2016/44 deels-onzorgvuldig

Samenvatting

Voor RTV Utrecht bestond voldoende aanleiding om in het artikel “Huis-aan-huisblad DUIC slecht bezorgd” te berichten over de krant van DUIC (klaagster) zoals is gedaan. De berichtgeving was waarheidsgetrouw en controleerbaar. Verder was het journalistiek relevant om de bevindingen voor te leggen aan de adverteerders van klaagster. De Raad vindt het niet aannemelijk dat de motieven van de omroep niet integer zijn geweest. In zoverre heeft de omroep journalistiek zorgvuldig gehandeld. Hoewel de omroep in een vroeg stadium van haar onderzoek klaagster om een reactie heeft gevraagd, had zij klaagster nog voldoende gelegenheid moeten bieden voor aanvullend wederhoor. Dat is niet gebeurd. Bovendien heeft klaagster meer inhoudelijk gereageerd, dan is weergegeven in het artikel. Ten aanzien van het toepassen van wederhoor heeft de omroep daarom journalistiek onzorgvuldig gehandeld. De Raad doet de aanbeveling aan RTV Utrecht om deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

DUIC

tegen

de hoofdredacteur van RTV Utrecht

De heer J. Daalhuisen, uitgever, heeft op 5 juli 2016 namens DUIC (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van RTV Utrecht. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klaagster en de heer P. van der Lugt, algemeen directeur/bestuurder van RTV Utrecht, van 1 augustus en 20 september 2016.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 23 september 2016. Aan de zijde van DUIC waren de heren Daalhuisen en W. Jacobs, projectmanager, aanwezig. Namens RTV Utrecht zijn de heren Van der Lugt en M. van Rossum du Chattel, verslaggever, verschenen. Daalhuisen heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een notitie.
 
Een van de leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

Op 1 maart 2016 is op de website van RTV Utrecht een artikel verschenen met de kop “Huis-aan-huisblad DUIC slecht bezorgd”. Het bericht luidt verder:
“Het nieuwe huis-aan-huisblad DUIC kampt in Utrecht met grote problemen. Het lukt het blad niet om alle kranten bezorgd te krijgen. DUIC was tot half december een internetsite, maar sinds twee maanden verschijnt er ook een papieren versie. Die versie zou elke veertien dagen huis aan huis in de stad Utrecht bezorgd moeten worden.
BEZORGING
Onderzoek van RTV Utrecht toont echter aan dat dat niet lukt. Een enquête, uitgezet onder ruim duizend Utrechtse leden van het panel van de omroep, toont aan dat slechts 10 procent van de huishoudens altijd of bijna altijd een DUIC op de deurmat vindt.
Ruim vijftig procent van de respondenten geeft aan nog nooit zo’n krant in de brievenbus te hebben gehad. De overige veertig procent heeft één keer of een paar maal een krant ontvangen. Huishoudens met een NEE/NEE-sticker zijn buiten de enquête gehouden.
ADVERTEERDERS
De krant schermt met een oplage van 145.000 exemplaren, maar voorzichtige berekeningen laten zien dat ze er hooguit 40.000 bezorgen. Adverteerders reageren onaangenaam verrast op de cijfers. Een grote adverteerder wil niet reageren maar zegt wel contact te zoeken met de krant.
Ook de gemeente Utrecht is een grote adverteerder; de gemeentelijke aankondigingen staan in DUIC. De gemeente is in gesprek met DUIC over de bezorging. Een woordvoerder van de gemeente: “DUIC geeft in een gesprek met de gemeente aan dat de bezorging een permanent punt van aandacht is.”
RTV Utrecht heeft meermalen contact gezocht met de uitgever van DUIC. Die zegt zich niet in de cijfers te herkennen. Joris Daalhuisen van DUIC wil weinig zeggen, het enige inhoudelijk commentaar is: “Het aantal klachten loopt lineair met de indexering, kortom normaal.””

Voorafgaand aan de publicatie heeft verslaggever Van Rossum du Chattel uitgever Daalhuisen per e-mail benaderd. In een e-mail van 8 februari 2016 heeft hij onder meer het volgende geschreven:
“Het viel me op dat ik thuis jullie huis-aan-huisblad nooit krijg. Of dat exemplarisch is, heb ik even gecontroleerd door een mini-peiling onder collega’s die in Utrecht wonen. Dat is niet meer dan een peiling, dus geen representatieve steekproef. Hier de cijfers. (…)
Of anders gezegd, slechts 20,6% van de beoogde oplage wordt bezorgd. Dat is niet een heel bemoedigende score. Ik heb daarom een paar vragen aan je. Klopt het dat de huis-aan-huis versie van DUIC niet goed bezorgd wordt? Hoe komt dat? Wat gaan jullie doen om de bezorging te verbeteren? Zijn jullie adverteerders bekend met de slechte bezorging? Hoe reageren die?”

