2. Journalistieke werkwijze
2.1. Open vizier
2.1.1. Bij het vergaren van informatie maakt de journalist zich als zodanig bekend.
2.1.2. De journalist lokt geen incidenten uit met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren.
2.1.3. De journalist steelt geen informatie(dragers) en betaalt evenmin voor gestolen informatie(dragers).2
2.1.4. De journalist betaalt getuigen en informanten niet voor verhalen, foto’s en andere informatie, tenzij het een redelijke onkostenvergoeding betreft.
2.1.5. De journalist kan afwijken van hetgeen onder de punten 2.1.1., 2.1.3. en 2.1.4. is bepaald, indien een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier kan worden bereikt.3
2.1.6. Het gebruik van verborgen opname-apparatuur4, het overvallen van personen met draaiende camera en openstaande microfoon en het zich toegang verschaffen tot niet-openbare ruimten zonder zich als journalist bekend te maken, is niet toelaatbaar. Hiervan kan de journalist alleen afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy en de veiligheid van betrokkenen.
Voordat een redactie besluit tot publicatie of uitzending van de gesprekken en beelden die volgens de voornoemde werkwijzen zijn vergaard, dient zij het belang dat met de openbaarmaking wordt gediend, af te wegen tegen de inbreuk die de publicatie of uitzending maakt op rechten en rechtmatige belangen van betrokkenen.
2.1.7. Het staat een journalist vrij een telefoongesprek op te nemen wanneer dit nodig is om een onbetwistbare en zo adequaat mogelijke weergave van het besprokene te kunnen publiceren. Wanneer hij de geluidsopname zelf, of delen daarvan, openbaar wil maken, dient hij echter vooraf toestemming van de geïnterviewde te verkrijgen.
2.2. Bronnen
2.2.1. Teneinde het publiek zo goed mogelijk te informeren maakt de journalist bij voorkeur zijn bronnen bekend.
2.2.2. De journalist beschermt de identiteit van zijn bronnen aan wie hij vertrouwelijkheid heeft toegezegd, en van bronnen van wie hij wist of kon weten dat zij hem informatie hebben toegespeeld in de verwachting dat hij hun identiteit niet zou onthullen.
2.2.3. Van informatie die hem is toegespeeld en van informatie die hem is meegedeeld door bronnen van wie hij de identiteit niet kan onthullen, maakt hij alleen gebruik wanneer hij de betrouwbaarheid ervan heeft onderzocht, en de publicatie ervan voldoende nieuwswaarde heeft, een maatschappelijk belang dient en geen onevenredig groot gevaar voor personen oplevert.
2.2.4. Voor het publiceren van geruchten hoeft de journalist niet de feitelijke juistheid ervan aan te tonen. Wel moet hij vermelden dat het om een gerucht gaat en aannemelijk kunnen maken dat de geruchten waarop hij zich baseert, ook daadwerkelijk circuleren en de publicatie een maatschappelijk belang dient.
2.2.5. Bij het publiceren van beschuldigingen onderzoekt de journalist of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Bijzondere zorgvuldigheid is geboden in het geval van publicatie van beschuldigingen die afkomstig zijn van personen die ten tijde van de verstrekking van de informatie in conflict zijn met de beschuldigde, of anderszins belanghebbende zijn.
2.2.6. De journalist gaat alleen over tot publicatie van (hyperlinks naar) vertrouwelijke rapporten, of gedeelten ervan, wanneer de publicatie ervan voldoende nieuwswaarde heeft, een maatschappelijk belang dient en geen onevenredig groot gevaar voor personen oplevert.
2.2.7. De redactie die door middel van een duidelijk aangegeven hyperlink verwijst naar informatie van derden, is niet zonder meer verantwoordelijk voor de inhoud van de onderliggende informatie. Wel dient zij steeds een afweging te maken of het belang dat met het plaatsen van een hyperlink in de publicatie is gediend, zwaarder weegt dan de belangen die hierdoor mogelijk worden geschaad.
