2017/23 zorgvuldig

Samenvatting

Dagblad van het Noorden heeft niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door onder het opiniestuk “Piet niet, Klaas wel?” van de heer P.A. Waterdrinker (klager) aan zijn ondertekening toe te voegen ‘voorzitter a.i. Atheïstisch Verbond’. Gezien de inhoud van het stuk – waarin klager ook de rol van de kerk bekritiseerde – was die toevoeging journalistiek relevant. Het had op de weg van klager gelegen om bij de inzending van zijn stuk uitdrukkelijk te vermelden dat hij dit op persoonlijke titel deed. Voor een rectificatie bestond geen aanleiding. Niettemin heeft de krant in een vervolgbericht op toelaatbare wijze aan de lezers duidelijk gemaakt dat klager zijn opiniestuk op persoonlijke titel had geschreven. Verder bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat in de communicatie met klager onzorgvuldig is gehandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P.A. Waterdrinker

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden

De heer P.A. Waterdrinker te Winsum (klager) heeft op 7 februari 2017 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klager en van de heer P. Sijpersma, hoofdredacteur, betrokken van 9 maart 2017 en 24 april 2017.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 19 mei 2017. Partijen zijn daar niet verschenen.

FEITEN

Klager heeft op 16 november 2016 een opiniestuk naar de redactie van Dagblad van het Noorden gestuurd. Hij heeft zijn stuk ondertekend met ‘Peter Waterdrinker, Winsum’. Zijn bijdrage is gepubliceerd op 23 november 2016 onder de kop “Piet niet, Klaas wel?”. De intro luidt:
“Zwarte Piet ligt onder vuur. Daarbij wordt vaak ons slavernijverleden in stelling gebracht. Maar de rol van Sinterklaas (en de kerk) is in dit verband veel kwalijker”.
Als ondertekening is vermeld:
“Peter Waterdrinker (Winsum), voorzitter a.i. Atheïstisch Verbond”.

Op 25 november 2016 heeft klager telefonisch aan de hoofdredacteur kenbaar gemaakt dat hij bezwaar maakte tegen het feit dat de redactie aan de ondertekening heeft toegevoegd “voorzitter a.i. Atheïstisch Verbond”.

Vervolgens is op 26 november 2016 in Dagblad van het Noorden onder het kopje “Persoonlijke titel” het volgende bericht geplaatst:
“Het artikel ‘Piet niet, Klaas wel’, in de krant van 15 november, van de hand van voorzitter Peter Waterdrinker van het Atheïstisch Verbond, was geschreven op persoonlijke titel.”