Hierop heeft Daalhuisen dezelfde dag per mail gereageerd en daarin heeft hij onder meer geschreven:
“Naar aanleiding van je vraag heb ik aan de verspreidorganisatie het meest recente en representatieve bezorgonderzoek Utrecht opgevraagd. Indien ik deze ontvangen heb zal ik deze met je delen.”

Op 9 februari 2016 heeft Daalhuisen in zijn andere reactie onder meer geschreven:
“Ik stuur je zo meteen het meest recente NOM-Utrecht onderzoek per wetransfer (groot bestand), zoals gisteren aangekondigd in de mail. Wij zijn momenteel bezig met onze eigen monitoring betreffende de huidige verspreiding. Indien je nog vragen hebt dan hoor of lees ik het graag.”

Daarop heeft Van Rossum du Chattel diezelfde dag per mail geantwoord als volgt:
“Dank voor je mail, en je bestand. Maar daarmee ga je voorbij aan mijn vragen. Je stuurt ons een onderzoek naar bereikcijfers van lokale gedrukte media. Maar daar komt DUIC HaH niet in voor. Ik heb ook geen vraag over het bereik van je blad, maar over de bezorging oftewel de verspreiding. Inmiddels hebben meer collega’s mijn mini-peiling beantwoord. Dat verandert iets aan de cijfers maar het beeld blijft hetzelfde.
Herken je in het feit dat veel van mijn collega’s zeggen de krant niet te krijgen? Heb je meer klachten over de bezorging? Klopt het dat het merendeel van de adressen zonder nee/nee sticker de krant niet of meestal niet krijgen? Klagen adverteerders over de slechte bezorging? Ben je in overleg met je verspreider? Of heb je de verspreiding zelf georganiseerd? Denk je binnenkort de verspreiding te verbeteren? Dat zijn de vragen die bij me leven. Ik ben minder geïnteresseerd in de bereikcijfers van het Stadsblad cs.”

Naar aanleiding van een ontmoeting met Daalhuisen, die liet weten de mail van 9 februari 2016 nooit te hebben ontvangen, heeft Van Rossum du Chattel die op 19 februari 2016 nogmaals aan Daalhuisen gestuurd. In een e-mail van 23 februari 2016 heeft Daalhuisen hierop gereageerd als volgt:
“Mijn antwoorden heb ik in blauw in je mail gezet. Contactpersoon bij DUIC die zich onder andere bezig houdt met de optimalisering van de verspreiding is Wouter Jacobs. Succes met je belangwekkende onderzoek. (…)
Herken je in het feit dat veel van mijn collega’s zeggen de krant niet te krijgen? Nee Heb je meer klachten over de bezorging? Het aantal klachten loopt lineair met de indexering, kortom normaal. Klopt het dat het merendeel van de adressen zonder nee/nee sticker de krant niet of meestal niet krijgen? Nee Klagen adverteerders over de slechte bezorging? Nee Ben je in overleg met je verspreider? Ja, wij zijn continue in gesprek met de verspreider om het totale verspreidingsproces continue te optimaliseren. Of heb je de verspreiding zelf georganiseerd? Wij zijn als aanvulling op de HaH-verspreiding (complete gemeente Utrecht) bezig om via een fijnmazig netwerk (controlled circulation) van instellingen en organisaties ook onze verspreiding uit te breiden naar Groot Utrecht (…) Denk je binnenkort de verspreiding te verbeteren? Wij zijn continue bezig om ons nieuwsaanbod te verbeteren en te optimaliseren.

In reactie hierop heeft Van Rossum du Chattel diezelfde dag per mail aan Daalhuisen bericht:
“Dank voor je antwoorden. Zodra ik er iets mee doe zal ik je dat melden.”

