2017/28 onzorgvuldig

Samenvatting

B. Nielsen en Dagblad van het Noorden hebben in de artikelen “Diette Doesburg moet betalen” en “In drie jaar tijd miljoenen aan schuld” op journalistiek onzorgvuldige wijze over D. Doesburg-Maas (klaagster) bericht. De berichtgeving bevat diverse aantijgingen aan klaagsters adres, waardoor zij ernstig is gediskwalificeerd. In de berichtgeving is niet louter verslag gedaan van een rechterlijke uitspraak, zodat Nielsen gehouden was wederhoor toe te passen. Niet kan worden vastgesteld op welke aantijgingen klaagster voorafgaand aan de publicatie heeft kunnen reageren. Duidelijk is dat enkel in het vervolgartikel is opgenomen dat klaagster zich niet neerlegt bij het arrest van de Hoge Raad. Als aan klaagster al op meer punten om een reactie is gevraagd, dan moet worden geconstateerd dat haar reactie ter zake niet is weergegeven en dat het eventuele wederhoor dus niet adequaat in de publicatie is verwerkt. Hierdoor is een te eenzijdig beeld van de kwestie geschetst. De Raad doet de aanbeveling aan Dagblad van het Noorden deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

D. Doesburg-Maas

tegen

B. Nielsen en de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden

Mevrouw D. Doesburg-Maas te Groningen (klaagster) heeft op 30 maart 2017 een klacht ingediend tegen de heer B. Nielsen en de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klaagster en van de heer P. Sijpersma, hoofdredacteur, betrokken van 4 en 25 april 2017 en van 19 en 29 mei 2017.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 9 juni 2017 in aanwezigheid van klaagster, vergezeld door de heer G. Brand. Zij heeft haar klacht toegelicht aan de hand van een notitie. De heer Nielsen en de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden zijn daar niet verschenen.

FEITEN

Op 28 januari 2017 verscheen in Dagblad van het Noorden een artikel van de hand van Nielsen met de kop “Diette Doesburg moet betalen”, waarvan de tekst luidt:
 “Voormalig werfbazin Diette Doesburg-Maas moet uit haar eigen portemonnee zeker 7 miljoen euro terugbetalen aan de failliete boedel van Maas Shipyards Waterhuizen.
Diette Doesburg is na tal van procedures persoonlijk aansprakelijk gesteld. Ze moet het boedeltekort voor 100 procent terugbetalen, zo heeft de Hoge Raad recent vastgesteld. Dat boedeltekort is door de curatoren op 7 miljoen euro vastgesteld, zo blijkt uit het faillissementsverslag.
,,We hebben mevrouw Doesburg uitgenodigd om ons een voorstel te doen om hier gezamenlijk uit te komen”, zegt curator Wim Entzinger, die vindt dat ze moet betalen. Er is voor haar geen enkele beroepsmogelijkheid meer.
Het boedeltekort is het bedrag dat overblijft als alle schulden en vorderingen tegen elkaar zijn weggestreept. Het faillissement van Maas Shipyards Waterhuizen werd op 15 maart 2005 uitgesproken. De rechtbank in Groningen veroordeelde Doesburg en een aantal door haar beheerde vennootschappen tot betaling van een bedrag van afgerond 4,8 miljoen euro. Dat was 80 procent van het toenmalige (tussentijdse) boedeltekort van 6 miljoen euro. Ze vocht die uitspraak aan, waarna de curatoren besloten 100 procent te vorderen.”

