2017/15 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen de Volkskrant (RvdJ 2017/6) te herzien. Verzoekster maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 6 maart 2017 (RvdJ 2017/6) betreffende haar klacht

tegen

de hoofdredacteur van de Volkskrant

Mevrouw X te […] (verzoekster) heeft op 23 maart 2017 verzocht om herziening van de conclusie van 6 maart 2017 inzake haar klacht tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant. De Volkskrant heeft op 28 maart 2017 op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 21 april 2017 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Mevrouw X heeft op 1 december 2016 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant over het ‘lezersdilemma’ “Moeder torpedeert elke omgangsregeling”. Aan dit dilemma is aandacht besteed in de rubriek ‘Wat zou u doen’ in Volkskrant Magazine van 19 november 2016. Het onderwerp is aangekondigd op 5 november 2016, waarbij aan lezers de oproep is gedaan te reageren.

De Raad heeft op 6 maart 2017 geconcludeerd dat de hoofdredacteur van de Volkskrant journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld en daartoe – voor zover van belang voor de beoordeling van het herzieningsverzoek – het volgende overwogen:
“De publicatie waartegen klaagster bezwaar heeft, maakt deel uit van een vaste rubriek waarin wekelijks een ‘lezersdilemma’ wordt behandeld. Het staat de redactie vrij om dat zo te doen. Gezien de opzet - een ingezonden vraag met antwoorden - en de toon ervan, zijn de bedoeling en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk: de publicaties behelzen de persoonlijke visies van degene die de vraag heeft voorgelegd en van de lezers die daarop hebben gereageerd, en worden voor hun rekening gelaten. Het gaat hierbij om een algemeen gestelde vraag die door lezers wordt beantwoord, niet om de verslaggeving over herkenbare personen die bij het dilemma (zouden) zijn betrokken. Essentieel daarbij is dat de personalia van alle betrokkenen zijn geanonimiseerd. Gelet op de opzet van de rubriek is wederhoor dan in beginsel niet nodig.
Het is voorstelbaar dat klaagster - nu zij zichzelf in de publicatie meent te herkennen en daarop in haar omgeving is aangesproken - het artikel als grievend heeft ervaren. De Raad acht het echter niet aannemelijk dat klaagster voor het grote publiek identificeerbaar is. Niet kan worden geconcludeerd dat zij objectief bezien door de publicatie wordt gediskwalificeerd. De Volkskrant heeft dan ook niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door tot publicatie over te gaan en daarbij geen wederhoor bij klaagster toe te passen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekster stelt – kort samengevat – dat de Raad niet goed heeft gekeken naar de inhoud van haar klacht en dat de klachtprocedure niet correct is gevolgd. Zij licht dit toe aan de hand van een groot aantal voorbeelden. Zo heeft de Raad volgens verzoekster onder meer geen rekening gehouden met de ernst en de kern van haar klacht. Verder is onvoldoende meegewogen dat zij geen toestemming heeft gegeven voor publicatie, dat haar geen mogelijkheid is geboden tot wederhoor en dat de briefschrijver betrokken is bij een rechtszaak. Dit laatste is relevant omdat de man probeert om buiten de rechtbank alsnog zijn gelijk te halen, aldus verzoekster. Volgens haar zijn alle beweringen die de man doet in zijn ingezonden brief ten aanzien van hun relatie en het minderjarige kind in strijd met de waarheid. Daarnaast vindt verzoekster dat de Raad de Volkskrant in bescherming heeft genomen door haar klacht niet in zijn geheel te behandelen en haar rechten te beperken. Verder heeft de Raad haar en de krant niet op gelijke wijze behandeld, zich niet gehouden aan zijn eigen uitgangspunten en zich schuldig gemaakt aan een vergaande juridisering van de klachtenprocedure, aldus verzoekster.

De Volkskrant stelt dat herziening alleen mogelijk is indien verzoekster aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten. Volgens de Volkskrant is dat niet het geval en moet het verzoek daarom worden afgewezen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Verzoekster heeft op een groot aantal punten bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop haar klacht is behandeld. Wat zij ter zake heeft aangevoerd, brengt echter – voor zover al juist, hetgeen de Raad niet kan vaststellen – niet mee dat de inhoudelijke beoordeling van haar klacht berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.

Uit wat verzoekster verder heeft aangevoerd blijkt dat zij zich niet kan vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad. Het verzoekschrift bevat in dit verband vooral (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekster eerder al in haar klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening alleen op grond van een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Het is niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoekster het niet eens is met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2016/31 en RvdJ 2011/71
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 19 mei 2017 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. M.E.L. Kogeldans en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.