2017/40 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht van S. Öztürk tegen J. Dohmen en NRC Handelsblad (RvdJ 2017/16). Dohmen (verzoeker) heeft in de klachtprocedure (mede) verantwoordelijkheid genomen voor de kop en onderkop van het voorpagina-artikel, maar komt hiervan terug in de herzieningsprocedure, waarbij hij zich beroept op mededelingen van de hoofd- en eindredactie. Niet valt in te zien dat de inhoud van die mededelingen niet al in de klachtprocedure bij hem bekend was of bekend had kunnen zijn. Het komt voor rekening en risico van verzoeker dat hij mogelijk niet adequaat op de stellingen van klager heeft gereageerd.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

J. Dohmen 

tot herziening van de conclusie van de Raad van 6 juni 2017 (RvdJ 2017/16) betreffende de klacht van

S. Öztürk

tegen verzoeker en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

De heer J. Dohmen (verzoeker) heeft op 30 juni 2017 verzocht om herziening van de conclusie van 6 juni 2017 inzake de klacht van S. Öztürk (klager) tegen verzoeker. Öztürk heeft op 25 juli 2017 op het verzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 6 oktober 2017 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer Öztürk heeft op 14 december 2016 een klacht ingediend tegen de heer Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad over de artikelen “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk”, “De zaken van Selçuk Öztürk”, “Geheim dealtje bij een zorginstelling” en “De vier ‘leugens’ van NRC”. De Raad heeft in zijn conclusie van 6 juni 2017 beslist dat Dohmen en NRC Handelsblad ten aanzien van de inhoud van de artikelen niet journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld.
De Raad heeft ook geconcludeerd dat Dohmen en de krant ten aanzien van de kop “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk” en de onderkop “Vastgoed-deal – Twee zorginstellingen verdenken Kamerlid Öztürk van laakbaar handelen bij zakelijke transacties in zijn vorige leven als zakenman.” journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“Het voorgaande neemt niet weg dat de Raad met klager van mening is dat de kop “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk” en de onderkop “Vastgoed-deal – Twee zorginstellingen verdenken Kamerlid Öztürk van laakbaar handelen bij zakelijke transacties in zijn vorige leven als zakenman.” van het voorpagina-artikel te stellig en daarmee onjuist zijn.
Het is journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel.
In dit geval neemt de Raad hierbij mede in aanmerking dat juist nu het hier gaat om berichtgeving over iemand op zo’n hoge positie als klager, ten aanzien van een (onder)kop extra zorgvuldigheid moet worden betracht. De kop van een artikel is immers mede bepalend voor de wijze waarop andere media het nieuws oppakken.
Anders dan Dohmen en NRC hebben betoogd, vindt de Raad niet dat als feit kan worden gepresenteerd dat er een integriteitsonderzoek naar klager wordt verricht. Niet ter discussie staat dat het gaat om een onderzoek naar de interne bedrijfsvoering binnen Daelzicht ten aanzien van een aantal vastgoedtransacties. Dat klager bij een van die transacties betrokken is geweest en dat in het onderzoeksrapport is vermeld dat ‘de bevindingen geen verwijten jegens hem bevatten’, maakt niet dat kan worden gesproken van een integriteitsonderzoek naar klager.
Gezien het voorgaande en gelet op het feit dat Reinaerde zich ten tijde van de publicatie kennelijk beraadde op een onderzoek – zoals in het vervolgartikel “Geheim dealtje bij een zorginstelling” is vermeld – bestaat onvoldoende grond voor de als feit gepresenteerde bewering dat de instellingen klager ‘verdenken van laakbaar handelen’.
Daarom hebben Dohmen en de krant ten aanzien van de kop en onderkop van het voorpagina-artikel onzorgvuldig gehandeld.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker voert aan dat hij geen enkel aandeel heeft gehad in de totstandkoming van de kop en onderkop van het voorpagina artikel. Ten bewijze daarvan verwijst hij naar een brief van de hoofdredactie aan de Raad van 30 juni 2017, waarin zij de gang van zaken bij de krant uitlegt. Daaruit blijkt dat NRC-redacteuren geen koppen en onderkoppen maken, zoals overigens bij nagenoeg alle Nederlandse dagbladen. Dit  blijkt verder uit een e-mail die de eindredactie op 7 juni 2017 aan verzoeker stuurde.
Volgens verzoeker geeft de conclusie daarom een onjuiste voorstelling van zaken over zijn journalistieke prestaties, omdat de indruk wordt gewekt dat hij journalistiek onzorgvuldig te werk is gegaan. Hij meent dat de Raad ten onrechte niet heeft overwogen dat de kop en de onderkop enkel zijn opgesteld door (de eindredactie van) NRC Handelsblad. Ook tijdens de zitting is de Raad aan dit feit voorbij gegaan.
Voor zover de conclusie betrekking heeft op verzoeker inzake de kop en onderkop berust deze dus op een ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geacht feit. Het had op de weg van de Raad gelegen om duidelijkheid te krijgen over de individuele verantwoordelijkheid van de twee gedaagden partijen (NRC en verzoeker) ten aanzien van de gemaakte verwijten. Had de Raad dat gedaan dan was duidelijk geworden dat verzoeker geen bemoeienis heeft gehad met de kop en onderkoppen. Dit valt de Raad aan te rekenen, ook al vanwege het feit dat de Raad in twee eerdere procedures (RvdJ 2014/28 en 2011/21) is teruggekomen van een oordeel over een auteur vanwege de onterechte aanname van de Raad dat deze ook verantwoordelijk was voor een gewraakte kop.
Verzoeker concludeert dat de conclusie van de Raad op dit punt moet worden herzien.