En in vervolg hierop heeft hij op maandag 29 februari 2016 om 16:06 uur in een e-mail aan Daalhuisen en Jacobs onder meer het volgende geschreven:
“Eerder hadden we contact over de bezorging van DUIC. Jij ontkende toen dat er sprake is van een gebrekkige bezorging. Toch had ik een andere indruk. Daarom hebben we een onderzoek laten uitvoeren door Motivaction onder ons panel. Dat onderzoek bevestigt mijn vermoedens. (…)
Conclusie van dit onderzoek is dat 73,2% van de potentiële DUIC-kranten niet op de daarvoor bestemde plek terecht komt. Wij gaan hier deze week aandacht aan besteden. Ik bied je opnieuw de gelegenheid om te reageren op deze cijfers en mijn bevindingen dat de bezorging van DUIC gebrekkig blijkt. Je mag de vragen uit mijn vorige mails als leidraad gebruiken.”

Op 2 maart 2016 – dus een dag ná de publicatie – heeft Jacobs hierop geantwoord als volgt:
“Kun jij ons voor 15:00u jouw onderzoek sturen? Dat wil zeggen de vragenlijst, een complete responseverantwoording en een telling van alle resultaten.”

Hierna hebben partijen nog uitvoerig per mail gecorrespondeerd en elkaar persoonlijk ontmoet. Dit heeft niet tot een oplossing geleid. In een e-mail van 18 april 2016 heeft Van Rossum du Chattel aan Jacobs onder meer het volgende geschreven:
“Tijdens onze bijeenkomst hebben wij je volledige inzage gegeven in de totstandkoming van onze eerdere berichtgeving over de gebrekkige bezorging van DUIC. (…) Je gaf aan dat je een paar dagen na onze bijeenkomst zou overleggen met Joris. En dat jullie daarna met een reactie zouden komen. Die periode is nu ruim verstreken. (…)
Kom je niet met een reactie, dan stel ik het volgende vast. DUIC heeft voor de publicatie van ons bericht zelf nooit op enige manier serieus onderzoek gedaan naar de bezorging van het blad, en dus heeft DUIC geen idee of die bezorging naar behoren verloopt. DUIC heeft nooit serieus inhoudelijk gereageerd op de strekking en inhoud van onze vragen en onze berichtgeving. En daarmee sluit ik mijn dossier.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster voert aan dat het artikel verregaande, onjuiste beweringen bevat over de kwaliteit van de bezorging van haar huis-aan-huisblad. Dit is potentieel schadelijk voor haar merk en bedrijfsvoering. Zo is ten onrechte vermeld dat er van de oplage van 145.000 bladen slechts 40.000 exemplaren daadwerkelijk worden bezorgd. De omroep heeft deze claim als feit gepresenteerd door te schermen met een onderzoek, aldus klaagster. Volgens haar is de omroep onzorgvuldig en incorrect te werk gegaan bij het trekken van conclusies op basis van het beschikbare onderzoek. Zo zijn er conclusies getrokken over de mate waarin het blad is bezorgd, terwijl in het onderzoek is gevraagd naar de herinnering of het blad is gezien. Verder zijn uitspraken gedaan over de hele stad Utrecht, terwijl slechts bij ongeveer 400 personen een compleet interview is afgenomen. Door te vermelden dat het onderzoek is uitgezet onder 1.000 Utrechters is bovendien de schijn gewekt dat daadwerkelijk 1.000 personen aan het onderzoek hebben deelgenomen. Overigens voldoen de toegepaste opzet en methodiek niet aan de ‘best practices’ om bezorgkwaliteit van bladen en kranten te meten, aldus klaagster. Zij verwijst in dit verband ook naar een analyse van het onderzoek door een onafhankelijke expert en autoriteit op het gebied van bereiksonderzoek.
Klaagster stelt verder dat onvoldoende wederhoor is toegepast. Op maandag 29 februari om 16:05 uur ontving zij een mail van Van Rossum du Chattel, waarin hij klaagster confronteerde met zijn onderzoeksresultaten en meedeelde dat hij ‘deze week’ aandacht aan de kwestie zou besteden. Klaagster benadrukt dat Van Rossum du Chattel met belangwekkende nieuwe ‘feiten’ kwam, namelijk het onderzoek van Motivaction, waarop zij niet eerder had kunnen reageren. Dat zij eerder in de ogen van de omroep wellicht onvoldoende serieus had gereageerd, betekent niet dat zij daarmee haar recht op wederhoor had verloren. Een dag later om 10:52 uur stond het artikel al online. Als zo kort na een verzoek tot wederhoor wordt gepubliceerd, moet in dat verzoek worden gemaand tot spoed, aldus klaagster. Haar ontgaat overigens de noodzaak om zo kort na het verzoek te publiceren.
Tenslotte maakt klaagster er bezwaar tegen dat Van Rossum du Chattel met zijn onjuiste bevindingen een aantal van haar grote adverteerders heeft benaderd. Klaagster ziet niet in waarom dit journalistiek noodzakelijk en/of maatschappelijk relevant was. Zij heeft meermaals in klachtgesprekken het door de omroep geschetste beeld moeten corrigeren.
Klaagster concludeert dat RTV Utrecht door ondeugdelijk journalistiek werk haar belangen heeft geschaad. Zij vraagt de Raad bij zijn beoordeling  te laten meewegen dat partijen directe concurrenten zijn, terwijl klaagster – anders dan de omroep – niet nagenoeg volledig met gemeenschapsgeld wordt gefinancierd. Daarom had de omroep extra zorgvuldig en terughoudend moeten zijn, aldus klaagster.

