2016/46 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen Ontvoerd (RvdJ 2016/32) te herzien. Verzoekster maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 20 september 2016 (RvdJ 2016/32) betreffende haar klacht

tegen

de hoofdredacteur van Ontvoerd (Simpel Media B.V. en RTL4)
 
Mevrouw X te […] (verzoekster) heeft op 17 oktober 2016 verzocht om herziening van de conclusie van 20 september 2016 inzake haar klacht tegen de hoofdredacteur van Ontvoerd (Simpel Media B.V. en RTL4). Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie betrokken van de heer H. Mulder, eindredacteur, van 8 november 2016.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 18 november 2016 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Mevrouw X heeft op 15 maart 2016 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Ontvoerd (Simpel Media B.V. en RTL4) over een aflevering van het televisieprogramma Ontvoerd van 11 oktober 2015. In die uitzending is aandacht besteed aan het zoeken en terughalen van de dochter van klaagster, die zich samen met haar in Portugal bevond.

De Raad heeft op 20 september 2016 geconcludeerd dat Ontvoerd journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door klaagster desgevraagd niet nader te informeren over de voorgenomen uitzending en geen wederhoor bij klaagster toe te passen althans de visie van klaagster niet in de uitzending te verwerken en dat de handelwijze van Ontvoerd verder journalistiek zorgvuldig was. De Raad heeft daartoe – voor zover van belang voor de beoordeling van het herzieningsverzoek – het volgende overwogen:
“In de uitzending is er aandacht aan besteed dat klaagster met haar dochter vanaf haar vaste verblijfplaats in Nederland naar Portugal is vertrokken. Dat heeft klaagster gedaan zonder medeweten van de vader van haar dochter en naar een voor hem onbekende plaats. Daarmee heeft klaagster bewust de geldende omgangsregeling tussen de vader en zijn dochter gefrustreerd. Deze handelwijze mag worden aangeduid als ‘ontvoering’. Dat is ook juridisch vastgelegd in het Haags Kinderontvoeringsverdrag (25 oktober 1980).
Daaraan doet niet af dat klaagster op dat moment eenhoofdig gezag had. De zaak had al in twee instanties tot een voor klaagster negatieve uitspraak van de Nederlandse rechter geleid.
Het is maatschappelijk relevant om journalistiek onderzoek te verrichten naar dergelijke kwesties.
Dat geldt ook als, zoals in deze zaak, de journalistieke betrokkenheid voornamelijk heeft bestaan uit het achterhalen van de verblijfplaats van klaagster en haar ontvoerde dochter, en het rapporteren over de hereniging van de vader met zijn dochter. Daarbij zal de journalist er niet aan kunnen ontkomen ook de betrokkenheid van iemand als klaagster te belichten. Het is immers een taak van de journalistiek om misstanden aan de kaak te stellen.
De Raad meent dat het uitgezonden materiaal concretiseringen en bijzonderheden ten aanzien van de handelwijze van klaagster bevat, die aan de uitzending authenticiteit en daarmee een relevante meerwaarde gaven. Het is niet aannemelijk dat dit ook op een andere wijze gerealiseerd had kunnen worden dan met het gebruik van een verborgen camera. Onder deze omstandigheden en gelet op de maatschappelijke relevantie van het onderwerp is de werkwijze van Ontvoerd op dit punt niet ontoelaatbaar. Dat geldt evenzeer voor de wijze waarop de beelden zijn gemonteerd, nu daarmee geen onjuiste weergave is gegeven van de handelwijze van klaagster.
Ook overigens is geen zodanig vertekend beeld van de kwestie of van klaagster geschetst dat daarmee sprake zou zijn van niet-waarheidsgetrouwe of tendentieuze berichtgeving. Er bestond voldoende aanleiding voor Ontvoerd om over de zaak te berichten, zoals zij heeft gedaan. Ontvoerd heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat klaagster bij de confrontatie met Van den Heuvel moet hebben geweten wie hij was en met welk doel hij daar aanwezig was.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekster stelt – kort samengevat – dat de Raad ten onrechte als vaststaand of aannemelijk feit heeft aangenomen dat zij haar dochter naar Portugal zou hebben ontvoerd. Zij wijst er in dat verband op dat zij het eenhoofdig gezag had over haar minderjarige dochter toen zij zich vestigde in Portugal. Volgens verzoekster kan het overbrengen of niet doen terugkeren van haar dochter daarom niet als ongeoorloofd worden beschouwd. Dat veranderde niet door de uitspraken van de Nederlandse rechter vijf maanden later. Omdat zowel zij als haar dochter op dat moment ingezetene was van Portugal, hadden de uitspraken van de Nederlandse rechter – waarbij het gezag zou zijn overgegaan op de vader – niet zonder meer rechtskracht, aldus verzoekster. Zij meent dat het Haags Kinderontvoeringsverdrag niet van toepassing is.
Op grond daarvan meent verzoekster dat de Raad ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is geweest van zorgvuldig journalistiek onderzoek.

Ontvoerd stelt dat de Raad in zijn conclusie uitgebreid is ingegaan op de klacht van verzoekster dat geen sprake is geweest van ontvoering. Verzoekster heeft geen nieuwe feiten of bewijzen aangeleverd die een herziening van de conclusie rechtvaardigen. Dit geldt evenzeer voor het standpunt van verzoekster dat Ontvoerd geen zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Kern van het verzoek is dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad in zijn conclusie van 20 september is uitgegaan van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.

De Raad heeft vastgesteld dat verzoekster met haar dochter vanaf haar vaste verblijfplaats in Nederland naar Portugal is vertrokken, dat zij dat heeft gedaan zonder medeweten van de vader van haar dochter en naar een voor hem onbekende plaats en dat zij daarmee bewust de geldende omgangsregeling tussen de vader en zijn dochter heeft gefrustreerd. Deze vaststellingen zijn door haar niet betwist.

Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

Dat verzoekster het er niet mee eens is dat de Raad op grond van die constateringen meent dat haar handelwijze als ‘ontvoering’ mag worden aangeduid, is onvoldoende om haar verzoek tot herziening te honoreren.

Het verzoekschrift bevat verder (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekster eerder al in haar klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening alleen op grond van (aanvullende) stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2016/31 en RvdJ 2016/23
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 16 december 2016 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, mw. J.R. van Ooijen en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.