De klacht betreft de publicaties “Oorlog in telefonieland” en “Ergernis om kapen telecomklanten”. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
Klaagster heeft gesteld dat de artikelen tendentieus zijn en veel ongefundeerde beschuldigingen aan haar adres bevatten. Verweerders hebben ervoor gekozen geen verweer te voeren en hebben de Raad geen informatie verschaft omtrent de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van verweerders ernstig wordt bemoeilijkt. De Raad kan geen gefundeerd oordeel geven zonder nader feitenonderzoek, hetgeen door de houding van verweerders niet mogelijk is. De procedure bij de Raad leent zich er niet voor dat de Raad een dergelijk feitenonderzoek buiten (een der) partijen om verricht. De Raad onthoudt zich daarom op dit punt van een oordeel.
Verder overweegt de Raad dat Polman kennelijk de eigenaar van klaagster heeft benaderd voor wederhoor. Deze heeft ervoor gekozen niet inhoudelijk te reageren, in afwachting van de beantwoording van gestelde Kamervragen. De in de berichtgeving opgenomen beweringen over klaagster zijn specifiek en duidelijk. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het geven van een inhoudelijke reactie slechts mogelijk was na beantwoording van de Kamervragen. Dat (de eigenaar van) klaagster niet adequaat heeft gereageerd, kan verweerders niet worden verweten. Gelet op het uitblijven van een inhoudelijke reactie is het begrijpelijk en relevant dat verweerders de eigenaar van klaagster op dit punt hebben geciteerd. Van onjuiste toepassing van wederhoor is geen sprake. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.
Verzoekers hebben een klacht ingediend over de artikelen “BOOR-verdachte ook privé dik met aannemer” en “Meldpunt Lansingerland BOOR-fraude”. De Raad heeft de klacht deels gegrond verklaard (RvdJ 2012/62). Verzoekers hebben verzocht om herziening van deze uitspraak.
Naar het oordeel van de herzieningskamer hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. In het verzoekschrift geven verzoekers te kennen dat zij zich niet kunnen vinden in het oordeel van de Raad dat verweerders hen afdoende in de gelegenheid hebben gesteld om commentaar te geven. Daarnaast zijn verzoekers van mening dat de Raad de in het eerste artikel beschreven feitelijke onjuistheden onvoldoende heeft laten meewegen in zijn oordeel en deze ten onrechte in de uitspraak niet heeft hersteld. Verzoekers hebben in hun verzoekschrift geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op hun klacht. Het verzoekschrift bevat voornamelijk stellingen die verzoekers al in hun klacht hebben geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste feiten heeft gedaan. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de wijze waarop de Raad deze stellingen van verzoekers heeft gewogen in zijn oordeel, is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
In de periode van oktober 2010 tot en met januari 2013 zijn in de Bunschoter diverse artikelen gepubliceerd waarin klager is genoemd dan wel geciteerd.
Voor zover de klacht is gericht tegen publicatiesgedateerd vóór 14 maart 2012, is de klacht niet tijdig door de Raad ontvangen. Klager heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Klager is op dit punt in zijn klacht niet-ontvankelijk. Dat vervolgens opnieuw artikelen over klager zijn verschenen waartegen hij bezwaar maakt, doet daaraan niet af.
Verder overweegt de Raad dat in deze kwestie relevant is dat de publicaties waartegen klager bezwaar maakt, betrekking hebben op het gebruik door klager van zijn spreekrecht inzake gemeentelijke aangelegenheden. Door zijn opstelling creëert klager nieuws. De publicaties betreffen feitelijkheden die in de lokale omgeving als nieuwsfeiten kunnen worden beschouwd. Verweerder is niet gehouden om wederhoor toe te passen als het gaat om de opname van een nieuwsfeit in een jaaroverzicht of de publicatie van voorstellen waarin aan de gemeenteraad wordt voorgelegd de maatregelen tegen klager te verlengen. Verder blijkt uit de stukken dat klager een ingezonden brief aan verweerder heeft gestuurd, die in aangepaste vorm is gepubliceerd. Deze publicatie geeft de standpunten van klager duidelijk weer. De Raad volgt klagers stelling dat verweerder hem niet te woord wil staan of stelselmatig negeert, dan ook niet. Dat verweerder geen beschuldigingen van klagers zijde richting de gemeente en bestuurders wil publiceren indien klager die beschuldigingen niet nader onderbouwd, is evenmin journalistiek ontoelaatbaar. Voor zover de klacht zich richt tegen artikelen die vanaf 14 maart 2012 zijn gepubliceerd, is deze dan ook ongegrond.
