2017/37 zorgvuldig

Samenvatting

M. Snik, G. van ’t Hek en het Noordhollands Dagblad hebben in het artikel “Onderzoek naar mishandeling” op journalistiek zorgvuldige wijze bericht over de zoon van klagers. Het bericht is gebaseerd op informatie afkomstig van een openbaar Facebook-bericht van de jongen. De jongen heeft uitdrukkelijk verzocht zijn bericht te delen. Als 16-jarige zal hij de gevolgen van zijn actie (in aanzienlijke mate) hebben kunnen inschatten. De krant heeft – na verificatie bij de politie – van het incident een kort nieuwsbericht gemaakt. Het is gezien de voorliggende Facebook-oproep niet journalistiek ontoelaatbaar dat daarbij tevens de naam van de jongen is vermeld. Verder bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de klachtafhandeling door Snik en Van ’t Hek onzorgvuldig is geweest.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Familie X

tegen

M. Snik, G. van ‘t Hek en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad

De familie X te […] heeft op 17 juli 2017 een klacht ingediend tegen de heer M. Snik, de heer G. van ’t Hek en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad (hierna samen: Noordhollands Dagblad). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken G. van ’t Hek, adjunct-hoofdredacteur, van 31 juli 2017.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 1 september 2017 in aanwezigheid van de heren Snik en Van ’t Hek. Klagers zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 12 juli 2017 is in het Noordhollands Dagblad, editie Helderse Courant, een artikel verschenen met de kop “Onderzoek naar mishandeling”. Daarin wordt bericht dat de minderjarige zoon van klagers op zaterdag 8 juli 2017 ernstig is mishandeld op de kermis, nadat hij de dag ervoor op de kermis zijn portemonnee was verloren, en dat hij over deze gebeurtenissen een bericht deelde op Facebook. In het artikel is de naam van klagers zoon vermeld.

