2017/11 deels-onzorgvuldig

Samenvatting

I. Penris en AD Utrechts Nieuwsblad hebben in de artikelen “Kort geding van vluchteling tegen opvang in Overvecht” en “Zakenvrouw knokt tegen komst opvang Overvecht” aandacht besteed aan een door klaagster aangespannen kort geding. Penris heeft de informatie over de zaak weliswaar onder embargo van de rechtbank verkregen, maar gelet op de door de rechtbank gehanteerde gedoogregeling en het contact dat hij met de raadsman van klaagster heeft gehad, heeft Penris noch de krant ontoelaatbaar gehandeld door over de kwestie te publiceren. Verder is geen sprake van onjuiste, suggestieve berichtgeving. Bovendien was de vermelding van de naam van klaagsters onderneming toelaatbaar, aangezien het bedrijf een essentiële rol speelde in de kwestie. Penris en de krant hebben echter wel journalistiek onzorgvuldig gehandeld door tevens de persoonlijke gegevens van klaagster te vermelden. Ten slotte meent de Raad dat P. van den Bosch, hoofdredacteur van AD Regio, onzorgvuldig heeft gehandeld door niet tijdig inhoudelijk in te gaan op de klacht. Hij heeft daarvoor terecht later zijn excuses aangeboden. De Raad doet de aanbeveling aan AD Utrechts Nieuwsblad deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X (h.o.d.n. Y)

tegen

I. Penris en P. van den Bosch, hoofdredacteur van AD Utrechts Nieuwsblad

De heer mr. M.T.C. Bikker, advocaat te Utrecht, heeft op 2 december 2016 namens mevrouw X, h.o.d.n. Y, een klacht ingediend tegen de heer I. Penris, verslaggever, en de heer P. van den Bosch, hoofdredacteur van AD Regio (waaronder Utrechts Nieuwsblad). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van Penris en Van den Bosch betrokken van 23 december 2016.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 3 februari 2017. Klaagster was daar aanwezig vergezeld door mr. Bikker, die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Namens de krant zijn Penris en Van den Bosch verschenen.

DE FEITEN

Op 3 juni 2016 verscheen op de website van AD Utrechts Nieuwsblad een artikel van de hand van Penris met de kop “Kort geding van vluchteling tegen opvang in Overvecht”. Het bericht luidt verder:
“Een onderneemster die ooit zelf naar Nederland is gevlucht, heeft een kort geding aangespannen tegen de gemeente Utrecht en de eigenaar van het pand aan de Einsteindreef om het asielzoekerscentrum dat in Overvecht komt, tegen te houden.
De vrouw heeft een bedrijfje in het pand en vindt dat het zakelijke karakter van haar kantooromgeving op deze manier verloren gaat. Volgens de aanklacht levert de gemeente ‘een wanprestatie door de ruimte te vullen met asielzoekers’. Het kort geding dient donderdag.
De eerste vluchtelingen moeten in september in het gebouw terecht kunnen. De verbouwing van het oude kantoorpand tot volwaardige noodopvang duurt langer dan gepland en begin juni, de eerste streefdatum, wordt niet meer gehaald. Tot 30 november 2018 kunnen er maximaal 400 vluchtelingen terecht.”

Vervolgens verscheen op 4 juni 2016 op de website van AD Utrechts Nieuwsblad een artikel, eveneens van de hand van Penris, onder de kop “Zakenvrouw knokt tegen komst opvang Overvecht”. De intro van het artikel luidt:
“Een Iraanse onderneemster heeft de gemeente Utrecht voor de rechter gedaagd. Zij verzet zich tegen de komst van een vluchtelingenopvang in het bedrijfsverzamelgebouw in Overvecht. Daar zit haar bedrijf.”
Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
 “Eigenares X (41) richt haar kort geding niet alleen op Utrecht, maar ook op het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en op City Pads, de Eindhovense eigenaar van het gebouw aan de Einsteindreef. X  zegt dat ze er met haar […]kantoor ‘Y’ van uit had mogen gaan dat ‘het zakelijke karakter van haar kantooromgeving gehandhaafd zou blijven’. Het COA levert volgens de aanklacht ‘een wanprestatie door de ruimte te vullen met asielzoekers’. Saillant detail is dat X zelf vanuit Iran naar Nederland vluchtte. Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel begon ze haar administratiekantoor in Utrecht in 2003.
Wanneer X naar Nederland kwam is niet duidelijk. Ze wil, net als haar advocaat Mark Bikker, geen toelichting geven op de beweegredenen de gemeente, het COA en de eigenaar van het pand voor de rechter te dagen.”