Verzoekster heeft een klacht ingediend over een artikel dat gaat Body Dysmorphic Disorder (BDD), waarin zij met haar voornaam is aangeduid en haar uiterlijke kenmerken zijn beschreven. De Raad heeft de klacht ongegrond verklaard (RvdJ 2012/58). Verzoekster heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. In haar verzoekschrift geeft zij een nadere toelichting op haar standpunten, zoals die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing. Aan de hand van haar standpunten bestrijdt verzoekster de overwegingen van de Raad. Er zijn geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op de klacht. Niet aannemelijk is geworden dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoekster zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om haar herzieningsverzoek gegrond te verklaren.
Verzoeker heeft een klacht ingediend over twee uitzendingen van het programma LOS politiek. De Raad heeft de klacht ongegrond verklaard (RvdJ 2012/49). Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op zijn klacht. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om het verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
De klacht betreft het artikel “De zee op als noodkreet” met de onderkop “Hoogbegaafde, dyslectische broers zeggen nergens goed les te kunnen krijgen.” Kern van de klacht is dat verweerders bij de voorbereiding van het artikel in strijd met gemaakte afspraken hebben gehandeld, wat ertoe heeft geleid dat een artikel is verschenen waaruit een beeld naar voren komt waarin klagers zich volstrekt niet kunnen vinden.
De Raad kan niet vaststellen wat in de aanvankelijke gesprekken tussen Besselink en Schillemans is besproken over het doel van het interview, zodat hij niet kan beoordelen of verweerders in dit opzicht al dan niet journalistiek ethisch juist hebben gehandeld. De Raad acht verder niet aannemelijk dat Besselink, zoals Schillemans stelt, met haar zou hebben afgesproken dat het artikel alleen zou worden geplaatst als Schillemans het volledig eens zou zijn met de inhoud van het artikel.
Partijen zijn het er echter over eens dat er in ieder geval een afspraak bestond die inhield dat Schillemans het artikel voor publicatie mocht inzien en feitelijke onjuistheden en verkeerd geciteerde uitspraken mocht corrigeren. Besselink heeft zich voor wat betreft het eerste concept van het artikel aan deze afspraak gehouden. Daarbij merkt de Raad op dat Besselink niet gehouden was alle door Schillemans voorgestelde wijzigingen over te nemen. Uit de stukken blijkt echter dat het artikel daarna aanmerkelijk is gewijzigd zonder dat het opnieuw aan Schillemans is voorgelegd. Dat dit niet is gebeurd vindt de Raad onzorgvuldig, te meer omdat had kunnen worden voorkomen dat er onwaarheden en fouten in het artikel stonden zoals door klagers wordt beweerd.
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op het schenden van de afspraak om het artikel vooraf ter inzage te verstrekken. Voor zover de klacht erop ziet dat verweerders afspraken zouden hebben geschonden over de inhoud van het artikel en over de volgens klagers gestelde voorwaarde dat Schillemans toestemming moest geven voor definitieve publicatie, is deze ongegrond.
Verzoeker heeft een klacht ingediend over het artikel “‘Dat is niet de stad die we willen’” Bij uitspraak van 21 augustus 2012 heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard (RvdJ 2012/46). Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad. Het verzoekschrift bevat een nadere toelichting op de standpunten van verzoeker zoals die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing. Aan de hand van zijn standpunten bestrijdt verzoeker de overwegingen van de Raad. Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Klager maakt bezwaar tegen berichtgeving over omstreden vastgoedtransacties bij woningcorporatie Laurentius. Kern van de klacht is dat verweerders journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld door het vermelden van de namen van klager en diens onderneming, (voormalige) functies van klager en zijn woon- en werklocaties.
De Raad is van oordeel dat de publicaties een maatschappelijk belang dienen. In de artikelen wordt aandacht besteed aan een strafzaak, waarbij een woningcorporatie is betrokken die mede met publieke gelden wordt gefinancierd. Het genoemde bedrijf van klager speelt kennelijk een relevante rol in die strafzaak, nu het bedrijf ervan verdacht wordt betrokken te zijn bij de strafbare feiten. Het is maatschappelijk en journalistiek relevant daarover te berichten op de wijze zoals verweerders hebben gedaan. Verder is voldoende aannemelijk dat klager, gezien zijn (voormalige) functies, in de regio algemene bekendheid geniet. Er is geen sprake van een journalistiek onzorgvuldige aantasting van klagers privéleven.
Met betrekking tot de column overweegt de Raad dat columnisten een grote mate van vrijheid toekomt om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. De grenzen van het toelaatbare worden overschreden wanneer (passages in) columns in redelijkheid geen ruimte laten voor een andere karakterisering dan dat zij kwetsend en beledigend zijn voor personen of bevolkingsgroepen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in het onderhavige geval sprake is.
