2017/38 zorgvuldig

Samenvatting

A. Rietveld en het Leidsch Dagblad hebben in het artikel “Bestuur Haanstraschool komt niet met noodlokaal” bericht dat het ‘samenwonen’ van de Haanstraschool met de IBS Er-Risèlèh (klaagster) voorlopig niet doorgaat. Met de vermelding ‘inmiddels is duidelijk dat het bestuur van de islamitische school het gebouw liever niet wil delen’ is feitelijk onjuist over de kwestie bericht en is klaagster in een onnodig negatief daglicht geplaatst. Hiermee is journalistiek onzorgvuldig gehandeld.
Twee dagen later is in een vervolgartikel  van J. Dijke duidelijk gemaakt dat de Haanstraschool bij klaagster welkom is en dat klaagster ook nooit een daar tegenovergestelde uitlating heeft gedaan. Bovendien is de bewuste passage aangepast op de website van de krant. De redactie heeft  daarmee de klacht op een journalistiek passende wijze afgehandeld en uiteindelijk journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

IBS Er-Risèlèh

tegen

J. Dijke, A. Rietveld en de hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad

Mevrouw J. Zemouri heeft op 3 juli 2017 namens IBS Er-Risèlèh (klaagster) een klacht ingediend tegen mevrouw J. Dijke, de heer A. Rietveld en de hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad (hierna samen: Leidsch Dagblad). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van G. van ’t Hek, adjunct-hoofdredacteur, van 3 augustus 2017.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 1 september 2017. Namens IBS Er-Risèlèh zijn daar de heer R. Boudil, directeur, en mevrouw J. Zemouri, communicatie-adviseur Stichting Noorscholen verschenen. Namens de krant waren de heer G. van ’t Hek en mevrouw M. Kramp, chef redactie, aanwezig.

DE FEITEN

Op 23 en 24 juni 2017 is op de website respectievelijk in de papieren editie van het Leidsch Dagblad een artikel van de hand van Rietveld verschenen met de kop “Bestuur Haanstraschool komt niet met noodlokaal”. Het artikel luidt verder:
“Ouders die hun kind hadden aangemeld voor de nieuwe vestiging van de Haanstraschool in Leiden verkeren in onzekerheid. Want bij alle onduidelijkheid is één ding in ieder geval wel zeker: die nieuwe vestiging is er in augustus, bij het begin van het nieuwe schooljaar, nog niet.
Het ‘samenwonen’ met de islamitische basisschool Er Risèlèh in hun gebouw aan de Stadhouderslaan gaat in ieder geval voorlopig niet door. De Haanstraschool, die op het Rapenburg uit zijn voegen barst, zou daar na de zomer zes lokalen in gebruik nemen. Op termijn zou het hele gebouw volgens de gemeente beschikbaar komen voor de populaire basisschool.
‘Het pand aan de Stadhouderslaan wordt op dit moment opgeknapt om in de zomer open te gaan’, meldde de Haanstra in mei op zijn website. De scheiding in het gebouw, tussen de vleugels voor Haanstra en Er Risèlèh, zou al zijn aangebracht. Meubilair en lesmateriaal waren besteld, sollicitatiegesprekken met onderwijzend personeel waren gaande.
Het was de eerste en meteen de laatste ‘wekelijkse’ nieuwsbrief over de dependance aan de Stadhouderslaan. Inmiddels is duidelijk dat het bestuur van de islamitische school het gebouw liever niet wil delen en ook helemaal niet ‘de wens heeft om te verhuizen naar Leiden Zuidwest’, zoals wethouder Paul Dirkse (D66) in november vorig jaar nog verkondigde.
Ouders hebben donderdagavond van het bestuur van de Haanstra te horen gekregen, dat dat niet van plan is een noodvoorziening te treffen. Het voorstel van de ouders om een noodlokaal bij de aan het Rapenburg neer te zetten of een lokaal te huren in een andere school, is door het bestuur afgewezen. En dus weten de ouders ook niet waar zij na de zomervakantie met hun kind terecht kunnen.
Wethouder Dirkse heeft al met het bestuur van de Haanstraschool gepraat en gaat ook overleggen met het bestuur van Er Risèlèh over het probleem, antwoordde hij donderdagavond in de commissie onderwijs op vragen van GroenLinks-raadslid Yvonne van Delft. Maar hij verwacht de gemeenteraad pas in het najaar duidelijkheid te kunnen geven, dus ruim nadat het nieuwe schooljaar is begonnen.”