Het artikel is verderop in de krant vervolgd onder de kop “In drie jaar tijd miljoenen aan schuld”. De intro van dit vervolgartikel luidt:
“Even terug in de tijd. Diette Doesburg-Maas haalde vijftien jaar geleden veelvuldig de krantenkolommen toen ze werfbazin werd, maar ook toen ze drie jaar later onderuitging. Nu moet ze persoonlijk het volle pond afbetalen.”
Verder bevat het vervolgartikel onder meer de volgende passages:
“Diette Doesburg-Maas werd begin 2002 eigenaar van de failliete werf Van Diepen in Waterhuizen aan het Winschoterdiep en dik drie jaar later, op 15 maart 2005, ging de werf onder haar leiding opnieuw failliet. In die tijd had ze voor vele miljoenen schulden gemaakt.
Curator Wim Entzinger zei toen: ,,Een bestuurder dient zich aan een serie verplichtingen te houden, als ordentelijk boekhouden en publiceren.” Hij schatte dat de privépersoon Doesburg-Maas kon worden aangesproken, mochten schuldeisers kunnen aantonen dat ze schade hebben geleden door afwezigheid of ontbreken van cijfers.
En dat is gebeurd. Ze is persoonlijk aansprakelijk gesteld, omdat ze als bestuurder van Maas Shipyard de boekhoudplicht onvoldoende heeft vervuld en bovendien jaarrekeningen te laat heeft gedeponeerd. Leveranciers zijn op het verkeerde been gezet door onjuiste of gebrekkige informatie, waardoor ze gedupeerd zijn.
De carrière van Diette Doesburg als werfbazin was kortstondig en verre van succesvol. (...) Er ontstond in die jaren een beeld van een onderneemster die vaak ruziemaakte. Zelfs bij haar huisbank ING ging ze er met gestrekt been in. Ze kreeg in die tijd regelmatig het advies eens wat minder de confrontatie te zoeken.”
en
“De curatoren Wim Entzinger en Peter Fousert verwijten en verweten haar een ‘onbehoorlijke taakvervulling’ en ze achtten haar ‘aansprakelijk voor de failliete bv’. Entzinger: ,,De bestuurder, in dit geval mevrouw Doesburg, mocht onze vermoedens weerleggen. Maar ze heeft niet aannemelijk kunnen maken dat er andere oorzaken waren dan onbehoorlijke taakvervulling.
Diette Doesburg-Maas was al eens veroordeeld tot het betalen van 80 procent van het boedeltekort, maar ze legde zich er niet bij neer. Een beroepszaak verder is het nu 100 procent geworden. Maar of ze nu het volle pond van 7 miljoen euro moet betalen of 5,5 miljoen (80 procent): het blijft een immens bedrag. En Doesburg laat weten dat ze zich er niet bij neerlegt. ,,De rekening is nog niet opgemaakt”, zegt ze, hoewel ze geen mogelijkheden meer heeft voor hoger beroep.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt zich op het standpunt dat de berichtgeving een groot aantal onjuistheden bevat. Zo gaat het niet om haar faillissement, maar om dat van Maas Shipyard Waterhuizen B.V. Daarvan is niet zij, maar MOG B.V. bestuurder. Klaagster ontkent overigens niet dat de bestuurs-aansprakelijkheid van MOG B.V. vaststaat. Als deze vennootschap niet kan betalen, komen D. Maas Beheer B.V. en klaagster aan de orde. Verder is de bestuurder alleen veroordeeld voor het schenden van de publicatieplicht. Het jaarrapport is eind 2004 tijdig ingediend en nog eens begin 2005. Volgens klaagster is in geen enkel vonnis of arrest een definitief bedrag genoemd, maar is vooralsnog sprake van een begroting. Zij wijst erop dat een faillissementsverslag geen andere waarde heeft dan een verantwoording van de curatoren aan de rechter-commissaris. Van een definitieve en formele status is dan ook geen sprake. De afrekening moet nog worden opgemaakt en dan moet zowel worden gekeken naar de debet- als de creditzijde. Nielsen heeft zich op een oud faillissementsverslag beroepen en bovendien ten onrechte geen melding gemaakt van een positieve bankrekening van ruim twee miljoen euro, de debiteurenpositie van ruim drie miljoen euro en de nog te innen huurpenningen van ongeveer 800.000 euro, aldus klaagster. Het zijn overigens de curatoren die zijn gaan procederen en – nadat zij in 2008 op het punt ‘Boekhoudplicht’ hadden verloren – in hoger beroep zijn gegaan.
In de negen jaar daarna hebben de curatoren van alles geprobeerd om aan te tonen dat de boekhouding niet in orde zou zijn, maar dat hebben zij nooit kunnen bewijzen. Volgens klaagster kan zij juist de curatoren aanspreken, hetgeen ten onrechte niet in het artikel is vermeld. Ter onderbouwing van haar standpunt licht klaagster uitvoerig de achtergrond van de kwestie toe en verwijst zij naar de diverse gerechtelijke uitspraken.
Daarnaast voert klaagster aan dat onvoldoende wederhoor is toegepast. Zij heeft de indruk dat Nielsen haar eind 2016 slechts ‘voor de bühne’ heeft gebeld. Na dat gesprek heeft zij per e-mail haar reactie met onderbouwing aan de krant gestuurd. Daarbij heeft zij erop gewezen dat Nielsen geen bedragen zou moeten noemen die niet zijn onderbouwd, tot het moment dat onomstotelijk vaststaat om welke bedragen het gaat. Daarna heeft klaagster nog stukken bezorgd op de redactie, waaruit blijkt dat diverse nota’s terecht worden betwist. Met de door haar verstrekte informatie is echter niets gedaan.
Klaagster concludeert dat sprake is van eenzijdige berichtgeving, die bovendien onjuist en tendentieus is. Op de zitting deelt zij desgevraagd mee dat zij vooral bezwaar heeft tegen de kop “Diette Doesburg moet betalen” en dat zij zich erg gegriefd voelt door het onjuiste beeld dat over haar is geschetst, als zou zij vaak ruziemaken en weinig succesvol zijn.