De klacht betreft het artikel “Aanslag op kantoorvilla, waarschijnlijk om slepende ruzie” van 14 juni 2010. Klagers hebben aangevoerd dat zij op verzoek van de recherche destijds niets hebben ondernomen, dat zij bovendien niet konden uitsluiten dat de aanslag in het geheel niet met hen te maken had en dat niet duidelijk was welke positie zij in het onderzoek innamen. De Raad is van oordeel dat klagers nog in hun klacht kunnen worden ontvangen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat klagers direct nadat hen in januari 2012 duidelijk was geworden dat als gevolg van het onderzoek drie verdachten waren gearresteerd, actie hebben ondernomen en voor het indienen van de klacht eerst contact hebben gezocht met verweerder om te proberen er samen uit te komen.
Kern van de klacht is dat het artikel onjuist en suggestief is, en dat verweerder onvoldoende wederhoor heeft toegepast. Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.
Klagers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat. Het artikel is verder suggestief van aard. Verweerder heeft op zodanige wijze een verband gelegd tussen de aanslag en klagers c.q. hun bedrijf, dat bij de gemiddelde lezer de indruk wordt gewekt dat klagers vanwege een conflict rond vastgoedtransacties wel bij de gebeurtenis betrokken moeten zijn. Niet is gebleken dat voor de diffamerende berichtgeving destijds enige deugdelijke grondslag bestond. Verder hebben klagers voldoende aannemelijk gemaakt dat zij onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld hun visie op de gebeurtenissen te geven alvorens verweerder tot publicatie van het internetartikel zou overgaan. Door zo te handelen en na te laten heeft verweerder journalistiek onzorgvuldig tegenover klagers gehandeld.
Verzoeker heeft een klacht ingediend over het artikel “Weer diplomafraude” met de bovenkop “Docenten HvA klappen uit de school”. Bij uitspraak van 27 juli 2012 (RvdJ 2012/34) heeft de Raad zich onthouden van een oordeel. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Zoals ook blijkt uit het herzieningsverzoek is de kern van de klacht dat in het gewraakte artikel ten onrechte bepaalde uitspraken aan klager zijn toegeschreven. De Raad heeft zich van een oordeel onthouden, waarbij van doorslaggevende betekenis is geweest dat hij niet heeft kunnen vaststellen wat klager in zijn telefoongesprek met de Telegraaf-journalist heeft besproken. In zijn verzoekschrift heeft verzoeker niet beargumenteerd dat en waarom de Raad bij zijn overwegingen ter zake zou zijn uitgegaan van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Het verzoekschrift bevat een nadere toelichting op feiten en omstandigheden die bekend waren bij de Raad ten tijde van de beslissing en op gebeurtenissen die na de behandeling ter zitting hebben plaatsgevonden. Hoewel verzoeker kan worden nagegeven dat in de uitspraak van de Raad ten onrechte gelezen kan worden dat verzoeker zich tijdens het bedoelde telefoongesprek in een rommelige ruimte bevond, is dit onvoldoende om het verzoek tot herziening te honoreren. Deze omissie betreft geen feit waarop de beslissing van de Raad is gebaseerd. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.
Verzoeker heeft een klacht ingediend over een uitzending van Undercover in Nederland van 24 oktober 2011. Bij uitspraak van 22 juni 2012 (RvdJ 2012/33) heeft de Raad zich gedeeltelijk onthouden van een oordeel en verder de klacht ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
In het verzoekschrift geeft verzoeker te kennen dat hij zich niet kan vinden in de gewraakte uitzending, de journalistieke handelwijze en de uitspraak van de Raad. Het verzoekschrift bevat voornamelijk stellingen die verzoeker al in zijn klacht heeft geformuleerd. De uitspraak van de Raad berust niet op een bepaalde (volgens verzoeker onjuiste) zienswijze over het syndroom van Asperger. De Raad heeft zich juist uitdrukkelijk onthouden van een oordeel waar het gaat om de feitelijke (on)juistheden met betrekking tot het syndroom van Asperger. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de uitspraak van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
De herzieningskamer benadrukt dat indien de Raad zich in een uitspraak over (een onderdeel van) een klacht uitdrukkelijk heeft onthouden van een oordeel, niet middels een herzieningsverzoek kan worden bewerkstelligd dat de Raad alsnog een oordeel uitspreekt. Dit kan anders zijn indien het herzieningsverzoek berust op relevante nieuwe feiten en omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, maar bij de klager niet bekend waren of bij hem redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Daarvan is hier geen sprake.
Klager maakt bezwaar tegen twee uitzendingen van LOS politiek. Volgens klager is in interviews over hem gesproken, waarbij hij ten onrechte niet de gelegenheid heeft gehad te reageren.
