2017/41 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht tegen Dagblad van het Noorden (RvdJ 2017/23). P.A. Waterdrinker (verzoeker) maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

P.A. Waterdrinker

tot herziening van de conclusie van de Raad van 4 juli 2017 (RvdJ 2017/23) betreffende zijn klacht

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden

De heer P.A. Waterdrinker te Winsum (verzoeker) heeft op 26 juli 2017 verzocht om herziening van de conclusie van 4 juli 2017 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden. Dagblad van het Noorden heeft niet op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 6 oktober 2017 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer Waterdrinker heeft op 7 februari 2017 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden over – kort gezegd – de wijze waarop zijn ingezonden brief is geplaatst en het vervolgbericht dat daarna is gepubliceerd.

De Raad heeft in zijn conclusie van 4 juli 2017 beslist dat Dagblad van het Noorden journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat de redactie verantwoordelijk is voor het plaatsen van ingezonden brieven. De redactie mag ingezonden brieven wijzigen of inkorten zolang de essentie en de toonzetting behouden blijven.
Het is voorstelbaar dat klager bezwaar maakt tegen de toevoeging van zijn voorzittersfunctie, waardoor de indruk is gewekt dat hij de brief heeft geschreven in die hoedanigheid. Gelet op de inhoud van het opiniestuk was het echter journalistiek relevant die functie te vermelden. Daar had klager ook bedacht op moeten zijn. Gezien zijn voorafgaand overleg met en toezegging aan het bestuur, had het op de weg van klager gelegen om bij de inzending van zijn stuk uitdrukkelijk te vermelden dat hij dit op persoonlijke titel had geschreven, maar dat heeft hij niet gedaan. De redactie had niet behoeven te voorzien dat de toevoeging klager op enigerlei wijze zou kunnen schaden en heeft met de vermelding niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld.
Het voorgaande brengt ook mee dat er geen aanleiding bestond de handelwijze van de redactie ‘recht te zetten’. Niettemin is de krant klager tegemoet gekomen door in het bericht van 26 november 2016 aan de lezer kenbaar te maken dat hij zijn opiniestuk op persoonlijke titel had geschreven. Dit blijkt in ieder geval duidelijk uit de kop. Hoewel de tekst – gelet op de inmiddels bij de redactie bekend geworden bezwaren van klager – wellicht passender en eenduidiger geformuleerd had kunnen worden, is ook hiermee geen sprake van een journalistiek onzorgvuldige gedraging.
Voor wat betreft het tussen klager en de hoofdredacteur gevoerde telefoongesprek kan de Raad niet vaststellen wat precies is voorgevallen. Uit de standpunten van partijen komt het beeld naar voren dat aan beide kanten irritatie is ontstaan, wat ertoe heeft geleid dat klager het gesprek (min of meer) abrupt heeft beëindigd. Er bestaat in ieder geval onvoldoende grond voor de conclusie dat de hoofdredacteur klager zodanig onheus heeft bejegend, dat hij daarmee ontoelaatbaar heeft gehandeld.
Een en ander in aanmerking genomen bestaat er evenmin aanleiding voor de conclusie dat de reactie van algemeen hoofdredacteur Van Dijk getuigt van misbruik van diens journalistieke machtspositie. Dat klager zich niet in die reactie kan vinden, is daarvoor onvoldoende.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker voert – kort samengevat – aan dat de conclusie van de Raad is gebaseerd op een aanvechtbare motivering, die op onderdelen met elkaar in tegenspraak is. Verder mist hij vooral dat de Raad de redactie niet aanspreekt op de door haar genoteerde spelregels en die bestaande spelregels sowieso niet heeft laten meewegen bij de beoordeling. Hij wijst erop dat in de spelregels van de krant geen mededeling is gedaan over het recht om de identiteit van de indiener van een brief aan te passen. Er was voor hem dus geen reden om aan te moeten/hoeven nemen dat behalve de genoteerde spelregels ook nog andere spelregels zouden gelden.
Verzoeker constateert dat de motivering juridisch niet steekhoudend is en dat de Raad niet alle relevante gegevens heeft meegewogen. Hij acht de conclusie derhalve als niet juist en verzoekt om herziening; enerzijds vanwege de vrijheid die de krant zich heeft gepermitteerd om zijn identiteit te schaden, anderzijds omdat de conclusie redacties in het algemeen de vrije hand geeft andermans identiteit te schaden.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Hij heeft uitvoerig uiteengezet waarom naar zijn mening de motivering van de conclusie niet juist is, maar hij heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

Verder bevat het verzoekschrift (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening op grond van alleen een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoeker het niet eens is met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2017/15
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 9 november 2017 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. J.R. van Ooijen, F.Th.H. Ruys en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.