Nadat klagers hun bezwaren over de publicatie aan de krant hebben voorgelegd, heeft Van ’t Hek op 15 juli 2017 gereageerd als volgt:
“Om met de belangrijkste vraag die ik na het lezen van uw mail heb, te beginnen: hoe is het nu met uw zoon [voornaam]? Als vader kan ik me indenken dat het afschuwelijk moet zijn om zoiets te ervaren. En eveneens dat het tijd zal vergen voor (met name) [voornaam], maar ook voor zijn omgeving om dit te kunnen verwerken.
In dat proces kwam het artikel dat wij vorige week hebben geplaatst bijzonder ongelegen maak ik uit uw mail op. Ook daar heb ik vanuit uw standpunt bekeken begrip voor.
Journalistiek hebben we ons, naar mijn overtuiging, weliswaar binnen de juiste kaders bewogen. In gewoon Nederlands: we mochten dit verhaal schrijven en publiceren. En het is allesbehalve ongebruikelijk om publiek toegankelijke social media als bron te gebruiken, juist vanwege het openbare karakter ervan. 
Voor zover ik heb kunnen reconstrueren - altijd lastig want ik was er niet persoonlijk bij - hebben de collega’s van de redactie in Den Helder inderdaad begrepen dat u niet wilde medewerken aan een interview. Alleen hebben zij die mededeling niet zo opgevat dat u uit dat contact opmaakte dat er van berichtgeving helemaal geen sprake zou zijn. Immers het Facebook-bericht over het gebeuren stond online en zorgde in de regio voor publieke beroering.
Met de kennis die ik na lezen van uw mail heb, kan ik me echter voorstellen dat we op persoonlijke gronden mogelijk een andere afweging gemaakt zouden hebben als we opnieuw voor de keuze óf en hoe dan te plaatsen zouden staan.
De gang van zaken is inmiddels stevig geëvalueerd met alle betrokkenen. En ik heb met een expliciete afspraak verzekerd dat het artikel niet alsnog online op onze website/app zal verschijnen. Dit laatste om, voor zover die nog mocht nog bestaan, onduidelijkheid dan wel onzekerheid op dit punt weg te nemen.
Terugdraaien kan ik de zaken niet, dat is in dit soms moeilijke vak, onmogelijk. Wel hoop ik dat ik met deze mail enige uitleg en inzicht heb kunnen geven over de totstandkoming van het artikel.
Laat ik deze mail tot slot besluiten met waar ik mee begon, het uitspreken van de hoop dat [voornaam] snel weer de oude is en dat u deze nare periode af kunt sluiten. Daarbij wens ik jullie veel kracht en sterkte toe.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers maken er bezwaar tegen dat de naam van hun 16-jarige zoon in het artikel is vermeld. Hierdoor voelen zij zich niet meer veilig. Bovendien wordt daarmee het onderzoek van de politie belemmerd. Klagers lichten toe dat zij op maandag 10 juli 2017 aangifte hebben gedaan bij de politie. In de tijd dat zij op het politiebureau waren, werden zij benaderd door twee journalisten – mevrouw Van Egmond en mevrouw De Boer – met de vraag of zij hun verhaal wilden delen met de krant. Zij hebben toen een bericht gestuurd naar mevrouw De Boer met de mededeling dat zij daaraan op aanraden van de politie niet wilden meewerken, omdat dit nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor het onderzoek en ook nadelig zou kunnen uitpakken voor hun zoon. Mevrouw De Boer vond dat spijtig, maar begreep het wel. Zij liet weten dat klagers contact met haar mochten opnemen, als zij alsnog hun verhaal wilden doen. Op verzoek van de politie hebben klagers die maandag in de namiddag alle berichten op social media verwijderd om rust te creëren. Klagers begrijpen niet waarom er niet naar hun verzoek is geluisterd en de krant toch over de zaak heeft bericht. Zij zijn erg bang voor de gevolgen daarvan.
Na de publicatie hebben klagers eerst telefonisch contact gehad met Snik met de vraag waarom het stuk was geplaatst. Snik antwoordde daarop dat de zoon van klagers zelf een bericht op Facebook had gezet en dat klagers hun zoon beter hadden moeten instrueren om dat niet te doen. Met die antwoorden kunnen klagers niets. Hun zoon heeft recht uit zijn hart zijn verhaal op Facebook gezet, waarin hij duidelijk maakt hoe de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, omdat hij Wild-West-verhalen wilde stoppen. In het gesprek met Snik hebben klagers ook gevraagd of het bericht van de website van de krant kon worden verwijderd. Volgens klagers antwoordde Snik toen dat zij dat niet mochten bepalen, maar dat hij dit verder zou overleggen. Pas later deelde mevrouw De Boer mee, dat het artikel niet op de website was gepubliceerd. Klagers begrijpen niet waarom Snik dat ter geruststelling niet gelijk heeft gezegd. Hierna hebben klagers nog via e-mail contact gehad met Van ’t Hek. Zij vinden zowel de reactie van Snik als die van Van ’t Hek respectloos. Ze hebben het gevoel gekregen dat zij zelf om publicatie hebben gevraagd en daarvoor toestemming hebben gegeven, maar dat is niet het geval. 