De Raad stelt voorop dat er geen algemeen recht is op dan wel algemene verplichting is tot het horen van degenen die betrokken zijn bij een publicatie. Dit is anders indien een betrokkene door een publicatie wordt gediskwalificeerd. In de publicaties wordt in algemene termen bericht over problematiek rondom klager. Volgens de Raad zijn in de uitzendingen echter geen diskwalificerende opmerkingen gemaakt ten aanzien van klager. Dat klager bekend is in de lokale gemeenschap, waardoor bij inwoners bekend zou kunnen zijn welke problematiek en welke persoon het betreft, maakt dit oordeel niet anders. Verweerder behoefde geen wederhoor toe te passen.
Dat verweerder daarnaast in een van de uitzendingen ter ondersteuning van het interview gebruik heeft gemaakt van een in een openbare ruimte – te weten de raadszaal van de gemeente – gefilmd fragment, is evenmin ontoelaatbaar.
Voor zover klager heeft bedoeld zijn klacht te richten tegen een artikel dat in januari 2010 op de website www.emerce.nl is verschenen, is de klacht niet tijdig door de Raad ontvangen. De door klager aangevoerde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn. Klager is op dit punt in zijn klacht niet-ontvankelijk.
Daarnaast is de klacht gericht tegen reacties die in januari en mei 2012 onder het artikel zijn geplaatst. De reactie van januari bevat in het geheel geen beschuldiging aan het adres van klager. Verder bevat de reactie van mei 2012 – met de verwijzing naar de website www.ihate[X].com – geen zodanige ernstige beschuldiging of een diffamerende uitlating jegens klager, dat deze door verweerders verwijderd had moeten worden. De redactie heeft ten aanzien van hyperlinks in reacties van derden een minder vergaande verantwoordelijkheid dan bij plaatsing van een hyperlink in een redactioneel stuk, waarbij op grond van punt 2.2.7. van de Leidraad een belangenafweging moet plaatsvinden. Verweerders hebben ter zake niet ontoelaatbaar gehandeld.
In januari 2010 is op de website www.emerce.nl een artikel verschenen over het faillissement van een bedrijf waarvan klager op dat moment aandeelhouder was. In september 2010 heeft verweerder reacties onder dit artikel geplaatst. De klacht is niet tijdig bij de Raad binnengekomen. Er is onvoldoende grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding klager redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen. Klager is in dit onderdeel van zijn klacht niet-ontvankelijk.
Verder heeft klager aangevoerd dat verweerder oprichter is van de website http://ihate[X].com en kan worden aangesproken op het publiceren van teksten op deze site. Verweerder heeft dat gemotiveerd betwist. De Raad kan onvoldoende beoordelen welk standpunt juist is. Niet kan worden vastgesteld of de website http://ihate[X].com c.q. de daar op verschenen teksten door verweerder zijn gemaakt dan wel dat verweerder op enigerlei wijze aan deze website is verbonden. De Raad onthoudt zich daarom op dit punt van een oordeel.
In het Brabants Dagblad is een artikel verschenen onder de kop “Aangifte smaad tegen CDA’ers Maasdriel” en de bovenkop “Klacht – Politie toetst of er voldoende reden is voor strafvervolging”. De klacht richt zich met name op het gebruik van de term ‘smaad’ en tegen het vermelden van namen van personen tegen wie de aangifte van klager zou zijn gericht. De Raad stelt vast dat in een door klager overgelegde brief aan de politie, waarin klager zijn aangifte heeft beschreven, als vermoedelijke verdachten de in het artikel genoemde personen met naam zijn vermeld. Er is in dit opzicht geen sprake van onjuiste berichtgeving. Met betrekking tot het gebruik van de term ‘smaad’ overweegt de Raad verder dat in het door klager overgelegde proces-verbaal van aangifte is vermeld dat klager aangifte heeft gedaan van ‘belediging, smaad, smaadschrift en laster’. Verweerders hebben niet ontoelaatbaar gehandeld door dit samen te vatten met het begrip ‘smaad’.
Verder is op de website van het Brabants Dagblad het artikel “Vragen over Pasnagelshof” verschenen, waaronder reacties zijn geplaatst. De door klager beschreven reacties bevatten geen zodanig ernstige beschuldiging of diffamerende uitlating jegens hem, dat deze door verweerders verwijderd hadden moeten worden. Verweerders hebben ter zake niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld.
Ten slotte heeft klager gesteld dat verweerders hebben geweigerd een door hem geplaatste reactie te publiceren. Verweerders hebben daar tegenover gesteld dat zij met een dergelijke weigering niet bekend zijn. De Raad kan op grond van de standpunten van partijen niet vaststellen of het standpunt van klager juist is en onthoudt zich daarom van een oordeel op dit punt.