Nielsen en de krant stellen daar tegenover dat de basis van de berichtgeving niet meer betreft dan het vrijkomen van formele gerechtelijke vonnissen inzake een faillissement. Klaagster heeft meer dan tien jaar geprocedeerd tegen de curatoren en in november 2016 heeft de Hoge Raad uiteindelijk het principale cassatieberoep verworpen. Daarmee is de zaak afgedaan en staat de aansprakelijkheid van de bestuurders van Maas Shipyard Waterhuizen B.V. (klaagster) vast. Ook bij het arrest van de Hoge Raad zegt klaagster nog dat er niets van klopt. Zij trekt de rechtspraak in twijfel en daarmee ook de journalistiek als die daarover bericht.
Volgens Nielsen en de krant was het toepassen van wederhoor in dit geval niet nodig, omdat sprake is van berichtgeving over een rechtszaak. Gezien de lange geschiedenis die de krant met klaagster heeft, geldt echter ter redactie de regel dat in alle gevallen wederhoor wordt gepleegd wanneer zij in de kolommen zal figureren. Aan die regel heeft Nielsen zich ook deze keer gehouden. Zelfs nu, na het vrijkomen van een faillissementsverslag dat een definitieve en formele status heeft en dat puur als feit gemeld had kunnen worden, is klaagster in de gelegenheid gesteld te reageren. Haar reactie is in het artikel verwerkt met de vermelding dat zij zich niet neerlegt bij het arrest vonnis. De citaten die door Nielsen ter illustratie waren toegevoegd, zijn door de eindredactie geschrapt, aangezien zij weliswaar voor enige kleuring zorgden maar inhoudelijk niet van waarde waren en aan de feiten niets veranderden. In feite was een weerwoord overbodig, nadat alle beroepen en cassaties waren afgehandeld en nadat het eindvonnis was uitgesproken; op de daarin vermelde feiten viel niets af te dingen. Toch heeft klaagster de kans gekregen te reageren, waarbij zij zonder aarzelen terugkwam op het vonnis. Deze stap noodzaakte de krant de curatoren de kans op weerwoord te bieden. Overigens betekende het toepassen van wederhoor niet dat alles wat klaagster te berde bracht ook daadwerkelijk in het verhaal zou worden verwerkt. Dat is haar in het betreffende gesprek ook duidelijk gemaakt.
Verder betwisten Nielsen en de krant dat de artikelen onjuistheden bevatten. Zij hebben zich gebaseerd op feitelijke bronnen en eerder gepubliceerde – niet weerlegde – verhalen. De berichtgeving heeft specifiek betrekking op het voorlaatste financiële verslag van 4 oktober 2016, waarin duidelijk wordt dat klaagsters laatste mogelijkheid tot beroep wordt afgewezen. Daarmee staat vast dat zij moet betalen. De financiële verslagen zijn op internet te raadplegen en de door de redactie gemaakte rekensom is voorgelegd aan de curator. Verder komt klaagster terug op zaken die ruim tien jaar geleden hebben gespeeld. Nielsen heeft voor deze zaken geput uit artikelen die hij indertijd heeft geschreven, die klaagster onmogelijk kunnen zijn ontgaan en waartegen zij nimmer heeft geprotesteerd. De klachten die zij daar nu over heeft zijn verjaard en niet ontvankelijk.
Samenvattend komen Nielsen en de krant tot de conclusie dat zij zorgvuldig hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat hij niet kan vaststellen of de berichtgeving al dan niet feitelijke onjuistheden bevat. De materie is hiervoor te complex, terwijl de standpunten van de partijen ter zake lijnrecht tegenover elkaar staan. De Raad doet in dat verband geen zelfstandig feitenonderzoek, zoals in een gerechtelijke procedure het geval is. 
De Raad constateert echter dat de berichtgeving serieuze beschuldigingen aan het adres van klaagster bevat, te weten dat zij als bestuurder de boekhoudplicht onvoldoende heeft vervuld en jaarrekeningen te laat heeft gedeponeerd. Verder is vermeld dat klaagsters carrière ‘kortstondig en verre van succesvol’ was en dat een beeld zou zijn ontstaan van ‘een onderneemster die vaak ruziemaakte’. Door deze aantijgingen is klaagster ernstig gediskwalificeerd.

