2017/22 niet-inhoudelijk-behandeld

Samenvatting

Mevrouw X heeft geklaagd over het artikel “Moordplekken (en andere onheilsplaatsen)”. De Raad doet geen inhoudelijke uitspraak over de klacht tegen M. de la Haye en Panorama, omdat de klacht niet tijdig is ingediend.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

M. de la Haye en de hoofdredacteur van Panorama

Mevrouw mr. M.J.T.M. Verstegen, jurist te Leusden, heeft op 12 januari 2017 namens mevrouw X (klaagster) een klacht ingediend tegen mevrouw M. de la Haye en de hoofdredacteur van Panorama. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klaagster en van de heer F. Lomans, hoofdredacteur, betrokken van 27 januari 2017 en 28 februari 2017.

De zaak is besproken op de zitting van de Raad van 19 mei 2017 in aanwezigheid van klaagster, die werd vergezeld door haar echtgenoot en mevrouw Verstegen. Mevrouw De la Haye en de hoofdredacteur van Panorama zijn daar niet verschenen.

FEITEN

Op 13 juli 2016 is in Panorama een artikel van de hand van De la Haye verschenen met de kop “Moordplekken (en andere onheilsplaatsen)” en de bovenkop “Een criminele vakantiespeurtocht door Nederland”. Onder de tussenkop “Bloed in de muren” worden het pand van de modezaak en de woning van klaagster besproken.

Op 26 oktober 2016 heeft mevrouw Verstegen de bezwaren van klaagster voorgelegd aan mevrouw De la Haye en de hoofdredacteur van Panorama. Op 10 november 2016 heeft mevrouw Verstegen een herinnering aan beiden gestuurd. Op 21 november 2016 heeft de hoofdredacteur hierop per e-mail gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster voert – kort samengevat – aan dat De la Haye in mei 2016 in haar winkel is geweest en haar vragen heeft gesteld over het pand. Zij heeft toen laten weten dat ze niet wilde meewerken aan een publicatie en De la Haye verzocht te vertrekken. Toen De la Haye aan dat verzoek geen gehoor gaf, heeft een medewerkster van klaagster dit verzoek herhaald. Maanden later is klaagster door bekenden met het artikel geconfronteerd. Daarin is zij herkenbaar beschreven. Daarnaast is ze foutief geciteerd. Ten slotte ervaart klaagster de wijze waarop over haar is geschreven als beledigend.
Ten aanzien van de indiening van de klacht voert klaagster aan dat zij pas enige tijd na publicatie bekend is geworden met het artikel.
Daarom heeft zij haar bezwaren niet binnen drie maanden na publicatie aan de hoofdredacteur en De la Haye voorgelegd, maar wel binnen drie maanden na bekendwording met het artikel. Het gaat om een kleine termijnoverschrijding, die er niet toe leidt dat de hoofdredacteur en De la Haye geschaad zijn in hun mogelijkheid om daarop te reageren. Omdat zij geen behoefte voelde een weerwoord te geven dat gepubliceerd zou worden, heeft zij niet meer gereageerd op de e-mail van de hoofdredacteur. Klaagster heeft op de valreep besloten de klacht voor te leggen aan de Raad, zodat deze pas op 12 januari 2017 is verstuurd.

De hoofdredacteur van Panorama verwijst naar zijn reactie van 21 november 2016 aan de juridisch adviseur van klaagster. Daarin heeft hij laten weten dat hij de omschrijvingen van klaagster niet als voor haar beledigend heeft ervaren. Verder bestrijdt hij dat klaagster onjuist is geciteerd. Bovendien is het logo van klaagsters winkel niet herkenbaar in beeld gebracht. Hij vindt het altijd meer dan vervelend als er iets is gepubliceerd waar mensen verdrietig of boos van worden, of waar ze last van hebben. Dat is nooit de bedoeling. In dit geval heeft de redactie zich aan de regels gehouden. In zijn reactie heeft hij voorgesteld om, indien door klaagster gewenst, mevrouw De la Haye bij terugkeer van haar vakantie te vragen ook te reageren. Hij heeft zijn reactie afgesloten met de mededeling dat als klaagster een concreet voorstel zou hebben – bijvoorbeeld dat zij nog een weerwoord zou willen geven – daar altijd over valt te praten. Daarna heeft hij niets meer van klaagster vernomen en zag hij geen mogelijkheid tot een vergelijk te komen.

BEOORDELING VAN DE TIJDIGHEID VAN DE INDIENING VAN DE KLACHT

In artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad is het volgende bepaald:

1.a.      Voordat de klager zich tot de Raad kan wenden moet hij zijn bezwaren eerst voorleggen aan het medium. Dit dient te gebeuren binnen drie maanden na het plaatsvinden van de journalistieke gedraging waartegen klager bezwaar heeft.
 b.        Daarna heeft het medium maximaal één maand de gelegenheid om de klacht af te
handelen.
 c.        Als de klacht niet naar tevredenheid van klager is afgehandeld óf het medium niet op
de klacht heeft gereageerd, kan de klager zijn klacht bij de Raad indienen. Dit dient te
gebeuren uiterlijk binnen zes maanden na het plaatsvinden van de journalistieke
gedraging waartegen hij bezwaar heeft.
 2.        Een klacht is tijdig ingediend indien deze voor het einde van de termijn als bedoeld in    lid 1c. door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.
 3.        Indien een klacht niet tijdig is ingediend wordt deze niet inhoudelijk behandeld maar      wordt volstaan met de constatering van de niet tijdige indiening van de klacht.
 4.        Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediende klacht blijft de in het derde
lid bedoelde constatering achterwege indien redelijkerwijs moet worden geconcludeerd dat de niet tijdige indiening van de klacht niet voor rekening van de klager behoort te komen.

Klaagster maakt bezwaar tegen een artikel van 13 juli 2016. Conform artikel 2a lid 2 had haar klacht vóór 13 januari 2017 door het secretariaat moeten zijn ontvangen. Dat is niet gebeurd. Op de zitting heeft mevrouw Verstegen desgevraagd bevestigd dat zij de klacht op 12 januari 2017 alleen per gewone post aan de Raad heeft verstuurd. 

Er is aan de Raad geen enkele omstandigheid bekend geworden waaruit zou moeten worden afgeleid dat de overschrijding van de termijn klaagster in redelijkheid niet kan worden verweten. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan een uitzondering worden gemaakt op de termijnenregeling in de procedure van de Raad. Daarvan is hier niet gebleken.

Na de reactie van de hoofdredacteur van 21 november 2016 had klaagster alle gelegenheid haar klacht tijdig bij de Raad in te dienen. Ook als zij om haar moverende redenen pas op 12 januari 2017 had besloten om tot indiening over te gaan, dan had zij er nog voor kunnen – en moeten – zorgen dat de klacht diezelfde dag door het secretariaat zou zijn ontvangen. Zij had immers de klacht kunnen (laten) bezorgen of haar klacht tevens per e-mail en/of fax dan wel via het online klachtformulier aan de Raad kunnen sturen. Dat heeft zij allemaal niet gedaan. Dit leidt tot de conclusie dat de niet-tijdige indiening van de klacht voor rekening van klaagster komt. Dat slechts sprake is van een zeer geringe termijnoverschrijding kan hieraan niet afdoen.

De Raad komt daarom helaas niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

Relevante artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2a

CONCLUSIE

De klacht wordt niet inhoudelijk behandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 4 juli 2017 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, S. Kuijper, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch en A. Olgun, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.