De klacht betreft het artikel “Kinderporno kijken om vrouw te sarren”, dat gaat over een strafzaak tegen de echtgenoot van klaagster. Kern van de klacht is dat in het artikel aan klaagster wordt toegeschreven dat zij heeft gezien dat haar echtgenoot ‘het laatst pornofoto’s van peuters heeft bekeken en eerst denkt de gekiekte kinderen te herkennen’. Klaagster heeft gesteld dat zij nooit foto’s van peuters heeft gezien en dat dus ook nooit heeft verklaard. Verweerders hebben daar tegenover gesteld dat dit zo door de rechtbankpresident op de rechtszitting naar voren is gebracht en dat de verslaggeving derhalve correct is. De Raad meent dat voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis nodig is ten aanzien van hetgeen op de rechtszitting is besproken, dan waarover hij beschikt. Op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de stukken die zij hebben overgelegd kan onvoldoende worden beoordeeld welk standpunt juist is. Het proces-verbaal, waaruit klaagster heeft voorgelezen, behelst geen woordelijk verslag en kan derhalve geen uitsluitsel bieden. De Raad onthoudt zich daarom van een oordeel over de klacht.
Op 30 november 2011 is op de website van PowNed het bericht “Buma/Stemra bestuurder corrupt” met de onderkop “Buma/Stemra bestuurder Jochem Gerrits maakt misbruik van zijn functie” verschenen. Kort gezegd gaat het bericht over een conflict tussen Gerrits en componist Melchior Rietveldt. In diverse uitzendingen van PowNews van diezelfde dag en daarna, en in andere artikelen op de website is aan de kwestie aandacht besteed. In de uitzending van 30 november 2011 zijn fragmenten getoond van R. Storm – adviseur van Rietveldt – die vanuit de studio van verweerder met Gerrits belt en daarbij aanwijzingen krijgt van een medewerker van verweerder. In een bericht dat op 1 december 2011 op de website van PowNed is geplaatst, is een link opgenomen naar de volledige opname van het telefoongesprek.
De Raad overweegt dat Gerrits in de uitzending van 30 november 2011 wordt verweten zich schuldig te maken aan corruptie. Dit is een zeer ernstige beschuldiging, die louter lijkt te zijn gebaseerd op de beweringen van Rietveldt en Storm – waarmee Gerrits in conflict is – en de getoonde fragmenten van een telefoongesprek dat Gerrits heeft gevoerd met Storm. In dat verband is relevant dat klagers onbetwist hebben gesteld dat het telefoongesprek zonder medeweten van Gerrits is opgenomen en uitgezonden c.q. gepubliceerd. Klagers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder met het instrueren van Storm bij het voeren van het telefoongesprek Gerrits uitspraken heeft ontlokt, terwijl bovendien door de wijze van montage van het telefoongesprek – dat ongeveer een half uur heeft geduurd, terwijl slechts enkele minuten zijn getoond – het gesprek een andere lading heeft gekregen en geen recht doet aan de essentie daarvan. Uit de uitzending is niet gebleken dat voor de beschuldiging van corruptie een nadere onderbouwing bestond. Bovendien is niet gebleken dat klagers voorafgaand aan de uitzending van 30 november 2011 de mogelijkheid tot wederhoor is geboden. Door op 30 november 2011 over klagers te berichten en daarop in latere berichtgeving voort te borduren op de wijze zoals hij heeft gedaan, heeft verweerder journalistiek onzorgvuldig jegens klagers gehandeld.
Dat verweerder later in een publicatie op zijn website een link heeft opgenomen naar het volledige telefoongesprek tussen Gerrits en Storm laat het voorgaande onverlet: in de uitzending van 30 november is niet kenbaar gemaakt dat het volledige telefoongesprek via de website van verweerder te beluisteren was, nog daargelaten de vraag of in dit geval van de gemiddelde kijker kan worden verwacht dat hij na een uitzending van slechts enkele minuten vervolgens via internet een telefoongesprek van ongeveer 30 minuten zal beluisteren om zich zo een beter beeld van de kwestie te kunnen vormen. Evenmin kan aan het oordeel afdoen dat verweerder later geprobeerd heeft Gerrits te interviewen, te meer omdat Gerrits – gelet op de eerdere opstelling van verweerder – dit niet behoefde te beschouwen als een serieuze gelegenheid tot het bieden van een weerwoord.
De klacht betreft het artikel “Docenten HvA openen diplomabeerput”. Kern van de klacht is dat klager onjuist is geciteerd en dat gemaakte afspraken over het recht op inzage en correctie door verweerders niet zijn nagekomen. Verweerders hebben ervoor gekozen geen verweer te voeren en hebben de Raad dus geen informatie verschaft over de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van verweerders ernstig wordt bemoeilijkt. In het bijzonder in deze zaak is voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis nodig ten aanzien van hetgeen klager in een telefoongesprek met Nijen Twilhaar heeft besproken en ten aanzien van de inhoud van de gemaakte afspraken, dan waarover de Raad beschikt. De Raad meent dat hij louter op basis van hetgeen klager heeft aangevoerd en de door klager overgelegde stukken onvoldoende kan beoordelen of de standpunten van klager al dan niet juist zijn. Daarom onthoudt de Raad zich van een oordeel over de klacht.