2.2.8. Internet met de hieraan gekoppelde zoekmachines heeft de toegankelijkheid van archiefbestanden sterk vergroot. Het publieke belang van zo volledig mogelijke, betrouwbare archieven waarvan de inhoud niet kan worden gewijzigd, weegt in beginsel zwaarder dan het belang dat personen kunnen hebben bij het verwijderen of anonimiseren van gearchiveerde artikelen met een voor hen onwelgevallige inhoud. Slechts in bijzondere gevallen kan dit maatschappelijk belangrijke principe wijken voor een privébelang.
2.3. Wederhoor
2.3.1. De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen.
2.3.2. De journalist die in een ander medium geuite beschuldigingen, negatieve kwalificaties en beweringen aan iemands adres overneemt, dan wel deze beweringen put uit artikelen of opnamen uit het archief, dient zich te houden aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij het publiceren van beschuldigingen. Hij mag er niet van uit gaan dat de eerder gepubliceerde uitspraken het karakter van onbetwiste feiten hebben aangenomen doordat zij niet zijn weersproken.
2.3.3. Wederhoor ontslaat de journalist niet van zijn opdracht zo waarheidsgetrouw mogelijk te berichten.
2.3.4. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten (bijvoorbeeld columns, recensies en opiniërende bijdragen) en berichtgeving van feitelijke aard, zoals verslagen van openbare bijeenkomsten. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is.
2.4. Privacy
2.4.1. De journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
2.4.2. Voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies en voor bekende Nederlanders is een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit onvermijdelijk. Hun privégedrag en gedrag in besloten en privé-omgeving hebben recht op bescherming tegen ongewilde inbreuken, tenzij dat gedrag aantoonbaar van invloed is op hun publiek functioneren.
2.4.3. De journalist publiceert geen foto’s en zendt geen beelden uit die zijn gemaakt van personen in niet-algemeen toegankelijke ruimten zonder hun toestemming, en gebruikt evenmin brieven en persoonlijke aantekeningen zonder toestemming van betrokkenen.
2.4.4. De journalist zal personen niet voor langere tijd lastig vallen, hinderlijk volgen of schaduwen. Redacties zullen erop toezien dat informatie en beelden die op dergelijke wijze zijn vergaard, niet worden gepubliceerd.
2.4.5. De journalist kan afwijken van hetgeen onder de punten 2.4.3. en 2.4.4. is bepaald, indien een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier kan worden bereikt.5
2.4.6. De journalist voorkomt dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd.
Aan deze regel is de journalist niet gehouden wanneer:
• de naam een wezenlijk bestanddeel van de berichtgeving is;
• het niet vermelden van de naam wegens de algemene bekendheid van de betrokkene geen doel dient;
• door het niet vermelden van de naam verwarring kan ontstaan met anderen die hierdoor voorzienbaar kunnen worden geschaad;
• het vermelden van de naam gebeurt in het kader van opsporingsberichtgeving;
• de betrokkene zelf de openbaarheid zoekt.
2.4.7. De openbaarmaking van tuchtrechtelijk verwijtbare fouten door advocaten, artsen, notarissen en soortgelijke functionarissen die handelen in de uitoefening van hun beroep, dient het maatschappelijk belang. Het belang van de onderneming van de betrokkene, dat mogelijk door de openbaarmaking wordt geschaad, valt niet onder het privacybelang.
Naamsvermelding van de betrokkene kan te meer van belang zijn omdat verwarring met beroepsgenoten erdoor wordt voorkomen.
2.4.8. In publicaties over (strafzaken betreffende) ernstige misdrijven dienen details van het misdrijf te worden weggelaten indien voorzienbaar is dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of diens naaste familieleden en de details niet noodzakelijk zijn om de aard en de ernst van het misdrijf, dan wel de gevolgen ervan, weer te geven.
2.4.9. Bij het benaderen van slachtoffers van ongevallen en rampen en hun nabestaanden behoort de journalist rekening te houden met het recht van betrokkenen om met rust te worden gelaten. De journalist dient terughoudend te zijn indien de weerloosheid of geestelijke toestand van betrokkenen daartoe aanleiding geeft. Bij publicaties over ongevallen en rampen vermijdt hij zoveel mogelijk dat slachtoffers en nabestaanden daardoor nadeel zullen ondervinden, dat hen extra leed wordt aangedaan of dat het verwerkingsproces wordt bemoeilijkt. Met het oog daarop dient de journalist informatie over slachtoffers en nabestaanden die niet noodzakelijk is om de aard en ernst van ongeval of ramp weer te geven, achterwege te laten.6
2.4.10. In het algemeen bestaat geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure. Toch kan het belang van een partij om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven zo zwaar wegen dat van het vermelden van de (volledige) naam moet worden afgezien. Dit laatste kan onder meer het geval zijn wanneer een burger gedaagde is in een bestuursrechtelijke procedure.
