2017/42 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht tegen H.J. Korterink (RvdJ 2017/25). X (verzoeker) maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 7 juli 2017 (RvdJ 2017/25) betreffende zijn klacht

tegen

H.J. Korterink

De heer X te […] (verzoeker) heeft op 16 juli 2017 verzocht om herziening van de conclusie van 7 juli 2017 inzake zijn klacht tegen H.J. Korterink. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van verzoeker en Korterink betrokken van 16, 17 en 22 juli 2017 en van 4 augustus 2017.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 6 oktober 2017 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer X heeft op 1 maart 2017 een klacht ingediend over het artikel “Brandmoord Zeist: een doofpot? Een tijdlijn” dat Korterink op zijn website www.misdaadjournalist.nl heeft gepubliceerd.
De Raad heeft in zijn conclusie van 7 juli 2017 beslist dat Korterink journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat de journalist vrij is in de selectie van nieuws. Het is aan de journalist om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.
Gelet op het feit dat klager zich kennelijk publiekelijk uitvoerig mengt in de discussie over de kwestie, is het niet ontoelaatbaar dat Korterink in zijn artikel klager heeft genoemd en heeft verwezen naar diens standpunten ter zake. Ook op de zitting deelt klager mee dat hij van mening is dat de echte waarheid een andere is dan die welke door de rechter is bewezen verklaard. Anders dan klager leest de Raad in de zin “Hij ziet een complot met eerwraak.” niet dat klager een ‘complotdenker’ zou zijn. In de context waarin die woorden worden gebruikt, kunnen die moeilijk anders worden opgevat dan dat klager – anders dan de strafrechter die in deze zaak vonnis heeft gewezen – van mening is dat sprake is geweest van een vorm van eerwraak.
Korterink heeft verder een voldoende duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Niet is gebleken dat het artikel relevante onjuistheden bevat of dat een vertekend beeld is geschetst waardoor sprake zou zijn van niet-waarheidsgetrouwe berichtgeving. Dat klager het niet eens is met het vonnis dat de rechter in deze zaak heeft gewezen en met de daarin vervatte schuldigverklaring, maakt dit niet anders.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker voert – samengevat – aan dat Korterink een reeks aan onjuiste berichten over de Zeister brandmoord heeft gepubliceerd. Het is onweerlegbaar dat zijn waarheidsgetrouwe verhaal niet strijdig is met de conclusie van rechters en dat de verzonnen verhalen van Korterink dat juist wél zijn. Rechters hebben gevonnist dat jaloezie niet het motief is en in hoger beroep dat ze gissen naar het motief. Korterink weigert al vele jaren om zijn verzonnen berichten over de jaloerse liefdesrivale en verliefde gefrustreerde afgewezen ex-werkgever ruiterlijk te rectificeren. De officiële uitkomst van de moordzaak is onweerlegbaar ‘motief onbekend’ in plaats van ‘één gefrustreerde jaloerse liefdesrivale’. De Raad heeft in zijn conclusie volledig gemist dat het verhaal van verzoeker juist in het verlengde ligt van de gerechtelijke uitspraken.
Verder vindt verzoeker de kwalificatie van ‘complotdenker’ gecombineerd met de mededeling van de Raad dat verzoeker het ‘oneens is met de officiële uitkomst van de moordzaak’ en de conclusie dat Korterink ‘zorgvuldig’ heeft gehandeld, uiterst ongelukkig. Verzoeker is geen ‘complotdenker’ en zijn verhaal is niet strijdig met de officiële uitkomst van de moordzaak. Hij vindt het flauw dat de Raad kiest voor de weg van de minste weerstand door zich niet uit te spreken over de vraag of hij door Korterink ten onrechte publiekelijk in de hoek mag worden gezet als complotdenker/leugenaar/andersdenkend. In dat verband wijst hij nog op een print-screen van een reactie van Korterink, waarin deze hem een ‘zieke complotdenker’ noemt. De conclusie van de Raad kan dan ook niet overeind blijven.
Ten slotte meent verzoeker dat objectief kan worden vastgesteld dat hij een échte klokkenluider is. Zestig mensen hebben inmiddels al publiekelijk uitgesproken dat hier sprake is van een schandalige doofpot. Zolang hij echter als ‘zieke complotdenker’ in de hoek mag worden gezet, gaan alle vervolgreacties over zijn vermeende rol in het geheel van gebeurtenissen en niet over de maatschappelijke misstand en mensenrechtenschendingen die hij heeft aangekaart. 

Korterink kan zich geheel vinden in de standpunten van de rechters dat het motief onbekend is en dat er geen aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van derden. Op basis van alles wat er bekend is, meent hij dat jaloezie het meest voor de hand liggende motief is. Uiteraard brengt hij dit niet als feit: er zijn op dit punt geen feiten. Het staat verzoeker vrij om er anders over te denken, maar als hij betrokkenheid suggereert van derden zonder dat daar bewijs voor is, suggereert hij dat sprake is van een complot. Korterink meent dat het hem vervolgens vrijstaat zo iemand een complotdenker te noemen. Dit neemt niet weg dat hij verzoeker alle ruimte en gelegenheid geeft om zijn mening te uiten, ook op zijn site.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Hij heeft dit niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven.
In de kern vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad.
Voor een herziening op grond van alleen een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoeker het niet eens is met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2017/15
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 9 november 2017 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. J.R. van Ooijen, F.Th.H. Ruys en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris