2017/45 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht tegen J.J. de Ruiter en Zaman Vandaag (nu: de Kanttekening) (RvdJ 2017/33). W. van Rooy (verzoeker) maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

W. van Rooy

tot herziening van de conclusie van de Raad van 11 september 2017 (RvdJ 2017/33) betreffende zijn klacht

tegen

J.J. de Ruiter en de hoofdredacteur van Zaman Vandaag (nu: de Kanttekening)

De heer K. Everaert, advocaat te Lokeren, België, heeft op 5 oktober 2017 namens W. van Rooy (verzoeker) verzocht om herziening van de conclusie van 11 september 2017 inzake zijn klacht tegen J.J. de Ruiter en de hoofdredacteur van Zaman Vandaag (nu: de Kanttekening). De Ruiter en de hoofdredacteur hebben niet inhoudelijk op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 3 november 2017 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer Everaert heeft op 28 maart 2017 namens de heer Van Rooy een klacht ingediend over een publicatie van de hand van De Ruiter met de kop “Dieptepunt in het debat: endlösung van moslims”, die op 27 januari 2017 in Zaman Vandaag is verschenen.
De Raad heeft in zijn conclusie van 11 september 2017 beslist dat hij onbevoegd is te oordelen over de klacht voor zover deze is gericht tegen De Ruiter. Verder heeft de Raad geconcludeerd dat Zaman Vandaag journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad beschouwt het schrijven van het stuk van De Ruiter niet als een journalistieke gedraging. Bezien vanuit de positie van de hoofdredacteur kan de plaatsing van dit stuk op één lijn worden gesteld met het plaatsen van een ingezonden brief. Of een dergelijk artikel wordt geplaatst of niet, staat ter beoordeling van de (hoofd)redactie. Onder omstandigheden kan plaatsing van een ingezonden stuk leiden tot het oordeel dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. In dit geval bestaat voor dit oordeel geen aanleiding.
Voor de lezer is duidelijk dat het stuk de persoonlijke opvatting van De Ruiter behelst en diens interpretatie van wat zich tijdens het debat heeft afgespeeld. Bovendien zal klager zich – gezien zijn positie in de publieke discussie over dit onderwerp in het algemeen en zijn deelname aan dit specifieke debat in het bijzonder – een wat grotere mate van kritische en polemische bejegening van zijn persoon moeten laten welgevallen.
De Raad kan zich voorstellen dat klager met name door de term ‘endlösung’ in de kop onaangenaam is getroffen. Het is echter journalistiek niet ongebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Daarvan is in dit geval geen sprake. In zijn stuk heeft De Ruiter immers geschreven dat hij een deel van de geopperde suggesties “achteraf de ‘eindoplossing van het moslimvraagstuk’ zou willen noemen”. De door de redactie hiervoor gebruikte vertaling is – vanwege de verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog – erg beladen en wellicht onkies, maar niet onzorgvuldig jegens klager. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uit het artikel voldoende volgt dat het ook hier gaat om een opvatting van De Ruiter, die overigens niet enkel terugslaat op klager.
Gelet op het voorgaande was de redactie niet gehouden de reactie van klager te plaatsen. Dat door de tussenkomst van De Ruiter sprake is geweest van een - voor klager zeer ongelukkig - misverstand over een mogelijke toezegging ter zake, kan daaraan niet afdoen.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker voert allereerst aan dat de klacht niet (mede) was gericht tegen De Ruiter. De Raad had daarom het verweer van De Ruiter en zijn toelichting op de zitting niet bij de beoordeling van de klacht mogen betrekken.
Verder meent verzoeker dat de Raad de lezer heeft beïnvloed door onder ‘De Feiten’ niet het hele artikel te citeren, maar slechts enkele passages uit het artikel weer te geven. Daaruit volgt bovendien dat de Raad enkel deze geselecteerde passages bij zijn oordeel heeft betrokken, terwijl het hele artikel in aanmerking moet worden genomen. Het slot van het citaat bewijst overigens dat het gaat over een dieptepunt in de carrière van de auteur, en niet om een dieptepunt in het debat. In dat verband wijst verzoeker op de expliciete verwijzing naar de videofragmenten van de beeldopnamen van het debat in het pleidooi van zijn raadsman. Uit niets blijkt dat de Raad met dat pleidooi rekening heeft gehouden.
Verzoeker stelt voorts dat in de conclusie niet alle criteria zijn verwerkt die zijn raadsman heeft aangehaald, zoals dat berichtgeving waarheidsgetrouw en zo volledig mogelijk moet zijn. Bovendien is de Raad ten onrechte ervan uitgegaan dat het stuk van De Ruiter gelijk kan worden gesteld met een lezersbrief. Dit volgt ook uit het feit dat de redactie een kop erboven heeft geplaatst, aldus verzoeker. Volgens hem was het artikel geen opiniestuk en blijkt overigens nergens uit dat De Ruiter niet was betrokken bij het maken van de kop. Het is voor de lezer allerminst duidelijk dat het stuk de persoonlijke opvatting van De Ruiter behelst en diens interpretatie van wat zich tijdens het debat heeft afgespeeld. Integendeel, de lezer leest een artikel in een dagblad met daarin een verslag, waardoor dat artikel nieuwswaarde krijgt. Dat daar dan een dergelijke afschuwelijke titel boven staat, versterkt de indruk alsof verzoeker werkelijk de term ‘Endlösung’ heeft gebruikt en dat hij dat beoogt als oplossing, terwijl het gaat over de ‘eindoplossing van het vraagstuk’ en het ‘dieptepunt in de carrière van De Ruiter’. Daarbij is de Raad ten onrechte ervan uitgegaan dat de redactie louter een vertaling heeft gebruikt van een term die haar grondslag vindt in het artikel. Het is duidelijk dat er bewust voor is gekozen om een fascistische term boven het artikel te plaatsen in het kader van een volstrekt foutieve sfeerschepping tegen verzoeker.   
Ten slotte heeft hij gewezen op enkele verschrijvingen in de conclusie.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Hij heeft dit niet gedaan.

Verzoeker heeft allereerst gesteld dat de Raad ten onrechte ervan uit is gegaan dat de klacht mede was gericht tegen De Ruiter. Het gaat hierbij niet om nieuwe feiten, maar om een omstandigheid die al in de klachtprocedure bij verzoeker bekend was. Dat hij daarop in de klachtprocedure niet adequaat heeft gereageerd, komt voor zijn rekening en risico.

Verder heeft verzoeker aangevoerd dat niet het volledige artikel onder ‘De Feiten’ is weergegeven, dat de door hem aangedragen argumenten niet of slechts verkort in de conclusie aan de orde zijn gekomen en dat de conclusie een aantal verschrijvingen bevat.
Hiermee is niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Het is gebruikelijk dat de Raad in zijn conclusies de gewraakte publicaties slechts gedeeltelijk weergeeft en de standpunten van partijen parafraseert. De kern van verzoekers argumenten blijkt overigens voldoende uit de conclusie.

Voor het overige bevat het verzoekschrift (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. In de kern vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, met name ten aanzien van de kop en de daarin opgenomen term ‘endlösung’.  De herzieningskamer kan zich voorstellen dat de conclusie van de Raad klager niet welgevallig is. Voor een herziening op grond van alleen een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement echter geen ruimte. Dat verzoeker het niet eens is met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2017/15, RvdJ 2014/27 en RvdJ 2011/81
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 14 december 2017 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, dr. H.J. Evers, L.C. Hauben, mw. H.M.M. Nietsch en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.