Op de persrol van de rechtbank Utrecht is de behandeling van het kort geding aangekondigd waarbij als aanvulling is vermeld:
“Opvang asielzoekers gaat ten koste kleine ondernemers. Eiseres is onderneemster en ooit gevlucht naar Nederland. Eiseres mocht ervan uit gaan dat het zakelijke karakter van haar kantooromgeving gehandhaafd zou blijven. COA levert wanprestatie door ruimte te vullen met asielzoekers. Eis: stoppen met verbouwingswerkzaamheden Einsteindreef gericht op de vestiging van een AZC.”

In artikel 2 van de Persrichtlijn van de Rechtspraak is onder meer het volgende bepaald:
“De afdeling communicatie voorziet journalisten van informatie over komende en lopende rechtszaken. Het gerecht stelt een week voor de zitting gratis zittingslijsten ter beschikking aan journalisten. In strafzaken, voorlopige voorzieningen in bestuurszaken en in korte gedingen liggen dagvaardingen (…) uiterlijk één week voor de zitting onder embargo ter inzage voor journalisten. (…) Het embargo geldt tot het moment waarop de openbare behandeling is gestart.”
En in de toelichting is onder meer vermeld:
“Op de informatie op de zittingslijsten rust een embargo tot aan het moment dat de zaak in het openbaar wordt behandeld. Tot dan kunnen de dagvaardingen immers nog worden ingetrokken en heeft de rechtszaak in feite niet bestaan. De gerechten gaan er dan ook vanuit dat de journalisten voorafgaand aan zittingen vertrouwelijk omgaan met de verstrekte informatie.”

Voorafgaand aan de berichtgeving heeft Penris twee korte telefoongesprekken gevoerd met mr. Bikker. In het eerste gesprek heeft Penris aan Bikker gevraagd of hij iets wilde vertellen of vragen beantwoorden over het op de persrol aangekondigde kort geding. Bikker heeft daarop laten weten dat hij eerst intern overleg zou plegen en dan Penris zou terugbellen. Het daarop volgende gesprek verliep (in hoofdlijnen) als volgt:
Bikker: “Met Bikker, ik zou u nog even terugbellen.”
Penris: “Ja, dat is zo.”
Bikker: “Na intern overleg is besloten om geen commentaar te geven.”
Penris: “Oké, maar ik ga sowieso iets schrijven.”
Bikker: “Dat is uw eigen keuze.”

Mr. Bikker heeft op 24 augustus 2016 de bezwaren van klaagster tegen de publicaties kenbaar gemaakt aan de heer A. Prins, nieuwschef van AD Utrechts Nieuwsblad. Vervolgens heeft hij in een e-mail van 9 september 2016 het volgende aan Van den Bosch geschreven:
“Inzake bovengenoemde kwestie zocht u woensdag jl. (7 september) telefonisch contact, naar aanleiding van mijn brief van 24 augustus jl. Bij gebreke van gelegenheid aan mijn zijde om op dat moment in gesprek te treden, heb ik op mijn beurt getracht gisteren (donderdag 8 september) een telefoongesprek tot stand te brengen, hetgeen echter afstuitte op verhinderingen aan uw zijde. Ik heb een terugbelverzoek achtergelaten. Zojuist heb ik nogmaals gebeld, doch met helaas dezelfde uitkomst. Graag vertrouw ik thans erop begin volgende week van u te vernemen, telefonisch, dan wel per e-mail.”