De omroep stelt hier tegenover dat zij bij de berichtgeving niet over één nacht ijs is gegaan. De eerste DUIC krant is verschenen op 15 december 2015. Op 8 februari 2016 komt Van Rossum du Chattel, die in het verspreidingsgebied woont, tot de conclusie dat hij nog nooit een krant heeft ontvangen. Vervolgens praat hij met enkele collega’s en maakt hij een simpele enquête die hij naar alle collega’s stuurt. De collega’s hebben een bovengemiddelde belangstelling voor de krant, omdat deze zich beweegt in hetzelfde speelveld als de omroep. Zij zijn bekend met het bestaan van de krant en de dingen waarover deze bericht. Het is dus aannemelijk dat de uitkomsten van de enquête betrouwbaar zijn. Tussen 24 en 29 februari 2016 heeft de redactie, gefaciliteerd door onderzoeksbureau Motivaction, panelleden van de omroep benaderd met vragen over de bezorging van de DUIC krant. Die reacties gaven hetzelfde beeld als de minipeiling onder collega’s en waren in lijn met de eigen ervaring van Van Rossum du Chattel. Ten aanzien van de cijfers verwijst de omroep naar een rekenkundige uitleg, waaruit blijkt dat het aantal van 40.000 exemplaren een voorzichtige schatting is, waarbij de marges steeds in het voordeel van DUIC zijn toegepast. De omroep wijst erop dat zij in het artikel niet heeft beweerd dat zij ‘wetenschappelijk’ onderzoek heeft verricht. In het artikel is duidelijk vermeld dat het gaat om een ‘onderzoek van RTV Utrecht’ en een ‘enquête uitgezet onder de panelleden van RTV Utrecht’. Overigens heeft Van Rossum du Chattel ook de gemeente Utrecht benaderd met zijn bevindingen. Dat was relevant omdat de gemeente officiële aankondigingen doet in DUIC. De gemeente bevestigde dat zij met DUIC tenminste één gesprek heeft gevoerd over de bezorging.
Ten aanzien van het recht op wederhoor wijst de omroep erop dat er veelvuldig contact is geweest tussen partijen. Al op 8 februari 2016 heeft Van Rossum du Chattel klaagster benaderd met vragen over de bezorging van haar huis-aan-huisblad. Uiteindelijk heeft klaagster hierop gereageerd in een e-mail van 23 februari 2016, maar de antwoorden wekten de schijn niet erg serieus te zijn. Omdat de publicatie op 29 februari 2016 klaar was, heeft Van Rossum du Chattel klaagster nogmaals benaderd met een globale weergave van de uitkomsten van het onderzoek en de mededeling dat daarover in die week gepubliceerd zal worden. De omroep is de volgende dag tot publicatie overgegaan, omdat zij – vanwege de voorgeschiedenis – niet de verwachting had dat klaagster nu wel met een serieuze reactie zou komen. Vervolgens hebben partijen wederom veelvuldig contact gehad. In een gesprek op 30 maart 2016 heeft Jacobs inzage gekregen in het onderzoek, waarbij hem opnieuw is gevraagd te reageren en hem is toegezegd dat aan die reactie redactioneel aandacht zou worden besteed. Weer is een reactie uitgebleven. De omroep vindt het verwijt dat onvoldoende wederhoor is toegepast dan ook onterecht.
De omroep voert tenslotte aan dat het journalistiek relevant was om adverteerders van klaagster te benaderen. Immers, als een verkoper iets verkoopt dat hij vervolgens niet levert, dan is sprake van een maatschappelijke misstand. Overigens heeft Van Rossum du Chattel nog geprobeerd te voorkomen dat hij met adverteerders zou moeten bellen. Hij heeft klaagster voorafgaand aan de publicatie duidelijk gevraagd of haar adverteerders bekend zijn met de slechte bezorging en hoe zij reageren. Op die vragen heeft klaagster echter niet serieus inhoudelijk gereageerd. Op de zitting deelt Van Rossum du Chattel desgevraagd nog mee dat hij de adverteerders heeft benaderd, voordat hij klaagster op 29 februari 2016 nogmaals benaderde met het verzoek om een reactie.
De omroep meent dat zij zorgvuldig heeft gehandeld. Voor zover sprake is van eenzijdige berichtgeving is dat geheel aan klaagster te wijten. Zij betwist uitdrukkelijk dat haar motieven voor de berichtgeving niet zuiver zouden zijn geweest.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat RTV Utrecht op basis van ondeugdelijk onderzoek onjuiste conclusies heeft getrokken over de bezorging van het huis-aan-huisblad van klaagster en die heeft gepubliceerd, zonder voldoende toepassing van wederhoor. Verder maakt klaagster er bezwaar tegen dat de omroep de onjuiste conclusies heeft voorgelegd aan haar adverteerders.