Naar aanleiding van de publicatie heeft Zemouri op 24 juni 2017 contact gehad met Dijke en verzocht de foutieve berichtgeving te verwijderen. Hierop heeft Dijke per sms geantwoord:
Ik kan een rectificatie maken waarin staat dat jullie nooit letterlijk hebben gezegd dat jullie het gebouw niet wilden delen, maar dat de Haanstra die indruk kreeg dat zij de sleutel niet kregen. Liever dan die rectificatie interview ik jullie aanstaande maandag om uitgebreid van jullie te horen hoe jullie hier nou in staan. Ik hoor graag van je.”
Hierop heeft Zemouri – kort samengevat – per sms laten weten dat de uitleg van Dijke niet juist was, dat een interview geen zin had en dat de eis tot rectificatie gehandhaafd bleef.

Op 26 juni 2017 heeft Dijke Zemouri voor verder contact doorverwezen naar Rietveld. Naar aanleiding van dat contact heeft Rietveld diezelfde dag aan Zemouri het volgende bericht:
“Na overleg met onze hoofdredactie hebben wij de tekst van het door u gewraakte artikel onder de kop ‘Bestuur Haanstraschool komt niet met noodlokaal’ dat zaterdag 24 juni in het Leidsch Dagblad stond, aangepast op de website. Een kopie van het aangepaste artikel voeg ik hierbij. Hiermee, en met de publicatie van onze krant onder de kop ‘Er-Risèlèh: Haanstra is welkom’ menen wij de in het artikel van zaterdag gewekte suggestie inmiddels voldoende te hebben rechtgezet en is een rectificatie onzes inziens niet meer nodig. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”

De op de website aangepaste passage (de vierde alinea van het artikel) luidt inmiddels:
“Het was de eerste en meteen de laatste ‘wekelijkse’ nieuwsbrief over de dependance aan de Stadhouderslaan. Inmiddels is duidelijk dat het bestuur van de islamitische school helemaal niet ’de wens heeft om te verhuizen naar Leiden Zuidwest’, zoals wethouder Paul Dirkse (D66) in november vorig jaar nog verkondigde. De Haanstraschool heeft het gevoel dat Er-Risèlèh het gebouw ook liever niet wil delen, omdat de islamitische basisschool een scheidingswand in het gebouw wil en niet is ingegaan op voorstellen voor onder meer het samen vieren van feesten. Volgens een woordvoerster van Er-Risèlèh is de Haanstraschool wel gewoon welkom in het gebouw aan de Stadhouderslaan.”

Verder is op 26 juni 2017 in het Leidsch Dagblad een artikel van Dijke verschenen met de kop “Er-Risèlèh: Haanstra is welkom”. Dit artikel luidt verder:
“,,De Haanstraschool is welkom bij Er-Risèlèh”, aldus een woordvoerster van de islamitische basisschool aan de Stadhouderslaan. In reactie op het artikel in de krant van afgelopen zaterdag hecht zij eraan te melden dat de school nooit gezegd heeft dat de Haanstra niet welkom is.
De Haanstraschool heeft dat gevoel wel, omdat Er-Risèlèh niet is ingegaan op de samenwerkingsvoorstellen voor onder meer het samen vieren van feesten, en omdat Er-Risèlèh een scheiding in het gebouw wil. Er-Risèlèh wekte bovendien die indruk door de nieuwe huisgenoten pas een sleutel te willen geven als de afscheidende deuren in het pand zijn aangebracht.
De twee scholen willen zich er allebei blijvend vestigen. De gemeente sprak mondeling met de Haanstra af dat die op termijn het volledige gebouw mag gebruiken, omdat Er-Risèlèh naar Zuidwest zou verhuizen. Er-Risèlèh heeft vanaf het begin aangegeven dat deze verhuisafspraak niet klopt en spreekt daarom van een ‘tijdelijke samenwerking’. Vanwege de onduidelijkheid heeft de Haanstra de dependance op de lange baan geschoven. Ouders zijn daar boos over.”