Op 23 september 2016 heeft mr. Bikker per e-mail het volgende aan Van den Bosch bericht:
“Inzake bovengenoemde kwestie zijn wij de voorbije twee weken helaas nog niet erin geslaagd om telefonisch in overleg te treden. Ik ondernam zojuist nog een poging daartoe, in vervolg op mijn poging van eind vorige week, echter opnieuw stuitte ik op uw afwezigheid. Op uw beurt, ondernam u laatstelijk een poging tot telefonisch contact op 13 september jl. (aldus anderhalve week geleden). Ervan uitgaande dat (ook) u een telefonisch contact nog steeds zinvol acht (alvorens andere wegen te bewandelen), verneem ik graag uiterlijk dinsdag a.s. (27 september) van u.”
Ten slotte heeft mr. Bikker in een e-mail van 22 november 2016 nog het volgende aan Van den Bosch geschreven:
Inzake bovengenoemde kwestie zijn wij nog niet tot oplossingsafspraken gekomen. Aangezien cliënte veel eraan gelegen is om daarmee thans vaart te maken, nam ik de voorbije twee weken tweemaal telefonisch contact op, waarbij ik beide keren een voor u bestemd terugbelverzoek achterliet bij mevrouw B. Horeman, aan wie ik dit e-mailbericht in CC zend.
Zojuist nam ik wederom telefonisch contact op en vernam ik van mw. Horeman voornoemd dat u wederom telefonisch niet bereikbaar bent. Als vrijdag a.s. (25 november) nog steeds niet op mijn (herhaalde) terugbelverzoeken is gereageerd, dan wordt dezerzijds ervan uitgegaan dat partijen niet, althans niet langs deze weg, tot (onderlinge) oplossingsafspraken gaan komen (in welk geval mijn cliënte (dus) geen andere keuze heeft dan het over een andere boeg te gooien). Vooralsnog wordt evenwel ervan uitgegaan dat een simpel telefoontje niet te veel is gevraagd. Aldus gaarne vernemend (uiteraard met voorbehoud van alle rechten en weren).”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster voert aan dat de door haar uitgebrachte dagvaarding kennelijk de aanleiding voor de publicaties is geweest. De Rechtbank Midden-Nederland heeft weliswaar melding gemaakt van de zaak op de persrol, maar dat is gebeurd onder embargo. Het embargo stond er dus aan in de weg dat voorafgaand aan de geagendeerde zitting in kort geding – die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden – uit de dagvaarding afkomstige informatie werd gepubliceerd. Dergelijke informatie kan weliswaar worden ‘witgewassen’ als die via een andere bron wordt verkregen – waaronder begrepen: het verifiëren bij de betrokken partijen van dat wat op de rechtbankrol is beschreven – maar daarvan was hier geen sprake. Noch mr. Bikker noch de woordvoerder van de gemeente Utrecht, met wie Penris contact heeft gehad, heeft zich inhoudelijk over de kwestie uitgelaten. De letterlijke bewoordingen van de persrol, zoals die door Penris in zijn berichtgeving zijn verwerkt, zullen in ieder geval door niemand in de mond zijn genomen. Door toch tot publicatie over te gaan hebben Penris en de krant dus het embargo geschonden, aldus klaagster. Op de zitting deelt mr. Bikker desgevraagd mee dat hij in de telefoongesprekken niet tegen Penris heeft gezegd dat hij niet wenste dat er gepubliceerd zou worden, omdat dit al volgt uit het embargo. Volgens mr. Bikker heeft Penris slechts ‘voor de bühne’ twee telefoontjes gepleegd  als excuus om het embargo naast zich neer te kunnen leggen. Verder heeft hij geen aanleiding gezien om met de rechtbank in discussie te gaan over het gevoerde beleid ten aanzien van het embargo en het ‘witwassen’ van informatie, aldus mr. Bikker.
Klaagster maakt er verder bezwaar tegen dat haar naam en die van haar bedrijf in de publicatie van 4 juni 2016 zijn vermeld, terwijl dat niet relevant was voor de nieuwswaarde van het bericht. Dit is voor haar zowel emotioneel als zakelijk belastend, vooral omdat zowel haar sociale kring als haar zakelijke kring voor een groot deel bestaat uit personen met buitenlandse roots. Daarbij komt dat op basis van haar naam en bedrijfsnaam ook vrij eenvoudig haar woonadres – eveneens in Overvecht – is te achterhalen.
Klaagster benadrukt dat zij, mede gegeven haar eigen achtergrond, (de opvang van) vluchtelingen absoluut een zeer warm hart toedraagt. Zij is allerminst tegen de komst van een asielzoekerscentrum in Overvecht, maar wilde alleen dat haar zakelijke huurcontract voor haar kantoorruimte in een kantorengebouw zou worden gerespecteerd. Het risico bestaat echter dat lezers zich onvoldoende rekenschap geven van die zakelijke context van het geschil – welk geschil in de berichtgeving slechts zeer beperkt aan bod komt – en vraagtekens plaatsen bij de opstelling van klaagster. Dit risico heeft zich helaas ook daadwerkelijk verwezenlijkt; klaagster is na de publicaties diverse malen hierop aangesproken. In het bijzonder bij een thema als de opvang van vluchtelingen, dat maatschappelijk uiterst gevoelig ligt, behoort AD Utrechts Nieuwsblad daarmee rekening te houden, aldus klaagster.
Zij maakt zich ernstige zorgen over de berichtgeving, in het bijzonder omdat de publicaties prominent opduiken in de zoekresultaten van Google als op haar naam wordt gezocht.
Klaagster concludeert dat AD Utrechts Nieuwsblad niet voorafgaand aan de geagendeerde zitting in kort geding over de kwestie had mogen publiceren, laat staan met vermelding van haar persoonlijke gegevens. Bovendien is in de publicaties ten onrechte de sfeer geademd alsof zij – als voormalig vluchteling, terwijl zij inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft – tegen opvang van asielzoekers zou zijn. Ten slotte maakt klaagster er bezwaar tegen dat de krant ondanks herhaalde (contact)verzoeken haar klacht niet inhoudelijk in behandeling heeft genomen.