Het Noordhollands Dagblad stelt hier tegenover dat de redactie op dinsdag 11 juli 2017 op Facebook het bericht las van de zoon van klagers over zijn mishandeling op de kermis. Het bericht was openbaar en dus voor iedereen te lezen. De jongen heeft bovendien de lezers opgeroepen zijn bericht te delen. Gezien de nieuwswaarde en omdat de zoon van klager getuigen zoekt, besluit de redactie hierover te publiceren. De redactie heeft contact gezocht met de moeder van de jongen, met het verzoek tot een interview. De moeder wilde daaraan niet meewerken. De krant benadrukt in dit verband dat aan de moeder niet is gevraagd om toestemming voor publicatie. Het bericht van de mishandeling is verder bij de politie geverifieerd en bleek correct te zijn. Daarop werd besloten het bericht ‘sec’ te publiceren met als invalshoek het onderzoek door de politie naar de mishandeling. Dat daarbij de naam van de jongen is genoemd, past binnen de richtlijnen die de krant hanteert voor het vermelden van namen van slachtoffers. Op de zitting licht Van ’t Hek toe dat slachtoffers in beginsel niet worden geanonimiseerd, tenzij daarmee bijvoorbeeld ook de identiteit van de dader bekend wordt. Het gaat vaak om kleine gemeenschappen, waar iedereen weet om wie het gaat. Bovendien willen ze slachtoffers niet criminaliseren. Ze maken tal van uitzonderingen op het uitgangspunt, bijvoorbeeld bij zelfdoding, maar daarvoor was hier geen aanleiding.
In zijn contact met de moeder heeft Snik, chef van de redactie, uitgelegd dat het artikel is gebaseerd op voor iedereen toegankelijke informatie – de Facebookpagina was aanvankelijk niet afgeschermd – die is geverifieerd bij de politie. Zowel Snik als Van ’t Hek heeft vergeefs aan de moeder geprobeerd duidelijk te maken dat de intenties van de krant goed waren. Zij hebben volledig begrip getoond voor haar reactie en aangekondigd dat er intern over gesproken zou worden hoe in de toekomst met dergelijke gevallen moet worden omgegaan.
Overigens is uit respect voor het emotionele verzoek van de moeder besloten het artikel niet alsnog op internet te zetten, wat doorgaans wel gebeurt.
Op de zitting voegt Snik hieraan nog toe dat onder het Facebookbericht van de jongen veel reacties waren geplaatst en dat er een flinke discussie over de kwestie gaande was. Volgens hem is het bericht pas van Facebook verwijderd ná de publicatie van het artikel in de krant. Hij herkent zich niet in het verwijt van de familie dat hij de moeder respectloos te woord zou hebben gestaan. Het was een kort gesprek, van ongeveer anderhalf-twee minuten, waarin de moeder vooral erg boos en geëmotioneerd was. Van ’t Hek voegt hieraan nog toe dat het beleid van de krant is dat zij Facebook alleen als bron gebruiken, als het gaat om volledig openbare berichten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws en geen voorafgaande toestemming nodig heeft van degene over wie hij publiceert. Dit neemt echter niet weg dat een journalist steeds een afweging moet maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie zouden kunnen worden geschaad. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden.
Verder geldt dat een journalist mag putten uit een openbare bron, zoals een voor iedereen toegankelijk – en dus niet slechts voor een beperkte groep zichtbaar – Facebook-bericht. Indien het een Facebook-bericht van een minderjarige betreft, dient de journalist wel prudent te zijn bij het overnemen van de openbaar gemaakte informatie.

Het stond de krant vrij om op basis van de door de zoon van klagers openbaar gemaakte informatie over de kwestie te berichten, ondanks dat klagers te kennen hadden gegeven dat zij niet aan de publicatie wilden meewerken. Bij de beoordeling van de vraag of de krant dit op een journalistiek zorgvuldige wijze heeft gedaan, spelen diverse factoren – zoals de leeftijd van de minderjarige en de aard van het bericht – een rol.

In dit geval is ook relevant dat de zoon van klagers uitdrukkelijk heeft verzocht zijn Facebook-bericht te delen. In het Facebook-bericht staan twee kopjes “Voor de mensen die willen weten wat er nu precies gebeurd is” en “Graag delen”. Als 16-jarige zal hij de gevolgen van zijn actie (in aanzienlijke mate) hebben kunnen inschatten. De krant heeft – na verificatie bij de politie – de informatie in een zakelijk bericht samengevat. Onder deze omstandigheden acht de Raad het niet journalistiek ontoelaatbaar dat daarbij tevens de naam van de jongen is vermeld.
Dat de zoon van klagers zijn Facebook-bericht op advies van de politie heeft verwijderd, maakt dit niet anders. Daarbij laat de Raad overigens in het midden wanneer die verwijdering heeft plaatsgevonden, nu partijen elkaar op dat punt tegenspreken.

Verder bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat Snik onzorgvuldig heeft gehandeld bij de afhandeling van de klacht. Daarbij overweegt de Raad dat hij niet kan vaststellen wat precies is gezegd in het telefoongesprek tussen Snik en de moeder van de jongen.
Anders dan klagers vindt de Raad het e-mailbericht van Van ’t Hek aan de moeder getuigen van een groot inlevingsvermogen. Dat klagers zich niet in die reactie kunnen vinden, is onvoldoende voor het oordeel dat de klachtafhandeling door Van ’t Hek onzorgvuldig is geweest.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en C.1
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2017/21

CONCLUSIE

M. Snik, G. van ’t Hek en het Noordhollands Dagblad hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 30 oktober 2017 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, ir. B.L. Hooghoudt, S. Kuijper en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.