Diezelfde dag heeft Zemouri ten slotte het volgende aan Rietveld geschreven:
“Via deze weg laat ik u weten dat het bestuur van Er-Risèlèh nog steeds achter een rectificatie staat. De door u gedane aanpassingen zijn onvoldoende aangezien het artikel momenteel niet direct via de voorpagina van uw site te zien is en uw lezers niet door u op de hoogte worden gesteld van de door u gemaakte fout. Daarnaast erkent u niet met de eerder geschreven foutieve zin suggestief te zijn geweest. Tevens wordt met een nieuw artikel de suggestie gewekt dat Er-Risèlèh terugkomt van de door u verzonnen standpunt: van niet welkom naar welkom. Ik zie de rectificatie graag voor morgen op de voorpagina van uw website. Wanneer deze er niet staat, verzend ik de inmiddels reeds opgemaakte klachtbrief morgenochtend vroeg naar de Raad voor de Journalistiek.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster voert aan dat het oorspronkelijke artikel van 23 juni informatie over haar bevat die pertinent onjuist is. Zij maakt bezwaar tegen de zinsnede dat ‘inmiddels duidelijk is dat het bestuur van de islamitische school het gebouw liever niet wil delen’. Volgens klaagster heeft Zemouri herhaaldelijk – in voorgesprekken met de krant – gezegd dat de Haanstraschool wél welkom was, mits er goede afspraken zouden worden gemaakt, en dat de samenwerking met die school een tijdelijke samenwerking betrof. Ook het bestuur van klaagster is hier altijd open en eerlijk over geweest naar de pers, de gemeente en de Haanstraschool.
Na de publicatie heeft Zemouri aan Dijke meegedeeld dat het geven van nog een interview geen zin had; het bestuur van klaagster had niets toe te voegen aan de eerder gegeven toelichtingen en vanwege het ingenomen standpunt van de krant was het vertrouwen tussen partijen geschonden. Omdat Zemouri daarop geen antwoord van Dijke meer ontving en het artikel de volgende dag niet was aangepast/gerectificeerd, nam zij maandagochtend 26 juni opnieuw contact op met Dijke. Zij bleek plots niet meer bereid om te rectificeren en deelde zelfs mee dat de geschreven informatie niet onjuist was. Bovendien liet Dijke weten dat ze niet meer verantwoordelijk was voor het artikel, ondanks haar portefeuille onderwijs en het dossier dat ze over de samenwerking tussen klaagster en de Haanstraschool heeft opgebouwd. Vervolgens nam Zemouri contact op met Rietveld, die aannames voorschotelde als feiten. Zemouri wees Rietveld erop dat zij tijdens eerdere gesprekken met Dijke alle juiste informatie had gegeven en dat een goede journalist voorwerk moet verrichten voordat hij een artikel schrijft. Ook heeft zij herhaald dat onlangs pas een vergunning is afgegeven voor een afscheidingsmuur en dat de sleutel pas wordt afgegeven wanneer die afscheidingsmuur er staat. De reden hiervoor is dat het pand eigendom is van klaagster en de school daarin waardevolle spullen heeft liggen, waarover geen controle is als de sleutel aan een tweede partij wordt gegeven. Dit zegt niets over het al dan niet willen samenwerken, maar meer over het maken van goede afspraken voor die samenwerking. Daarvoor is bereidheid van beide partijen nodig en eerder is aan Dijke meegedeeld dat die bereidheid vanuit de Haanstraschool te wensen overlaat. Klaagster wijst erop dat alle informatie die zij aan de betrokken partijen heeft verstrekt, is te staven met documenten.
Volgens klaagster onderbouwt haar uitleg dat de door haar bestreden zinsnede suggestief is en onjuist. Rietveld nam echter niets aan van Zemouri en bleef bij zijn standpunt dat zijn artikel feitelijk juist is. Aan het einde van het gesprek deelde hij mee dat hij zou overleggen met de dienstdoende chef en uiteindelijk is de gewraakte zin na overleg met de hoofdredacteur op 26 juni aangepast. Bovendien is die dag nog een artikel van Dijke geplaatst. Klaagster vindt de
door de krant gedane aanpassingen echter onvoldoende. Het artikel heeft drie dagen lang bovenaan op de website van de krant gestaan, terwijl het nu niet meer direct via de voorpagina van de website is te zien. De lezers zijn niet op de hoogte gesteld van de gemaakte fout en de krant heeft niet erkend dat de eerder geschreven foutieve zin suggestief is geweest. Verder wordt met het artikel van 26 juni van de hand van Dijke de onjuiste suggestie gewekt dat klaagster terugkomt van het door de journalist verzonnen standpunt: van niet welkom naar welkom.
Op de zitting voegt Boudil hieraan nog toe dat de school een jaar geleden is overgenomen door klaagster en dat het voor haar een uitdaging is om te zorgen voor een juiste beeldvorming. Klaagster moet zich constant verantwoorden en had de hoop dat naar aanleiding van alle gesprekken met Dijke de publiciteit genuanceerder zou worden, waarmee (verdere) negatieve beeldvorming kon worden tegengegaan. Het gaat hier om een maatschappelijk probleem, dat ook behoort tot de verantwoordelijkheid van de krant. De school ondervindt ook daadwerkelijk de gevolgen van negatieve publiciteit. Zo is onlangs op het hek van de school een briefje geplaatst met de tekst “alle islamitische scholen moeten weg”. Voor klaagster was met de publicatie van 24 juni 2017 de grens bereikt.