2.5. Financieel-economische berichtgeving
2.5.1. De journalist gebruikt financieel-economisch gevoelige informatie waarvan hij uit hoofde van zijn beroep kennis heeft genomen voordat zij openbaar is gemaakt, niet in zijn eigen belang of dat van zijn omgeving. Hij geeft deze informatie evenmin door aan derden anders dan in het kader van zijn normale werkwijze bij de nieuwsgaring en informatievoorziening.
2.5.2. Hij onthoudt zich van elke vorm van belangenverstrengeling, misbruik van voorkennis en marktmanipulatie.
2.6. Embargo
2.6.1. Het embargo7 is een overeenkomst met als doel het bevorderen van de kwaliteit van de berichtgeving. Het kan niet eenzijdig worden opgelegd.
2.6.2. De journalist die een verzoek tot een embargo aanvaardt, dient zich eraan te houden tot de overeengekomen termijn is verstreken, de onder embargo verstrekte informatie in een ander medium is gepubliceerd of degene die om het embargo heeft verzocht, het eerder opheft dan wel zich niet aan de gemaakte afspraken houdt.
2.7. Interviews
2.7.1. De journalist die iemand wil interviewen, laat diegene weten met welk doel hij informatie vergaart. De te interviewen persoon moet voldoende geïnformeerd kunnen beslissen of hij aan een publicatie of uitzending wil meewerken.
2.7.2. Van onzorgvuldige journalistiek is sprake wanneer een citaat van de geïnterviewde wordt gebruikt in een andere context dan hij mocht verwachten op grond van hetgeen hem door de interviewer is meegedeeld. De geïnterviewde moet opnieuw worden gevraagd of hij ermee instemt dat zijn uitlatingen worden gepubliceerd indien de aard of inhoud van een publicatie in de loop van het redactionele proces zozeer wordt gewijzigd dat niet meer wordt voldaan aan wat hij redelijkerwijs mocht verwachten.
2.8. Inzage vooraf
2.8.1. De journalist die een interview of een ander artikel vooraf ter inzage geeft aan degene over wie het artikel gaat, is vrij te bepalen hoe hij eventuele op- en aanmerkingen in het artikel verwerkt. Tenzij vooraf anders is afgesproken, biedt inzage vooraf de betrokkene de mogelijkheid te verzoeken om feitelijke onjuistheden te corrigeren en onduidelijkheden weg te nemen.
2 Voor het uitgebreide standpunt van de Raad over dit onderwerp zie: Ambtshalve uitspraak inzake het gebruik van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens door journalisten, RvdJ 1995/32
3 Naast het feit dat de uitingsvrijheid op zichzelf een maatschappelijk belang van gewicht is, wordt dit belang onder meer gediend door het aan het licht brengen van ernstige misdrijven en misdragingen, het beschermen van de openbare veiligheid en gezondheid en het voorkomen van misleiding van het publiek door handelingen en uitspraken van personen of organisaties.
4 Voor het uitgebreide standpunt van de Raad over dit onderwerp zie: Ambtshalve uitspraak inzake inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur, RvdJ 1996/44
5 Naast het feit dat de uitingsvrijheid op zichzelf een maatschappelijk belang van gewicht is, wordt dit belang onder meer gediend door het aan het licht brengen van ernstige misdrijven en misdragingen, het beschermen van de openbare veiligheid en gezondheid en het voorkomen van misleiding van het publiek door handelingen en uitspraken van personen of organisaties.
6 Zie over dit onderwerp ook: Ambtshalve uitspraak over de vliegtuigramp bij Tripoli in Libië, RvdJ 2010/35
7 Voor het uitgebreide standpunt van de Raad over dit onderwerp: zie RvdJ 2003/50 Ambtshalve uitspraak inzake embargo. De uitspraak bevat tevens tien spelregels van het embargo.