Naar aanleiding daarvan heeft klager in een e-mail van 3 januari 2017 zijn beklag gedaan over de opstelling van de hoofdredacteur. Zijn bezwaren richtten zich zowel tegen de handelwijze van de hoofdredacteur tijdens het telefoongesprek als tegen de publicatie van 26 november 2016. In zijn e-mail, gericht aan algemeen directeur mevrouw D. Boonstra, heeft klager onder meer het volgende geschreven:
“Onderstaand treft u mijn verzoek voor plaatsen van het artikel, daarin ook het betreffende artikel. Ik heb, zoals u kunt zien, dat bericht vanuit mijn privé-mailadres verzonden en het stuk heb ik ondertekend met enkel mijn eigen naam. Onder het in de krant geplaatste stuk staat evenwel mijn functie van voorzitter van het Atheïstisch Verbond (AV), alsof ik dat stuk vanuit die functie heb geschreven. In niets in mijn communicatie heb ik aangegeven dat ik AV-voorzitter ben, de gedane toevoeging vind ik dan ook zeer ongewenst. Dit is temeer pijnlijk voor mij omdat binnen het AV-bestuur vooraf uitdrukkelijk was gesteld dat ik het stuk niet in verband zou brengen met het AV en ik die toezegging ook had gedaan. Zonder mijn weten heeft de DvhN-redactie zich de vrijheid gepermitteerd het stuk te plaatsen als door mij in functie van AV-voorzitter geschreven.”
en
“Na uitleg gedaan, aangeven van mijn bezwaar en verzoek tot rectificatie gaf hij [de hoofdredacteur] aan dat ‘het’ dan twee keer in de krant genoemd zou staan. Vervelend genoeg, zo gaf ik dhr. aan, maar beter dan geen rectificatie. Vervolgens reageerde hij met ‘maar u bent toch voorzitter van het AV’. Op mijn reactie daarop dat bijvoorbeeld in geval ik ooit een moord zou hebben gepleegd en daarna een stuk zou aanleveren, daar door de redactie dus ‘moordenaar’ o.i.d. bij zou kunnen worden geplaatst. Waarop Sijpersma reageerde met ‘dat zou best kunnen’ (of iets van gelijke strekking). Verbijsterend. Ik heb dhr. Sijpersma daarop aangegeven zijn houding zeer ongepast te vinden, een hoofdredacteur niet waardig. Het gesprek is daarop beëindigd. De dag er na bleek een ‘rectificatie’ geplaatst in de rubriek lezersbrieven (…). Zoals u daarin leest is weer aangegeven dat het stuk van mijn hand zou zijn als AV-voorzitter. Onvoorstelbaar, ongehoord! (…)
Ik vergelijk deze tekstkeus met de situatie van een kwajongen die een streek heeft uitgehaald en aan de andere kant van de sloot staat te jennen met de woorden ‘pak me dan als je kan.’ Je staat op zo’n moment machteloos en dat weet dat ventje. In zo’n situatie zijn twee keuzes te maken. (…) De andere keuze is contact met de ouders opnemen, uitleggen wat heeft plaatsgevonden en er van uitgaan dat zij de jongen er op aan zullen spreken en gepaste maatregelen zullen treffen (bijvoorbeeld zeer beleefd, nederig en ondubbelzinnig excuses aan te laten bieden) zodat niet voor de andere keuze hoeft te worden gekozen. Ik kies liever voor de optie ‘ouders benaderen’. Dat doe ik door mij bij u  als ‘ouder’ te beklagen in de hoop dat u mijn beklag onderkent.”
 
Hierop heeft de heer E. van Dijk, algemeen hoofdredacteur NDC mediagroep in een e-mail van 22 januari 2017 gereageerd als volgt:
“Uw mail aan algemeen directeur Dina Boonstra is doorgestuurd naar mij, hoofdredacteur/directeur bij NDC mediagroep. Daarmee ben ik de leidinggevende van Pieter Sijpersma. De communicatie met de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden is niet naar uw welbevinden verlopen. Zijn ‘zou best kunnen’ is in mijn ogen nietszeggend en de heer Sijpersma kennende ook als zodanig bedoeld. De rectificatie is geplaatst zoals aangekondigd. Zoals u ziet ben ik een ouder die zijn kind begrijpt. En een ouder die er met zijn kind over heeft gesproken, waarbij het kind toe heeft gegeven dat het telefoongesprek niet helemaal adequaat is verlopen. Daar wil ik het graag bij laten, overigens zonder te vergeten excuus te maken voor het feit dat mijn antwoord lang op zich heeft laten wachten.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voert – kort samengevat – aan dat de redactie onzorgvuldig heeft gehandeld door aan de ondertekening onder zijn opiniestuk toe te voegen dat hij ‘voorzitter a.i. Atheïstisch Verbond’ is. Het is bij klager niet opgekomen dat hij had moeten vermelden dat de redactie niet de vrijheid moest nemen zijn voorzittersfunctie te vermelden.
Verder meent klager dat de fout niet op een juiste wijze is hersteld in het bericht van 26 november 2016. Door de kop is het niet duidelijk dat het om een ‘rectificatie’ gaat. Nog erger is, dat in de tekst letterlijk staat dat het stuk van zijn hand als voorzitter van het Atheïstisch Verbond zou zijn geweest. Volgens klager had er moeten staan dat het stuk door hem als privé-persoon was geschreven, eventueel met de toevoeging dat de redactie per abuis zijn voorzittersfunctie er bij had geplaatst.
De formulering, tezamen met het verloop van het telefoongesprek met de hoofdredacteur en de door de redactie eigenhandig toegevoegde functie, is de reden dat klager zijn klacht aan de Raad heeft voorgelegd. Overigens vindt klager het antwoord van de heer Van Dijk getuigen van misbruik van journalistieke machtspositie.  

De hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden stelt daar tegenover dat de vermelding van de voorzittersfunctie van klager relevant was, omdat hij in zijn opiniestuk gewag maakt van ‘bedenkelijke’ en ‘verwerpelijke’ passages in de Bijbel. Die vermelding was de facto niet meer dan een – normale – toevoeging ten behoeve van de lezer. Verder wijst de hoofdredacteur erop dat klager zijn bestuur kennelijk uitdrukkelijk heeft toegezegd zijn opiniestuk niet in verband te brengen met het Atheïstisch Verbond. Klager heeft echter nagelaten bij inzending van zijn stuk uitdrukkelijk te verzoeken te vermelden dat hij dit op persoonlijke titel had geschreven. Dat had, gezien zijn toezegging, niet meer dan op zijn weg gelegen. Die bijzonderheid was dan vrijwel zeker aan de ondertekening van het artikel toegevoegd.
Voor wat betreft het opnieuw vermelden van de voorzittersfunctie in het bericht van 26 november 2016 wijst de hoofdredacteur erop dat hij dit met klager heeft besproken. Zoals ook blijkt uit klagers e-mail aan mevrouw Boonstra, wilde hij dat liever dan geen rectificatie. Dat laatste was het enige alternatief; een rechtzetting zonder vermelding van wat krom was, is onbegrijpelijk.
Ten aanzien van het telefoongesprek meent de hoofdredacteur dat dit mede door de opstelling van klager niet prettig is verlopen.
De hoofdredacteur concludeert dat al met al geen sprake is van enig onzorgvuldig journalistiek handelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat de redactie verantwoordelijk is voor het plaatsen van ingezonden brieven. De redactie mag ingezonden brieven wijzigen of inkorten zolang de essentie en de toonzetting behouden blijven.

Het is voorstelbaar dat klager bezwaar maakt tegen de toevoeging van zijn voorzittersfunctie, waardoor de indruk is gewekt dat hij de brief heeft geschreven in die hoedanigheid. Gelet op de inhoud van het opiniestuk was het echter journalistiek relevant die functie te vermelden. Daar had klager ook bedacht op moeten zijn. Gezien zijn voorafgaand overleg met en toezegging aan het bestuur, had het op de weg van klager gelegen om bij de inzending van zijn stuk uitdrukkelijk te vermelden dat hij dit op persoonlijke titel had geschreven, maar dat heeft hij niet gedaan. De redactie had niet behoeven te voorzien dat de toevoeging klager op enigerlei wijze zou kunnen schaden en heeft met de vermelding niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Het voorgaande brengt ook mee dat er geen aanleiding bestond de handelwijze van de redactie ‘recht te zetten’. Niettemin is de krant klager tegemoet gekomen door in het bericht van 26 november 2016 aan de lezer kenbaar te maken dat hij zijn opiniestuk op persoonlijke titel had geschreven. Dit blijkt in ieder geval duidelijk uit de kop. Hoewel de tekst – gelet op de inmiddels bij de redactie bekend geworden bezwaren van klager – wellicht passender en eenduidiger geformuleerd had kunnen worden, is ook hiermee geen sprake van een journalistiek onzorgvuldige gedraging.

Voor wat betreft het tussen klager en de hoofdredacteur gevoerde telefoongesprek kan de Raad niet vaststellen wat precies is voorgevallen. Uit de standpunten van partijen komt het beeld naar voren dat aan beide kanten irritatie is ontstaan, wat ertoe heeft geleid dat klager het gesprek (min of meer) abrupt heeft beëindigd. Er bestaat in ieder geval onvoldoende grond voor de conclusie dat de hoofdredacteur klager zodanig onheus heeft bejegend, dat hij daarmee ontoelaatbaar heeft gehandeld.

Een en ander in aanmerking genomen bestaat er evenmin aanleiding voor de conclusie dat de reactie van algemeen hoofdredacteur Van Dijk getuigt van misbruik van diens journalistieke machtspositie. Dat klager zich niet in die reactie kan vinden, is daarvoor onvoldoende.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Dagblad van het Noorden journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.

Relevant punt uit de Leidraad van de Raad: D.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2015/23

CONCLUSIE

Dagblad van het Noorden heeft journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 4 juli 2017 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, S. Kuijper, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch en A. Olgun, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C.