrière’ voor het grote publiek identificeerbaar is. Niet kan dus worden geconcludeerd dat klager objectief bezien door de publicatie wordt gediskwalificeerd.

Trouw heeft dan ook niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door tot publicatie van het stuk van Brandt Corstius over te gaan, zonder voorafgaand nader onderzoek en toepassing van wederhoor.
(zie de Leidraad van de Raad onder punt B.3 en vgl. onder meer RvdJ 2017/6 en RvdJ 2011/73)

De omstandigheid dat de krant de eerdere versie van het stuk – waarin klager mogelijk wél herkenbaar was – voor wederhoor heeft voorgelegd, brengt niet mee dat klager reeds daarom in de gelegenheid had moeten worden gesteld ook op de tweede versie te reageren.

De krant mocht volstaan met de aankondiging van de publicatie in de e-mail van maandag 23 oktober 2017 om 22:28 uur. Het zou de hoofdredactie hebben gesierd als zij, zoals toegezegd, op dat moment meer inhoudelijk zou zijn ingegaan op de e-mail van mr. Euverman van 22 oktober 2017. Dat zij dat heeft nagelaten is echter niet journalistiek onzorgvuldig.

Dat de publicatie in Trouw door handelingen van derden – onder wie Brandt Corstius en (uiteindelijk) klager zelf – en alle media-aandacht in de daaropvolgende dagen alsnog tot klager herleidbaar is geworden, maakt het voorgaande niet anders. Dit kan Trouw niet worden aangerekend.

De Raad vindt echter dat de krant wél journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door in de redactionele inleiding bij de brief van Brandt Corstius diens beschuldigingen tot de hare te maken en deze bovendien – met de zinsnede “Ook journalist Jelle Brandt Corstius is slachtoffer.” – als feit te presenteren.

Trouw was zich naar eigen zeggen bewust van het dilemma dat speelt bij publicaties over #MeToo-onthullingen en de bijzondere zorgvuldigheid die bij dit zeer gevoelige onderwerp moet worden betracht. Daarbij komt dat de krant in de aanloop naar de publicatie de wetenschap had verkregen, dat klager de beschuldigingen ten stelligste had ontkend. Trouw had daarom in haar inleiding terughoudender behoren te zijn en heeft dit ten onrechte nagelaten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Trouw met de publicatie van de zinsnede “Ook journalist Jelle Brandt Corstius is slachtoffer.” journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Verder was de handelwijze van de krant zorgvuldig.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A., B.3, C
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2017/6 en RvdJ 2011/73

CONCLUSIE

Trouw heeft met de publicatie van de zinsnede “Ook journalist Jelle Brandt Corstius is slachtoffer.” journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Verder was de handelwijze van de krant zorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan Trouw om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 30 april 2018 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, L.C. Hauben, ir. B.L. Hooghoudt en mw. drs. J.X. Nabibaks, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.