In een uitzending van Undercover in Nederland is aan de orde gesteld dat klager zich aanbiedt als spermadonor en daarbij niet meldt dat hij een erfelijke aandoening – te weten het syndroom van Asperger – heeft. In de uitzending zijn beelden getoond van klager die met een verborgen camera zijn gemaakt en beelden van een confrontatie tussen klager en Stegeman.
De Raad kan niet vaststellen of het syndroom van Asperger al dan niet erfelijk is. Genoegzaam blijkt dat daarover in de wetenschap (nog) geen consensus bestaat. Voor zover klager heeft betoogd dat de uitzending feitelijke onjuistheden over het syndroom van Asperger bevat, zal de Raad zich derhalve van een oordeel onthouden.
Voorts maakt de Raad uit het beschikbare materiaal op dat het syndroom van Asperger door sommigen als een ziekte wordt beschouwd en dat dit syndroom (ook) negatieve aspecten kent.
In dit licht bezien is het maatschappelijk en journalistiek relevant om de handelwijze van klager aan de kaak te stellen en daarbij een kritische benadering te kiezen, op de wijze zoals verweerders hebben gedaan. Het is voldoende aannemelijk dat de uitzending is gebaseerd op eigen onderzoek van verweerders, dat zij naar aanleiding van diverse tips hebben verricht. Dat de handelwijze van klager door het grote publiek waarschijnlijk als moreel verwerpelijk zal worden opgevat, blijkt genoegzaam uit hetgeen de geïnterviewden hebben verteld. Relevant is dat niet alleen direct betrokkenen (wensmoeders) aan het woord zijn gelaten, maar ook personen die objectief bezien als deskundigen beschouwd mogen worden. Dat klager zich in de zienswijze van deze deskundigen niet kan vinden, doet daaraan niet af.
Verder is de Raad van oordeel dat de beelden van klager die met een verborgen camera zijn gemaakt, concretiseringen en bijzonderheden ten aanzien van de handelwijze van klager bevatten, die aan de uitzending authenticiteit en daarmee een relevante meerwaarde gaven. Het is niet aannemelijk dat verweerders dit ook op andere wijze hadden kunnen realiseren. Gezien de omstandigheden is de handelwijze van verweerders niet ontoelaatbaar. Daarbij komt dat klagers naam niet is vermeld, dat zijn gezicht onherkenbaar is gemaakt en dat zijn stem is vervormd. Van een ontoelaatbare schending van klagers privacy is geen sprake. Dat klager wellicht in kleine kring is herkend, kan daaraan niet afdoen.
Bovendien hebben verweerders wederhoor toegepast. Stegeman heeft klager op straat met zijn bevindingen geconfronteerd. Het onvoorbereid met draaiende camera aan een betrokkene vragen om een reactie kan in beginsel niet worden aangemerkt als een serieuze manier tot het bieden van een gelegenheid tot wederhoor. Nu blijkt dat verweerders klager c.q. diens raadsman nadien nog herhaaldelijk hebben aangeboden op een andere, aanvaardbare wijze op de beschuldigingen te reageren, moet worden geconcludeerd dat klager voldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden. Dat klager van die gelegenheid geen adequaat gebruik heeft gemaakt, kan verweerders niet worden tegengeworpen.
De Raad kan verder niet vaststellen in hoeverre de antwoorden van klager zijn gemonteerd. Van het plaatsen in een bewust misleidende context is geen sprake. Niet aannemelijk is geworden dat een zodanig vertekend beeld van klager is geschetst, dat daarmee jegens hem journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. Evenmin is aannemelijk geworden dat Stegeman klager zou hebben bedreigd en/of geïntimideerd.
Klager heeft nog gesteld dat gebruik is gemaakt van gestolen informatie, te weten informatie die afkomstig is van zijn ex-partner en van een van de wensmoeders, die beiden wraak wilden nemen. De Raad kan niet vaststellen of deze bronnen onoorbaar hebben gehandeld. Wat daar van zij, klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerders ontoelaatbaar hebben gehandeld door van deze bronnen gebruik te maken.
Gelet op het voorgaande bestond voor verweerders geen aanleiding een rectificatie te publiceren, zodat ook op dat punt de klacht ongegrond is.
