2017/2 zorgvuldig

Samenvatting

Dagblad van het Noorden heeft niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door in de rubriek ‘Opinie’ het stuk “Kaatee tovert bekende PVV-aap uit de mouw” te plaatsen. Daarin reageerde de schrijver op een eerder gepubliceerde opiniebijdrage van R.M. Kaatee (klager). Voor de lezer is voldoende duidelijk dat het stuk de visie van de schrijver behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die een persoonlijke mening bevatten. Het stuk bevat geen (dis)kwalificaties of vergelijkingen die journalistiek ontoelaatbaar zijn.
Gezien de bij klager gewekte verwachtingen ten aanzien van het publiceren van een ingezonden brief, had het de krant gesierd als zij hem op dit punt tegemoet was gekomen. Dat dit niet is gebeurd, is echter niet onzorgvuldig. De hoofdredacteur kon zich op het standpunt stellen dat het plaatsen van klagers brief waarschijnlijk zou leiden tot een – voor de lezer – zinloze herhaling van standpunten.
T
en slotte merkt de Raad op dat elk medium zelf verantwoordelijk is voor de inrichting van zijn interne klachtprocedure. Dat bij Dagblad van het Noorden de hoofdredacteur het aanspreekpunt is voor klachten, is in lijn met de informatie op de website van de Raad.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.M. Kaatee

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden

De heer R.M. Kaatee te Groningen (klager) heeft op 27 september een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van de heer P. Sijpersma, hoofdredacteur, betrokken van 11 oktober 2016. 

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 18 november 2016 in aanwezigheid van klager. De krant is daar niet verschenen.

FEITEN

Op 22 juli 2016 verscheen in Dagblad van het Noorden een commentaar van redacteur R. Sprey met de kop “Wilders en Erdogan”.

In de rubriek ‘Opinie’ is op 5 augustus 2016 een bijdrage van Kaatee, Statenlid PVV in Groningen, gepubliceerd onder de kop “Plaats Wilders niet in een foute hoek”. De intro van het stuk luidt:
“PVV-leider Wilders had gelijk met zijn tweet over Erdogan, betoogt partijgenoot Ronald Kaatee in reactie op een commentaar in deze krant.”

Naar aanleiding daarvan verscheen op 18 augustus 2016 in de rubriek ‘Opinie’ een stuk van Han Warmelink, staatsrechtdeskundige, onder de kop “Kaatee tovert bekende PVV-aap uit de mouw”. De intro van dit artikel luidt:
“De reactie van PVV-Statenlid Ronald Kaatee op een commentaar in het Dagblad van het Noorden over Geert Wilders en de Turkse president Erdogan roept vragen op.”
 Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Waar Sprey vooral op lijkt te duiden, is dat de opvatting ‘het doel heiligt de (ondemocratische) middelen’ nogal riskant is. Dat geldt zowel voor de maatregelen van Erdogan als voor de tweet van Wilders.”
en
“Echt Wilderiaans wordt het verhaal als Kaatee het Dagblad en zijn redacteur als ‘helden van het naoorlogs verzet’ betitelt en ze verwijt dat zij commentaar leveren op Wilders tweet ‘op het moment dat de teller van het aantal aanslagen door moslims sinds 11 september 2001 op bijna 29.000 staat’. Of dat waar is, durf ik niet te zeggen, maar het is toch wel merkwaardig om de Turkse president daarvoor verantwoordelijk te stellen. Hier komt een bekende PVV-aap uit de mouw: elke moslim is een terrorist, Erdogan is een moslim en daarmee ook een terrorist en dus zijn alle daartegen gerichte middelen heilig.”
en
“Kaatee weet trouwens ook wel een oplossing voor het terrorisme: ‘het verbieden van alle religies en ideologieën die zowel in theorie als in de praktijk op grootschalige wijze gewelddadig en ook nog eens ondemocratisch en racistisch zijn’. Welke religies daar dan precies onder vallen, laat hij wijselijk in het midden. Het is een tweede stokpaardje van de PVV: je mag er alle uitgooien wat je wil, ook als het agressief, opruiend, racistisch of beledigend is, zolang je de daad maar niet bij het woord voegt.”