Penris en Van den Bosch voeren aan dat het in elk geval in Utrecht staande praktijk is dat rechtbankverslaggevers ‘de rol witwassen’ als zij het journalistiek relevant vinden om voorafgaand aan een openbare behandeling over een zaak te berichten. Daarmee wordt bedoeld dat zij de informatie die op de rechtbankrol is vermeld, verifiëren bij de betrokken partijen. De rechtbank in Utrecht weet dit en heeft daar geen moeite mee, zolang de journalist de informatie maar bij verschillende partijen bevestigd krijgt. Vaak willen advocaten daar op voorhand zelfs graag aan meewerken. Penris heeft in dit geval contact opgenomen met mr. Bikker en de gemeente Utrecht, die beiden de informatie hebben bevestigd. Penris heeft in een van de telefoongesprekken met mr. Bikker expliciet gezegd dat hij een artikel ging schrijven voorafgaand aan de zitting. Hij heeft toen ook de inhoud van de persrol weergegeven met de vraag of die informatie juist was. Verder heeft hij klaagster, via haar advocaat, aangeboden extra commentaar te geven. Mr. Bikker heeft dit voorgelegd aan klaagster, maar zij zag daar vanaf. Dit is ook in het artikel van 4 juni 2016 vermeld.
Voorafgaand aan de publicatie is op de redactie gediscussieerd over de vraag of de naam van klaagster en haar bedrijf weggelaten zou moeten worden. Dat is niet gangbaar in civielrechtelijke zaken, waar immers geen strafrechtelijke sanctie dreigt. Het ging hier om een zakelijk conflict, waarbij grote instituten – de gemeente Utrecht en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) – en de eigenaar van het betreffende gebouw waren betrokken. Dit geeft al de maatschappelijke en journalistieke relevantie van de zaak aan, zeker voor een medium als AD Utrechts Nieuwsblad dat op nieuwsgebied marktleider is in Utrecht en omstreken. Penris heeft zich zeer feitelijk aan de zakelijke context gehouden zoals deze in de rechtbankrol is geschetst. De naam van klaagster en die van haar bedrijf met initialen weergeven zou criminaliserend hebben gewerkt, waardoor dit geen optie was. Daarbij komt dat bij een regionaal medium zoals AD Utrechts Nieuwsblad het van belang is dat informatie voor zijn lezers verifieerbaar moet zijn. Bovendien was mogelijk verwarring met andere huurders ontstaan, als zij geen naam hadden genoemd. Ook om die reden waren de details van belang. Overigens hadden omwonenden eerder al heftig geprotesteerd tegen de opvang. Alle ogen in Overvecht en omgeving waren op het betreffende pand gericht. Penris en de krant menen dat de redactie gewetensvol met de journalistieke afweging tussen enerzijds recht op privacy en anderzijds vrijheid van meningsuiting en nieuwsgaring is omgegaan. Dat deze zaak uiteindelijk niet is behandeld in de rechtszaal, heeft de krant in een vervolgbericht gemeld.
