2017/26 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht tegen Peter R. de Vries, Strix Television B.V. en RTL Nederland B.V. (Internetpesters Aangepakt) (RvdJ 2017/12). Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 12 april 2017 (RvdJ 2017/12) betreffende zijn klacht

tegen

Peter R. de Vries, Strix Television B.V. en RTL Nederland B.V. (Internetpesters Aangepakt)

De heer X te […] (verzoeker) heeft op 21 april 2017 verzocht om herziening van de conclusie van 12 april 2017 inzake zijn klacht tegen Peter R. de Vries, Strix Television B.V. en RTL Nederland B.V. (Internetpesters Aangepakt). Vervolgens heeft verzoeker nog diverse e-mails aan de Raad gestuurd ter onderbouwing van zijn verzoek. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van Strix Television B.V. van 22 mei 2017 betrokken.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 9 juni 2017 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich voorafgaand aan de zitting verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

Mevrouw mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, heeft op 24 oktober 2016 namens verzoeker een klacht ingediend tegen Peter R. de Vries, Strix Television B.V. en RTL Nederland B.V. (hierna: De Vries, Strix Television en RTL) over een uitzending van het televisieprogramma Internetpesters Aangepakt waarin aandacht is besteed aan klager.

De Raad heeft in zijn conclusie van 12 april 2017 beslist dat klager zijn klacht niet op de juiste wijze heeft ingediend. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“Met de ingang van de nieuwe werkwijze van de Raad per 1 november 2013 fungeren media als eerste lijn in de afhandeling van klachten. In artikel 2a lid 1a van het Reglement is bepaald dat een klager, voordat hij zich tot de Raad kan wenden, zijn bezwaren eerst moet voorleggen aan het medium. Achtergrond van deze bepaling is dat – in het kader van een goede zelfregulering door de media – uitgangspunt verdient te zijn dat partijen eerst samen overleg voeren om te bezien of zij tot een minnelijke oplossing van het probleem kunnen komen.
Volgens het reglement dient een klager zich binnen drie maanden na de publicatie tot het betrokken medium te wenden en heeft het medium vervolgens (maximaal) één maand de gelegenheid de klacht af te handelen. Als het medium de klacht niet naar tevredenheid heeft opgelost of niet heeft gereageerd, dan kan de klager vervolgens een klacht bij de Raad indienen.
In zijn brief van 20 juni 2016 heeft mr. Y gesteld dat klager meende dat hij eenvoudig identificeerbaar is geweest en dat sprake is geweest van het welbewust presenteren van onjuiste feiten. Hiermee waren de bezwaren van klager voldoende geconcretiseerd.
Echter, de uitlating in voormelde brief dat mr. Y de klacht van klager vooralsnog serieus nam en kennis wilde nemen van de desbetreffende uitzendingen ‘voordat hij kon overgaan tot het formuleren en motiveren van eventuele klachten en bezwaren’ volgt dat hij die bezwaren kennelijk (nog) niet wilde overnemen.
Strix Television c.s. kon en mocht deze uitlating opvatten in de zin dat zij aan mr. Y de twee uitzendingen op een dvd moest doen toekomen zodat deze zich er over kon beraden of een klacht zou worden ingediend. Strix Television c.s. behoefde dan ook niet meer te doen dan het toezenden van de gevraagde dvd’s. 
Het had vervolgens op de weg van mr. Y gelegen om ná de ontvangst en kennisneming van de uitzendingen aan Strix Television c.s. kenbaar te maken welke klachten hij namens klager wenste in te dienen.
Aangezien mr. Y dit heeft nagelaten komt de Raad tot de conclusie dat klager zijn klacht niet op de juiste wijze aan het medium heeft voorgelegd. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat klager door een professionele adviseur werd vertegenwoordigd. Dat diens handelwijze voor klager nadelig uitpakt, zal voor rekening van klager moeten komen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker voert – kort samengevat – aan dat de Raad ten onrechte heeft beslist dat hij zijn klacht niet op de juiste wijze heeft ingediend. De Raad vindt dat zijn voormalig advocaat onvoldoende stappen heeft ondernomen om de klachten duidelijk te maken aan De Vries, Strix Television en RTL. Maar verzoeker heeft zelf alle stukken aan De Vries gestuurd waaruit bleek dat de zaak anders lag dan deze veronderstelde. Met de wetenschap dat De Vries, Strix en RTL die bewijzen al hadden, was het daarom afdoende dat zijn voormalig advocaat kenbaar maakte dat hij bezwaar had tegen de onjuistheden die werden uitgezonden en tegen het feit dat hij herkenbaar in beeld was gebracht. Bovendien had hij bij het bezoek van De Vries en diens medewerkster aan zijn woning al zijn bezwaren duidelijk gemaakt. Zijn voormalig advocaat zou slechts in herhaling vervallen. Dat Strix Television vervolgens een dvd van het programma stuurde als antwoord op de brief van zijn voormalig advocaat, vindt verzoeker niet voldoende. Verzoeker meent dat het op de weg lag van De Vries c.s. om met hem en/of zijn advocaat in contact te treden voor een minnelijke schikking. Zijn klacht was immers bekend en er was geen nieuw (bewijs)materiaal dat De Vries c.s. eerst hadden moeten krijgen, voordat zij inhoudelijk op de klacht hadden kunnen reageren.

Strix Television voert, mede namens De Vries en RTL Nederland, aan dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Raad bij zijn conclusie ten onrechte van bepaalde feiten of omstandigheden is uitgegaan. Alle ter zake doende feiten waren tijdens de behandeling van de zaak bekend. Verzoeker voert geen relevante nieuwe feiten aan, maar wil eigenlijk gewoon ‘in beroep’ tegen de hem onwelgevallige uitspraak. Dat kan echter niet, omdat het Reglement van de Raad daarin niet voorziet.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Verzoeker heeft uitvoerig uiteengezet hoe de contacten tussen hem en/of zijn toenmalig advocaat enerzijds en De Vries c.s. anderzijds zijn verlopen, maar heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

Verder bevat het verzoekschrift (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening alleen op grond van (aanvullende) stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Voor een herziening alleen op grond van een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoeker het niet eens is met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2016/31
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 3 augustus 2017 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. J.R. van Ooijen en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.