Vervolgens heeft Kaatee op 20 augustus 2016 een ingezonden brief aan de redactie gestuurd met de kop “Staatsrechtgeleerde Warmelink ziet PVV-apen vliegen”. Hierop heeft hij op 22 augustus 2016 een reactie ontvangen van eindredacteur G. Fokkema, die onder meer het volgende heeft geschreven:
“Zeker wanneer inzenders van bijdragen van repliek worden gediend willen wij ook de gelegenheid bieden daar op te reageren. In dit geval echter ben ik van mening dat het op deze manier niet gaat. Wellicht kunt u uw reactie nog eens door de molen halen en er een zelfstandig leesbaar verhaal van te maken. (…) Tot slot nog wat over uw slotalinea, die wat mij betreft op twee punten uit de bocht vliegt: de opmerking over 700 woorden is onbegrijpelijk voor lezers van de krant doordat het hier een interne spelregel voor bijdragen betreft en ten tweede maakt u het persoonlijk in de richting van de heer Warmelink, hetgeen naar mijn overtuiging niet gepast is. Ik nodig u uit een herziene bijdrage aan te bieden, die in aanmerking kan komen voor plaatsing later in de week.”
Naar aanleiding daarvan heeft Kaatee een aangepaste versie van zijn ingezonden brief aan Fokkema gestuurd, vergezeld van een begeleidende brief met een aantal vragen. Hierop heeft eindredacteur Van Bolhuis hem op 23 augustus 2016 laten weten dat ook zijn aangepaste reactie niet zou worden geplaatst. Kaatee heeft op 2 september 2016 ook een e-mail van de hoofdredacteur ontvangen, die als volgt luidde:
 “U bent met een lid van onze eindredactie in discussie geraakt over de plaatsing van een artikel van uw hand. U heeft geantwoord met zes wedervragen en aangepast artikel.
Het lijkt mij niet verstandig deze discussie in onze kolommen voort te zetten. Als PVV-vertegenwoordiger had u mijns inziens recht op een weerwoord na het commentaar van Roeland Sprey. Dat is dan ook geplaatst. Uw artikel heeft weer tot een andere reactie geleid, van de heer Warmelink.
In uw nieuwe bijdrage blijft u grotendeels bij de eerder gestelde stellingen en feiten, al of niet betwist. Daarmee verzandt het debat, dat voor de lezer ook niet meer te volgen is.
Daarom heb ik besloten de discussie op onze pagina’s voor gesloten te verklaren. Wellicht tot uw teleurstelling, maar het is niet anders.
Een en ander laat onverlet dat u toegang blijft houden tot onze kolommen. Zij het met mate, want de lezer vindt de bijdragen van politici al snel te veel. Nu er verkiezingen aan komen, zult u ons vast wel weer weten te vinden.”
Vervolgcorrespondentie tussen klager en de hoofdredacteur heeft niet tot een oplossing geleid.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Kaatee stelt dat hij in zijn bijdrage van 5 augustus 2016 redacteur Sprey heeft uitgedaagd om uit te leggen wat democratie  à la Erdogan waard is. Sprey is niet op die uitdaging ingegaan. In plaats daarvan verscheen de bijdrage van Harmelink met een aantal evidente en kwalijke leugens, die niet bevorderlijk zijn voor de veiligheid van PVV’ers in het algemeen en die van hem in het bijzonder. Zo is onder meer onjuist dat volgens de PVV ‘alle moslims terrorist zouden zijn’; dat volgens hem ‘Erdogan verantwoordelijk is voor de bijna 29.000 aanslagen door moslims sinds 11 september 2001’; en dat ‘Wilders met zijn tweet tot uitdrukking zou hebben gebracht dat het doel de middelen heiligt’. Volgens Kaatee heeft hij zich in zijn reactie op 20 augustus 2016 beperkt tot weerspreken van met name deze drie leugens. Nadat hij van Fokkema had begrepen dat zijn reactie in die vorm niet zou worden geplaatst, heeft hij nog diezelfde avond een aangepaste versie ingediend waarin hij aan nagenoeg alle bezwaren van de krant tegemoet is gekomen.
Kaatee meent dat de krant door plaatsing van de bijdrage van Warmelink evidente, kwalijke en gevaarlijke leugens heeft gepubliceerd. Daarnaast is het principe van hoor en wederhoor geweld aangedaan. De reactie van Warmelink kan nauwelijks als een voortzetting van de door Sprey begonnen discussie worden gezien. Vervolgens heeft de krant ten onrechte nagelaten rectificerende stappen te ondernemen door onder meer zijn ingezonden brief niet te plaatsen, aldus klager.
Hij stelt ten slotte aan de orde dat de krant niet over een klachtenprotocol beschikt. Dat had tot gevolg dat hij zich met zijn klacht tot de hoofdredacteur moest wenden, die zich al in de kwestie had gemengd en over de kwestie had geoordeeld.