Verder vinden zij het in dit geval journalistiek relevant dat klaagster een persoonlijke geschiedenis heeft als vluchteling uit Iran. Niet omdat daarmee de indruk zou worden gewekt dat zij tegen de opvang van asielzoekers zou zijn, dat is ook nergens in de berichtgeving beweerd. Klaagster is niet tegen opvang, maar wél dat deze plaatsheeft in het bedrijfsverzamelgebouw in Overvecht. Zij betichtte het COA zelfs van wanprestatie omdat zij er als huurder vanuit mocht gaan dat ‘het zakelijke karakter van haar kantooromgeving gehandhaafd zou blijven’. Dat juist een succesvolle onderneemster met een vergelijkbare achtergrond als van de vluchtelingen voor wie nu noodopvang moest worden geregeld, deze juridische procedure was gestart, was zeer relevant voor het verhaal. Penris en de krant vinden niet dat de berichtgeving ‘de sfeer ademt alsof klaagster tegen opvang van asielzoekers zou zijn'. Op de zitting deelt Van den Bosch desgevraagd mee dat de kop “Kort geding van vluchteling tegen opvang in Overvecht” boven het artikel van 3 juni 2016 zo is gekozen dat deze oproept om het artikel te lezen.
Bovendien was dit ook de belangrijkste insteek voor het verhaal. In dat verband wijst Van den Bosch erop dat ook op de persrol was vermeld dat klaagster ‘ooit naar Nederland is gevlucht’. Hij betwist uitdrukkelijk dat in de berichtgeving de suggestie is gewekt dat klaagster tegen vluchtelingen zou zijn. Duidelijk is vermeld dat zij bezwaar heeft tegen het gebruik van het kantoorpand als opvang voor vluchtelingen.
Van den Bosch erkent dat de klacht intern niet goed is behandeld; deze is blijven liggen tussen twee afdelingen binnen de organisatie. Dat is weliswaar verklaarbaar, maar geen excuus en daarvoor biedt hij excuses aan. Inmiddels is dit intern uitgebreid besproken om herhaling te voorkomen. Overigens zou de krant bij een eerder contact met de advocaat van klaagster niet tot een ander inhoudelijk oordeel zijn gekomen.
Penris en Van den Bosch merken ten slotte op dat zij uit menselijk oogpunt alle begrip hebben voor de emoties die de berichtgeving bij klaagster teweeg heeft gebracht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klaagster heeft allereerst aangevoerd dat Penris en AD Utrechts Nieuwsblad het embargo van de rechtbank hebben geschonden en niet tot publicatie hadden mogen overgaan.
Voor de Raad geldt als uitgangspunt dat een journalist die een verzoek tot een embargo aanvaardt, zich aan de overeenkomst moet houden tot de afgesproken termijn is verstreken. In dit geval is echter van belang dat kennelijk bij de rechtbank Utrecht staand beleid is dat wordt gedoogd dat journalisten de onder embargo verkregen informatie ‘witwassen’. Daaronder wordt blijkbaar (mede) verstaan dat journalisten die informatie verifiëren bij betrokken partijen. Ten tijde van de telefoongesprekken met Penris was de raadsman van klaagster met dit beleid bekend en hij had daarop beter bedacht moeten zijn. Ook als mr. Bikker geen inhoudelijke informatie over de zaak aan Penris heeft verstrekt, heeft hij niettemin onvoldoende adequaat gereageerd. In plaats van Penris mede te delen dat hij stond op stipte handhaving van het embargo, heeft hij immers na de uitlating van Penris “Oké, maar ik ga sowieso iets schrijven.” het gesprek beëindigd met de woorden “Dat is uw eigen keuze.” Penris heeft dit mogen opvatten als een vrijbrief om tot publicatie over te gaan, zodat hem noch de krant op dit punt geen journalistiek onzorgvuldig handelen kan worden verweten.