De Raad meent dat er voor de omroep voldoende aanleiding bestond om te berichten over de krant van klaagster zoals is gedaan. De omroep heeft in het artikel duidelijk gemaakt op welke wijze zij onderzoek heeft verricht naar de bezorging van klaagsters huis-aan-huisblad. Door de vermelding dat sprake is van ‘onderzoek van RTV Utrecht’ en een ‘enquête, uitgezet onder ruim duizend Utrechtse leden van het panel van de omroep’ is het voor lezer goed mogelijk de conclusies op juiste waarde te schatten. Niet is gebleken dat het artikel relevante onjuistheden bevat. De berichtgeving was waarheidsgetrouw en controleerbaar.
Verder heeft de omroep aannemelijk gemaakt dat het journalistiek relevant was om de bevindingen voor te leggen aan de adverteerders van klaagster. Er bestaat geen norm op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat deze handelwijze journalistiek onaanvaardbaar is.
Overigens is niet aannemelijk geworden dat de motieven van de omroep niet integer zijn geweest. In zoverre heeft de omroep journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Duidelijk is dat verslaggever Van Rossum du Chattel al in een vroeg stadium contact heeft gezocht met klaagster met het verzoek te reageren op zijn eerste bevindingen, die daarop uiteindelijk per e-mail van 23 februari 2016 heeft gereageerd. Daarna heeft de omroep echter  een meer omvangrijke enquête gehouden onder haar panelleden, de (mede) daarop gebaseerde conclusies voorgelegd aan een aantal grote adverteerders van klaagster en enkele reacties van die adverteerders in het bericht verwerkt. In dat licht bezien was het des te belangrijker om klaagster nog voldoende gelegenheid te bieden voor aanvullend wederhoor.
De omroep heeft klaagster op 29 februari 2016 om 16:04 uur benaderd met de vermelding dat aan de kwestie ‘deze week’ aandacht zal worden besteed en dat zij de eerdere vragen als leidraad kon nemen. Daarbij is klaagster niet duidelijk gemaakt dat de omroep op basis van het verrichte onderzoek zou berichten ‘dat van de oplage van 145.00 exemplaren er hooguit 40.000 worden bezorgd’ en dat de cijfers ook aan adverteerders zijn voorgelegd. Vervolgens is de omroep – zonder nadere reactie van klaagster – al de volgende dag om 10:52 uur tot publicatie overgegaan. Deze handelwijze vindt de Raad journalistiek onzorgvuldig. Daar komt bij dat klaagster in haar e-mail van 23 februari wel degelijk méér inhoudelijk heeft gereageerd dan is weergegeven in het artikel.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3

CONCLUSIE

Voor zover de klacht is gericht tegen de wijze waarop wederhoor is toegepast heeft RTV Utrecht journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Voor het overige was de handelwijze van de omroep journalistiek zorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan RTV Utrecht om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 2 december 2016 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mr. I.R.J. Barends, dr. H.J. Evers en A. Mellink MPA, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.



Publicatie op rtvutrecht.nl d.d. 6 december 2016