Hoofdredacteur Sijpersma stelt dat hij zich pas in tweede instantie heeft bemoeid met de poging van Kaatee nogmaals een beeldbepalend artikel op de opiniepagina te krijgen. De eindredactie was van mening dat ook na een aanpassing van Kaatee’s reactie ‘het eind zoek zou zijn’; de discussie zou dan gaan over tekstpassages waar de lezer geen idee van zou hebben. Een nutteloze exercitie. Die mening deelde hij en dat is Kaatee meegedeeld. De hoofdredacteur is verantwoordelijk voor de inhoud van de krant. Als hij bijdragen van derden weigert, dan is dat zijn recht. De krant is geen publiek podium waar elke burger rechtens op kan figureren.
Ten aanzien van de (vermeende) leugens van Warmelink stelt Sijpersma dat het anderen vrij staat van de PVV te denken wat zij willen en dat te berde te brengen. Warmelink voelde zich uitgedaagd door het laatdunkende artikel van Kaatee over het commentaar van Sprey. Wie uitdeelt, moet ook kunnen incasseren, zeker op een opiniepagina. Kaatee gebruikt de aanduiding ‘leugens’ voor beweringen die hem niet bevallen. Had Warmelink in de ogen van de krant daadwerkelijk leugens over Kaatee verkondigd, dan was zijn weerwoord zeker geplaatst. Dat was nu echter niet nodig.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt dat de klacht zich richt tegen een opiniestuk. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat het artikel de visie van Warmelink op de kwestie behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die een persoonlijke mening bevatten. Niet is gebleken dat klagers belang door het artikel zodanig is geraakt, dat de krant toch wederhoor had moeten toepassen. Het stuk bevat geen (dis)kwalificaties of vergelijkingen die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Dat klager het artikel als diskwalificerend heeft opgevat, is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat klager zich – gelet op zijn positie als Statenlid en zijn stellingname in deze discussie i een zekere mate van kritische bejegening moeten laten welgevallen. De krant heeft met het plaatsen van het artikel van 18 augustus 2016 dan ook niet ontoelaatbaar gehandeld.

Verder staat het de redactie vrij ingezonden brieven en reacties niet te plaatsen, tenzij publicatie is toegezegd. Desgevraagd heeft klager op de zitting meegedeeld dat hem geen plaatsing is beloofd, maar dat hem is meegedeeld dat er een ‘goede kans’ was op publicatie. Gezien de bij klager gewekte verwachtingen had het de krant gesierd als zij klager op dit punt tegemoet was gekomen. Dat dit niet is gebeurd, is echter niet journalistiek onzorgvuldig. Daarbij neemt de Raad ook de overweging  ten aanzien van de publicatie van de bijdrage van Warmelink in aanmerking. Er is ook geen reden om te oordelen dat de hoofdredacteur zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plaatsen van klagers brief waarschijnlijk zou leiden tot een – voor de lezer – zinloze herhaling van standpunten.

Ten slotte merkt de Raad op dat met de ingang van zijn nieuwe werkwijze per 1 november 2013 media fungeren als eerste lijn in de afhandeling van klachten. In artikel 2a lid 1a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad is bepaald dat een klager zijn bezwaren eerst moet voorleggen aan het medium. Elk medium is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van zijn interne klachtprocedure. In het Reglement is niet nader omschreven tot wie een klager zich moet richten. In de informatie op de website van de Raad is vermeld, dat dit bij voorkeur de eindverantwoordelijke – meestal de hoofdredacteur – is. Dat bij Dagblad van het Noorden de hoofdredacteur het aanspreekpunt is voor klachten, is daarmee in lijn.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: B.3 en D.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2016/24, RvdJ 2014/44 en RvdJ 2002/17

CONCLUSIE

Dagblad van het Noorden heeft journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 18 januari 2017 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, mw. J.R. van Ooijen en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.