Klager maakt bezwaar tegen de uitzending “Commotie op Curaçao” Kern van de klacht is dat onvoldoende wederhoor is toegepast en dat eenzijdig en tendentieus is bericht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestaat.
In de uitzending zijn de politieke situatie in Curaçao, het uitgelekte memo van de Veiligheidsdienst en de (mogelijke) rol van klager daarbij aan de orde gesteld. Het kan maatschappelijk relevant en journalistiek geboden zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klager bij onoorbare praktijken. Verweerders hebben aannemelijk gemaakt dat zij deugdelijk onderzoek hebben verricht en dat er voldoende aanleiding bestond over de kwestie te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. De uitzending laat de kijker voldoende ruimte om zich een eigen oordeel te vormen over de handelwijze van klager. Verweerders hebben in zoverre niet ontoelaatbaar gehandeld.
Dit neemt niet weg dat een journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor dient toe te passen bij de betrokkene die door een publicatie wordt gediskwalificeerd. In de uitzending worden aantijgingen aan klagers adres geuit die hem (ook) persoonlijk betreffen. Het vragen van een reactie aan de communicatieafdeling van klager kan in zo een geval niet worden gezien als een deugdelijke toepassing van het beginsel van wederhoor. Klager had zelf in de gelegenheid moeten worden gesteld op de beschuldigingen te reageren. Verweerders hadden klager daarvoor tijdig behoren te benaderen en daarbij rekening dienen te houden met de omstandigheid dat klager – gezien zijn functie – mogelijk beperkt beschikbaar zou zijn. Zij hebben echter pas kort vóór de uitzending getracht klager te benaderen en toen bleek dat klager op het door verweerders gewenste moment niet in het land was, hebben zij hem uiteindelijk niet meer de mogelijkheid gegeven zelf te reageren. Op 13 april 2012 heeft de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken van Curaçao er bij verweerders nog op aangedrongen dat alsnog te doen. Dat verzoek hadden verweerders in dit geval niet naast zich neer mogen leggen. Verweerders hebben onder deze omstandigheden het beginsel van wederhoor niet deugdelijk toegepast. Op dit punt is de klacht dan ook gegrond.
De klacht betreft een publicatie over Body Dysmorphic Disorder, waarin klaagster met haar voornaam is aangeduid. De stoornis gaat over mensen die geobsedeerd zijn door hun uiterlijk. Het is journalistiek relevant om de uiterlijke kenmerken van klaagster te beschrijven, ook omdat uit het artikel blijkt dat een van die kenmerken de katalysator is geweest voor de stoornis van klaagster. Dat klaagster door haar directe omgeving in de publicatie is herkend, kan aan het oordeel niet afdoen. Van doorslaggevende betekenis is, dat klaagster haar verhaal heeft gedaan tijdens een symposium. De passage over klaagster is niet meer dan een herhaling van door haar zelf in het openbaar gegeven informatie. Niet kan worden geconcludeerd dat klaagsters privacy disproportioneel is geschaad.
Klaagster behoefde niet in de gelegenheid te worden gesteld om te reageren. Overigens heeft een journalist in het algemeen geen toestemming voor of instemming met een publicatie nodig van degene over wie hij publiceert. Weliswaar hebben verweerders duidelijk gemaakt dat zij de gang van zaken achteraf betreuren en dat het beter zou zijn geweest als klaagster vooraf over de publicatie was geïnformeerd, maar dit betekent niet dat zij journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
Voor zover klaagster heeft gesteld dat zij ten onrechte als ‘patiënt’ is aangeduid, overweegt de Raad dat in de uitnodiging voor het symposium is vermeld dat een ‘interview met patiënt’ zou plaatsvinden. Daarnaast volgt uit het artikel dat psychiaters de mening zijn toegedaan dat de stoornis chronisch is. Verder blijkt voldoende duidelijk dat klaagster meent dat zij over haar stoornis is heengegroeid. Dat niet is vermeld dat klaagster op een symposium heeft gesproken, is geen relevante omissie.
Verweerders hebben met de publicatie niet ontoelaatbaar gehandeld. Dat neemt niet weg dat het beter zou zijn geweest als zij sneller hadden gereageerd, nadat klaagster haar bezwaren aan hen had kenbaar gemaakt, en eerder hun spijt over de gang van zaken hadden betuigd. Daarmee zou wellicht de procedure bij de Raad zijn voorkomen.
Verzoeker heeft een klacht ingediend over de artikelen “Zaaddonor (30) zwijgt over ziekte” en “Door mijn ziekte geef ik kinderen een hoger IQ”. Bij uitspraak van 24 november 2011 (RvdJ 2011/78) heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak. Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad betreffende het oordeel over de handelwijze van verweerders in het kader van onder meer de selectie van bronnen en de geuite beschuldigingen. Voorts wordt volgens verzoeker ten onrechte overwogen dat sprake is van een (mogelijk zelfs deels erfelijke) vorm van autisme.
Volgens de herzieningskamer is niet gebleken dat de uitspraak van de Raad is gebaseerd op een onjuiste aanname over de gevolgen, achtergrond of kenmerken van het syndroom van Asperger. De publicatie in het AD was erop gericht aan de kaak te stellen dat verzoeker jegens vrouwen voor wie hij als zaaddonor wilde optreden, verzwijgt dat hij het syndroom van Asperger heeft (en dat hij daarnaast over enkele andere persoonlijke feiten onjuiste informatie geeft). Volgens de uitspraak van de Raad hebben verweerders niet ontoelaatbaar gehandeld door over klager te publiceren op de wijze waarop zij dat hebben gedaan. Daarbij heeft de Raad uitdrukkelijk overwogen dat dit oordeel ook geldt indien sprake is van feitelijke onjuistheden omtrent de berichtgeving over het syndroom van Asperger. De uitspraak van de Raad berust niet op een bepaalde (volgens verzoeker onjuiste) zienswijze over het syndroom van Asperger, maar op het feit dat verzoeker dat syndroom in zijn contacten met wensmoeders verzwijgt.
Voor het overige berust het herzieningsverzoek daarop dat verzoeker zich niet kan vinden in de gewraakte berichtgeving, de journalistieke handelwijze en het oordeel van de Raad. Dat is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.
De oorsprong van de Raad voor de Journalistiek gaat terug tot 1948. In de jaren van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog ontstond er onder Journalistenverenigingen de behoefte om een...