Verder is in de berichtgeving niet louter verslag gedaan van een rechterlijke uitspraak. Daarin is tevens informatie over klaagster en haar ondernemingen verwerkt, die Nielsen in de afgelopen jaren heeft verkregen. Bovendien behelst het artikel feiten en meningen, waartussen niet steeds een voor de lezer duidelijk onderscheid is gemaakt. Dit brengt mee dat Nielsen gehouden was wederhoor toe te passen.
Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat een journalist die beweringen put uit artikelen of opnamen uit het archief, zich dient te houden aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij het publiceren van beschuldigingen. Hij mag er niet van uitgaan dat de eerder gepubliceerde uitlatingen van derden het karakter van onbetwiste feiten hebben aangenomen doordat zij niet door de beschuldigde zijn weersproken.

De Raad kan niet vaststellen op welke aantijgingen klaagster voorafgaand aan de publicatie heeft kunnen reageren. Dit valt onvoldoende op te maken uit de schriftelijke reactie van Nielsen en de krant, en omdat zij niet op de zitting zijn verschenen heeft de Raad het hen niet kunnen vragen. Duidelijk is dat enkel in het vervolgartikel – enkele pagina’s verderop in de krant – is opgenomen dat klaagster zich niet neerlegt bij het arrest van de Hoge Raad. Als aan klaagster al op meer punten om een reactie is gevraagd, dan is haar reactie ter zake niet in de berichtgeving weergegeven en is het eventuele wederhoor dus niet adequaat in de publicatie verwerkt. Hierdoor is een te eenzijdig beeld van de kwestie geschetst.

Een en ander leidt tot de conclusie dat Nielsen en Dagblad van het Noorden journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2016/40, RvdJ 2014/17, RvdJ 2012/18 en RvdJ 2010/54

CONCLUSIE

Nielsen en Dagblad van het Noorden hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

De Raad doet de aanbeveling aan Dagblad van het Noorden om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 21 augustus 2017 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, dr. H.J. Evers, mw. J.R. van Ooijen en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.