Het Leidsch Dagblad stelt allereerst dat de klacht ten onrechte mede is gericht tegen Dijke. Zij is weliswaar de onderwijsspecialist van de krant, maar niet de auteur van het artikel van 23/24 juni 2017. Volgens de krant moet klaagster op dit punt in haar klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verder voert de krant aan dat zij ongewild partij lijkt te zijn geworden in een (juridische) strijd om het gebruik van een schoolgebouw, die twee onderwijsinstellingen met elkaar en de gemeente Leiden voeren. De krant doet al vanaf november 2016 verslag van deze discussie.
Volgens de krant is de door klaagster bestreden zin ‘inmiddels duidelijk is dat het bestuur van de islamitische school het gebouw liever niet wil delen’ niet onjuist. De door Rietveld gekozen formulering is niet absoluut en laat ruimte voor nuance. Bovendien is er voldoende aanleiding om te stellen dat klaagster de beschikking over het schoolgebouw wil houden. Dit blijkt onder meer uit de notulen van de ouderbijeenkomst van 14 december 2016, waarin de algemeen directeur van klaagster stelt: “De Haanstraschool heeft voorgesteld dat ze onze school wel willen delen, mits we er over een jaar uitgaan. Zolang er geen betere opties zijn dan ons huidige gebouw gaan we er niet uit. Ze geven ons het gevoel dat we als islamitische school uit onze eigen gebouw worden geduwd door een witte eliteschool.” De Haanstraschool heeft via de website van klaagster kennisgenomen van de notulen en heeft op 16 juni 2017 haar beklag gedaan over de gebrekkige medewerking die zij van klaagster ontvangt in een artikel van Dijke met de kop “Haanstra vraagt daadkracht”. In dit artikel zijn ook de argumenten van klaagster opgenomen om de Haanstraschool (nog) geen sleutel ter beschikking te stellen. De zegslieden van beide scholen zijn in deze publicatie aan het woord gekomen. Een en ander vormde een week later de basis voor de formulering van Rietveld dat klaagster het gebouw ‘liever niet wil delen’. Op de zitting voegt Van ’t Hek hieraan toe dat de opstelling van klaagster ten aanzien van het plaatsen van de scheidingswand en het verstrekken van de sleutel de Haanstraschool het gevoel heeft gegeven ‘niet echt welkom’ te zijn.
Nadat de bezwaren van klaagster op 24 juni aan de redactie zijn kenbaar gemaakt, is aangeboden om klaagsters kant van de zaak in een vervolgverhaal verder te verduidelijken. Klaagster heeft dat aanbod echter verworpen. Op de zitting voegt Kramp hieraan toe dat Dijke, die die dag vrij was, aanvankelijk dacht dat klaagster verkeerd was geciteerd en daarom rectificatie toezegde. Omdat van een verkeerd citaat geen sprake was, is die toezegging later ingetrokken. Diezelfde dag heeft de hoofdredactie afgewogen dat de gekozen formulering van Rietveld weliswaar gerechtvaardigd was, maar dat zij zich desondanks niet ongevoelig wilde tonen voor de argumenten van klaagster. Uit oogpunt van een zorgvuldige berichtgeving en om elk misverstand te voorkomen is besloten om in de krant van maandag 26 juni een artikel te plaatsen, waaruit duidelijk zou worden dat de Haanstraschool – volgens klaagster – wél welkom was in het pand. Bovendien is diezelfde dag het gewraakte artikel op de website aangepast, waarbij de bewuste passage (‘liever niet wil delen’) is geschrapt. Naar het oordeel van de hoofdredactie was de klacht hiermee correct afgehandeld en was er – nogmaals – geen aanleiding om te rectificeren. Dat is die dag aan klaagster meegedeeld.
De krant meent dat de berichtgeving zorgvuldig is geweest en dat steeds adequaat op de klacht is gereageerd. Op de zitting voegt Van ’t Hek hieraan nog toe dat de krant in dit onderwerp een neutrale positie inneemt en naar zijn mening niet nalatig is in de beeldvorming.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad constateert allereerst dat Dijke op diverse momenten is betrokken bij de berichtgeving over het geschil tussen klaagster en de Haanstraschool. Zo heeft zij op 16 juni 2017 nog over de kwestie bericht, hetgeen – aldus de krant – (mede) de basis vormde voor de door klaagster bestreden formulering van Rietveld dat zij het gebouw ‘liever niet wil delen’. Verder heeft Dijke een duidelijke rol gespeeld bij de afhandeling van de klacht; enerzijds door haar contact met Zemouri, anderzijds door het schrijven van het vervolgartikel dat op 26 juni 2017 is geplaatst. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht tegen Dijke.