Verzoeker heeft een klacht ingediend over een uitzending van TROS Radar waarin aandacht is besteed aan zogeheten ‘celstress’ en met name aan de Duitse fabrikant van zogeheten Memon-apparatuur. Bij uitspraak van 17 februari 2012 heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard (RvdJ 2012/4). Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Volgens de herzieningskamer blijkt uit de overwegingen van de Raad geenszins dat de Raad ten onrechte ervan is uitgegaan dat verzoeker in dienst zou zijn van Memon. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de Raad voorbij is gegaan aan de klacht van verzoeker en diens belangen. De Raad heeft in zijn overwegingen duidelijk vermeld waarom de handelwijze van verweerder niet ontoelaatbaar is geweest, dat klager in de uitzending niet algemeen herkenbaar is, dat ‘al het voorgaande in aanmerking genomen geen toestemming van klager nodig was om de beelden uit te zenden’ en dat ‘mede in aanmerking genomen hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de privacy van klager, verweerder niet gehouden was tevens wederhoor bij klager toe te passen.’
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Dat verzoeker zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Hoewel verzoeker kan worden nagegeven dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte over ‘elektrische lading’ heeft gesproken – nu dit kennelijk ‘elektromagnetische straling’ moet zijn – is zulks onvoldoende om het verzoek tot herziening te honoreren. Deze omissie betreft geen feit waarop de beslissing van de Raad is gebaseerd.
Verzoekster heeft een klacht ingediend tegen diverse publicaties in De Telegraaf. Bij uitspraak van 15 maart 2012 heeft de Raad de klachten van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. Kern van het verzoek is dat klaagster zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad over de toepassing van wederhoor en de juistheid van de kop van het artikel “Tandenbleker doet veel zwart”. Verweerder heeft niet op het herzieningsverzoek gereageerd.
Volgens de herzieningskamer volgt uit de uitspraak van de Raad dat verzoekster ter zitting heeft meegedeeld dat zij ervoor heeft gekozen om na een op 28 november 2011 met verweerder gevoerd telefoongesprek geen reactie meer te geven. Dit betwist klaagster niet specifiek. De nu door klaagster ingenomen stelling dat verweerder na dat telefoongesprek aan haar had meegedeeld geen behoefte aan een reactie te hebben, is niet verifieerbaar. Het is niet aannemelijk geworden dat de beslissing van de Raad in dit opzicht berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Daarnaast blijkt dat verzoekster zich niet kan vinden in het oordeel van de Raad met betrekking tot de overwegingen over de kop van een artikel. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening toe te wijzen.
Klager maakt bezwaar tegen een uitzending van Opgelicht?! waarin aandacht aan hem is besteed. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
In de uitzending is aandacht besteed aan het feit dat klager diverse vrouwen zou hebben bedrogen, waardoor zij in financiële problemen zouden zijn gekomen. Volgens de Raad valt niet in te zien dat verweerders niet over klager hadden mogen berichten, zoals zij hebben gedaan. Uit het beschikbare materiaal maakt de Raad op dat voor de aan het adres van klager geuite beschuldigingen voldoende grondslag bestond. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad)
De Raad overweegt verder dat het onvoorbereid met draaiende camera aan een betrokkene vragen om een reactie – vanwege het intimiderende karakter ervan – in beginsel niet kan worden aangemerkt als een serieuze manier tot het bieden van een gelegenheid tot wederhoor. De exacte gang van zaken voorafgaand aan de confrontatie tussen klager en Van Asseldonk kan niet worden vastgesteld, mede doordat klager zichzelf heeft tegengesproken. Uit de uitzending en uit hetgeen klager heeft aangevoerd blijkt echter dat klager tijdens het gesprek met Van Asseldonk beschikte over een dossier met relevante informatie. Bovendien blijkt uit de uitzending dat Van Asseldonk tijdens de confrontatie aan klager duidelijk heeft meegedeeld waarop het commentaar betrekking moest hebben en dat zij klager de mogelijkheid heeft gegeven op de beschuldigingen te reageren. Dit gesprek heeft kennelijk ongeveer 40 minuten geduurd, waarbij klager is meegegaan in het gesprek. Daarnaast blijkt uit de door klager overgelegde opname van het telefoongesprek dat hij met Van Asseldonk heeft gevoerd, dat hem toen de mogelijkheid is geboden aanvullende stukken te overleggen. Klager is derhalve ruimschoots in de gelegenheid gesteld op de aan zijn adres geuite beschuldigingen te reageren en zijn visie kenbaar te maken. Uit de stukken die klager heeft overgelegd, kan naar het oordeel van de Raad niet worden opgemaakt in hoeverre klager van de mogelijkheid tot het overleggen van informatie gebruik heeft gemaakt en derhalve ook niet dat de door klager (tot dan toe) gegeven reactie op journalistiek onzorgvuldige wijze is weergegeven c.q. dat de door hem verstrekte informatie op onjuiste wijze in de uitzending is verwerkt. Dat klager van de hem geboden gelegenheid tot wederhoor wellicht niet adequaat gebruik heeft gemaakt, kan verweerders niet worden verweten. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad en vgl. RvdJ 2011/13)
Verder is niet gebleken dat de uitzending relevante feitelijke onjuistheden bevat of dat verweerders anderszins journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld.