Verder heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop over de zaak is bericht, en wel met name tegen de gewekte suggestie dat klaagster – als vluchteling – tegen de opvang van asielzoekers zou zijn alsmede tegen de vermelding van haar naam en die van haar bedrijf .
De Raad stelt vast dat op de persrol was vermeld dat klaagster vluchteling is geweest. Die informatie was kennelijk afkomstig uit de dagvaarding en speelde blijkbaar een rol in de zaak. In dat licht bezien is het niet onbegrijpelijk dat Penris en AD ervoor hebben gekozen te vermelden dat klaagster zelf naar Nederland is gevlucht. Verder is het journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Daarmee worden alleen de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid overschreden als de kop geen enkele grond vindt in het artikel. Daarvan is in dit geval geen sprake. De kop van het artikel van 3 juni 2016 “Kort geding van vluchteling tegen opvang in Overvecht” is dan ook niet ontoelaatbaar. Verder vindt de Raad dat in beide artikelen voldoende duidelijk is gemaakt dat klaagster op wilde komen voor haar zakelijke belangen. Met de berichtgeving is geen zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de kwestie gegeven, dat daardoor sprake zou zijn van onjuiste, suggestieve berichtgeving.

Het voorgaande neemt niet weg dat voor wat betreft het vermelden van persoonlijke gegevens van een eiser en/of gedaagde in een (voorgenomen) kort geding een afweging moet worden gemaakt tussen het privacybelang van de betrokkene(n) en het maatschappelijk belang van de publicatie.
Waar de berichtgeving meer is dan een zakelijke mededeling, maar de nieuwswaarde (met name) wordt bepaald door specifieke persoonlijke omstandigheden – zoals hier het geval is – kan het van belang zijn om extra terughoudend te zijn met het publiceren van persoonlijke gegevens, zeker in de fase voor de openbare rechtszitting. Waar met het mindere kan worden volstaan, moet in zo’n situatie niet naar het meerdere worden gegrepen.
Nu voor de krant het nieuws kennelijk zat in de specifieke omstandigheid dat een ex-vluchteling zelf bezwaar maakt tegen de komst van een vluchtelingenopvang, was de aanduiding voor klaagster als ‘Iraanse onderneemster’ voldoende geweest.
Daarmee zou geen afbreuk zijn gedaan aan de nieuwswaarde van de berichtgeving. Mede in aanmerking genomen dat het hier bovendien gaat om een maatschappelijk gevoelig onderwerp, hebben Penris en AD Utrechts Nieuwsblad journalistiek onzorgvuldig gehandeld door toch de persoonlijke gegevens van klaagster te vermelden.

De Raad vindt echter dat de onderneming van klaagster een essentiële rol speelde in de kwestie waarover is bericht; het was klaagster immers te doen om handhaving van het zakelijke karakter van haar kantooromgeving. Het was in dit geval journalistiek relevant en niet ontoelaatbaar om de naam van klaagsters bedrijf te vermelden. Daarmee kon bovendien verwarring worden voorkomen met de andere bedrijven die in het pand waren gevestigd.

Verder heeft Van den Bosch journalistiek onzorgvuldig gehandeld ten aanzien van de afhandeling van de klacht. Met de ingang van de nieuwe werkwijze van de Raad per 1 november 2013 – waarover de mediasector vooraf uitvoerig is geconsulteerd – fungeren (hoofd)redacties als eerste lijn in de afhandeling van klachten en zijn klagers verplicht hun bezwaren eerst aan het betrokken medium voor te leggen. Achtergrond van deze bepaling is dat – in het kader van een goede zelfregulering door de media – partijen eerst samen overleg voeren om te bezien of zij tot een minnelijke oplossing van het probleem kunnen komen. Dit brengt mee dat (hoofd)redacties klachten op een zorgvuldige manier moeten afhandelen. Dit uitgangspunt vraagt een andere klachtafhandeling dan de wijze waarop dat in dit geval is gebeurd. Ondanks herhaald verzoek is Van den Bosch immers niet (voldoende) inhoudelijk ingegaan op de klacht. Hij heeft hiervoor terecht alsnog zijn excuses aangeboden.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A., B.4 en C.1 
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2016/42, RvdJ 2014/37, RvdJ 2013/58

CONCLUSIE

Voor zover de klacht is gericht tegen het schenden van een embargo, onjuiste en suggestieve berichtgeving en het vermelden van het bedrijf van klaagster hebben Penris en Van den Bosch, hoofdredacteur van AD Utrechts Nieuwsblad, journalistiek zorgvuldig gehandeld. Ten aanzien van het vermelden van de naam van klaagster alsmede betreffende de afhandeling van de klacht was de handelwijze journalistiek onzorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan AD Utrechts Nieuwsblad om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 6 april 2017 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, A. Mellink MPA, F.Th.H. Ruys, H.P.M.J. Schneider en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.