Verder vindt de Raad dat met de zinsnede ‘inmiddels is duidelijk dat het bestuur van de islamitische school het gebouw liever niet wil delen’ feitelijk onjuist over de kwestie is bericht. De Raad meent dat de notulen van de ouderbijeenkomst noch hetgeen de krant verder heeft aangevoerd voldoende grondslag biedt voor deze, als feit gepresenteerde, passage.
In dit geval is verder relevant dat het hier een maatschappelijk gevoelig onderwerp betreft. In zo’n geval is bijzondere zorgvuldigheid geboden ten aanzien van de feiten waarop de berichtgeving wordt gebaseerd en de duiding daarvan. De journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat zijn berichtgeving nodeloos stigmatiserend en/of discriminatie bevorderend is.
Een en ander in aanmerking genomen vindt de Raad dat klaagster door de publicatie van de zinsnede in een onnodig negatief daglicht is geplaatst en dat aldus journalistiek onzorgvuldig is gehandeld.

De krant is dan ook terecht – zij het met andere afwegingen – overgegaan tot het rechtzetten van de berichtgeving. De vraag die nu voorligt is of de eerdere onzorgvuldigheid in voldoende mate is hersteld.
 
Volgens de Raad is dat gebeurd. In de spoedige vervolgpublicatie van 26 juni 2017 is ondubbelzinnig duidelijk gemaakt – zowel met de kop als in het artikel – dat de Haanstraschool bij klaagster welkom is en dat klaagster ook nooit een daar tegenovergestelde uitlating heeft gedaan. Bovendien is diezelfde dag de bewuste passage aangepast op de website van de krant. Hoewel het de redactie zou hebben gesierd als zij ruiterlijk had erkend een fout te hebben gemaakt of ten minste had uitgesproken dat zij de gang van zaken betreurt, heeft zij de klacht op een journalistiek passende wijze afgehandeld en daarmee uiteindelijk journalistiek zorgvuldig gehandeld.
 
Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en D.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2014/7

CONCLUSIE

J. Dijke, A. Rietveld en het Leidsch Dagblad hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 31 oktober 2017 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, ir. B.L. Hooghoudt, S. Kuijper en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.