Post en de Leeuwarder Courant hebben herziening verzocht van de uitspraak van de Raad betreffende de klacht van X over twee publicaties met de kop “Tandarts naar rechter om eigen praktijk”. Bij uitspraak van 19 december 2011 (RvdJ 2011/87) heeft de Raad de klacht gegrond verklaard, voor zover deze betrekking had op de onjuiste vermelding dat klager in het BIG-register opgenomen wenste te worden, de onvolledige – en daarmee tendentieuze – berichtgeving over het verleden van klager, en de vermelding van zijn volledige naam. Voor zover de klacht betrekking had op vermelding van overige feitelijke onjuistheden, was de klacht ongegrond.
Kern van het herzieningsverzoek is dat de Raad zijn oordeel dat sprake is van onvolledige berichtgeving ten onrechte heeft gebaseerd op de aanname dat wanneer wordt gesproken over klachten van patiënten, dit automatisch klachten bij het Medisch Tuchtcollege zouden moeten zijn. Verzoekers menen dat wanneer de herzieningskamer besluit tot herziening van dit oordeel, ook de grond vervalt dat de naam van klager in de berichtgeving niet genoemd had mogen worden.
Volgens de herzieningskamer is niet gebleken dat de uitspraak van de Raad is gebaseerd op de aanname dat de term ‘klachten’ zou zijn voorbehouden aan klachten die bij het Medisch Tuchtcollege zijn ingediend. Naar het oordeel van de herzieningskamer berust de gewraakte uitspraak niet op een door de Raad onjuist aannemelijk geacht feit, namelijk dat pas sprake kan zijn van een klacht als het een klacht is die bij het Medisch Tuchtcollege is ingediend. Als gevolg daarvan komt de herzieningskamer niet toe aan inhoudelijke herziening van het oordeel dat sprake is van tendentieuze berichtgeving en ten onrechte de naam van klager is vermeld. Voor het overige berust het herzieningsverzoek erop dat verzoekers zich niet kunnen vinden in het oordeel van de Raad. Dat is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Verzoeker heeft een klacht ingediend over de artikelen “Zaaddonor (30) zwijgt over ziekte” en “Door mijn ziekte geef ik kinderen een hoger IQ”. Bij uitspraak van 24 november 2011 (RvdJ 2011/78) heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad betreffende het oordeel over de handelwijze van verweerders in het kader van onder meer de selectie van bronnen en de geuite beschuldigingen. Voorts wordt volgens verzoeker ten onrechte overwogen dat sprake is van een (mogelijk zelfs deels erfelijke) vorm van autisme.
Volgens de herzieningskamer is niet gebleken dat de uitspraak van de Raad is gebaseerd op een onjuiste aanname over de gevolgen, achtergrond of kenmerken van het syndroom van Asperger. De publicatie in het AD was erop gericht aan de kaak te stellen dat verzoeker jegens vrouwen voor wie hij als zaaddonor wilde optreden, verzwijgt dat hij het syndroom van Asperger heeft (en dat hij daarnaast over enkele andere persoonlijke feiten onjuiste informatie geeft). Volgens de uitspraak van de Raad hebben verweerders niet ontoelaatbaar gehandeld door over klager te publiceren op de wijze waarop zij dat hebben gedaan. Daarbij heeft de Raad uitdrukkelijk overwogen dat dit oordeel ook geldt indien sprake is van feitelijke onjuistheden omtrent de berichtgeving over het syndroom van Asperger. De uitspraak van de Raad berust niet op een bepaalde (volgens verzoeker onjuiste) zienswijze over het syndroom van Asperger, maar op het feit dat verzoeker dat syndroom in zijn contacten met wensmoeders verzwijgt.
Voor het overige berust het herzieningsverzoek daarop dat verzoeker zich niet kan vinden in de gewraakte berichtgeving, de journalistieke handelwijze en het oordeel van de Raad. Dat is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.
Het bestuur van de Stichting Raad voor de Journalistiek bestaat uit vertegenwoordigers van de participanten. Het bestuur benoemt de leden van de Raad voor de Journalistiek en stelt...
Het deel van de zitting waarbij ten minste een van de partijen (klager en/of verweerder) aanwezig is, is openbaar tenzij de voorzitter in het belang van de zaak van klager of van...
De berichtgeving over de vliegramp van vorige week in Tripoli en met name een artikel in De Telegraaf van 14 mei jl. – waarin is geciteerd uit een telefoongesprek met de minderjarige...