Klager stelt hier tegenover dat verzoeker (mede) verantwoordelijk was voor de kop en de onderkop. Ten eerste, omdat hij mede-auteur is van het artikel. Ten tweede, omdat hij zowel in zijn schriftelijke reactie op het klaagschrift als tijdens de zitting de betreffende kop en onderkop inhoudelijk heeft verdedigd in de zin dat deze voldoende grond zouden hebben in het artikel en dat het gebruikelijk is om een kop scherp aan te zetten. Verzoeker had reeds in een vroeg stadium ruim voldoende gelegenheid om mee te delen dat de kop en de onderkop niet van zijn hand waren, maar heeft hier niet voor gekozen. Ook al werd de krant op de zitting vertegenwoordigd door de adjunct-hoofdredacteur, het verweer over de kop en de onderkop werd daar gevoerd door verzoeker. Volgens klager heeft verzoeker hierdoor publiekelijk verantwoordelijkheid genomen voor de kop en de onderkop en was het voor de Raad aannemelijk dat hij op zijn minst een aandeel had in de betreffende kop en onderkop.
Volgens klager bewijst de door verzoeker bij zijn herzieningsverzoek gevoegde correspondentie niet dat hij geen aandeel heeft gehad in de kop en de onderkop.  Een weergave van hoe de procedure over de publicatie van een artikel en de totstandkoming van de (onder)koppen in zijn algemeenheid werkt, toont niet onomstotelijk aan dat in het onderhavige geval niet van deze procedure is afgeweken. In de e-mail van de eindredactie aan verzoeker wordt louter gesproken over de kop, dus niet over de onderkop, waardoor in zijn geheel niet bestreden wordt dat verzoeker een aandeel heeft gehad in de onderkop. Overigens laat dit bericht in het midden of het gaat om creatie of plaatsing van de kop. Het is heel goed mogelijk dat verzoeker een voorstel heeft gedaan voor een kop, die door de eindredactie is overgenomen, of dat hij betrokken is geweest bij de uiteindelijke totstandkoming ervan. Daarnaast vindt klager het niet waarschijnlijk dat bij een artikel dat maanden werk heeft gekost, er vooraf niet reeds een kop is opgesteld door de auteur. Klager wijst ook nog op een Twitter-bericht van verzoeker van 14 juni 2016, waarin hij de kop heeft gedeeld.
Klager concludeert dat de conclusie van de Raad niet berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Niet ter discussie staat dat klager reeds in zijn klaagschrift uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de bewuste kop en onderkop. Hierop hebben de krant en verzoeker in een gezamenlijke reactie geantwoord, zonder daarbij op enigerlei wijze onderscheid te maken in hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de kop en onderkop.
Verder blijkt uit de conclusie van de Raad dat verzoeker ten aanzien van de onderkop op de zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat “niemand bij Daelzicht met zoveel woorden heeft gezegd dat klager ‘van laakbaar handelen werd verdacht’” en erop heeft gewezen “dat het niet gaat om ‘verdenking’ in juridische zin, maar dat het een parafrase betreft van wat verder in het artikel staat”.

Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker in de klachtprocedure aldus zowel schriftelijk als mondeling (mede) verantwoordelijkheid genomen voor de kop en onderkop. In deze herzieningsprocedure komt hij hiervan terug en beroept hij zich op de mededelingen van de hoofd- en eindredactie dat hij géén aandeel heeft gehad in de totstandkoming van de kop en onderkop van het voorpagina artikel. Niet valt in te zien dat de inhoud van die mededelingen – die klager overigens betwist – niet al in de klachtprocedure bij verzoeker bekend was of bekend had kunnen zijn. Dat hij mogelijk niet adequaat op de stellingen van klager heeft gereageerd, komt voor zijn rekening en risico.

Voor zover verzoeker heeft verwezen naar twee eerdere herzieningsprocedures – RvdJ 2014/28 en 2011/21 – overweegt de herzieningskamer dat uit die conclusies blijkt dat de Raad voorbij was gegaan aan ontlastende passages in stukken die partijen reeds in eerste instantie hadden ingediend. Die situatie doet zich hier niet voor.

De herzieningskamer is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de beslissing van de Raad van 6 juni 2017 (RvdJ 2017/16) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2014/27
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 9 november 2017 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. J.R. van Ooijen, F.Th.H. Ruys en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.