| > Uitspraken > Recente uitspraken > |
|
Hieronder volgen samenvattingen van recente uitspraken van de Raad voor de Journalistiek. Via de link die onder elke samenvatting is vermeld, kunt u de volledige uitspraak opvragen. Een uitspraak wordt altijd eerst aan de desbetreffende partijen gestuurd en enkele dagen later op de website van de Raad gepubliceerd.
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 27 april 2012 |
|
door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. G.J.P. Kloosterhuis, A. Mellink MPA, drs. ir. M.C.N. Mokveld en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris.
X / Nederlandse Vereniging van Journalisten
Uitspraak: gegrond Op de website van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) is een overzicht van geweld tegen journalisten en een begeleidende publicatie verschenen onder de kop “Meer geweldsincidenten tegen journalisten”. Klaagster staat in dit overzicht vermeld.
De website van verweerders is voor iedereen toegankelijk en bevat een eigen ‘Colofon’, waarin de journaliste die verantwoordelijk is voor ‘redactie nieuws’ wordt vermeld. De Raad overweegt dat in het gewraakte overzicht een eigen selectie en samenvatting van nieuwsfeiten wordt gepresenteerd. In het begeleidende nieuwsbericht op de website wordt geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten is toegenomen. Er is daarmee naar het oordeel van de Raad sprake van een dusdanig aanbod van nieuws en beschouwing onder redactionele leiding, dat sprake is van een journalistieke gedraging en de Raad bevoegd is om daarover te oordelen.
Met betrekking tot de klacht overweegt de Raad dat de gewraakte publicatie een overzicht betreft van ernstige geweldsincidenten tegen journalisten in Nederland. In het inleidende nieuwsbericht wordt gesproken over incidenten die variëren van bekogeling, mishandeling, bedreiging met de dood, het wissen van videomateriaal tot poederbrieven.
De Raad stelt voorop dat hij de exacte gang van zaken tijdens het incident niet kan vaststellen. Uit het artikel in De Telegraaf, waar het gewraakte overzicht op is gebaseerd, blijkt dat de beschrijving gebaseerd was op een beschuldiging van een persoon die met klaagster in conflict was. Daarom was bijzondere zorgvuldigheid geboden bij de publicatie van deze beschuldiging. Nu klaagster bovendien door de berichtgeving in ernstige mate is gediskwalificeerd, had het op de weg van verweerster gelegen wederhoor bij klaagster toe te passen, hetgeen niet heeft plaatsgevonden. De klacht is derhalve gegrond.
Trefwoorden:
· Procedure: bevoegdheid
· Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor, bronnen
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/18
X / F. Timmers en BN/DeStem
Uitspraak: ongegrond
In BN/DeStem is een artikel verschenen onder de kop “Loods wekt woede”. De publicatie heeft betrekking op een conflict dat omwonenden hebben met de gemeente over de bouw van een loods van klager.
De Raad overweegt dat het verweerders vrijstond om te berichten over dit conflict en aandacht te besteden aan de visie van buurtbewoners, nu deze partij zijn in dit conflict. Hoewel klager formeel bezien geen partij is in dit conflict, kan het zijn dat diens belangen zodanig worden geraakt dat wederhoor is geboden. Naar het oordeel van de Raad wordt klager echter in de publicatie – objectief bezien – niet gediskwalificeerd. Evenmin wordt de indruk gewekt dat de vergunning voor de bouw op onjuiste gronden is verstrekt. In de berichtgeving wordt slechts uiteengezet wat de bezwaren van omwonenden tegen de bouw zijn en wordt melding gemaakt dat deze bezwaren door de gemeente zijn afgewezen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerders na afweging van alle belangen bij klager wederhoor hadden moeten toepassen.
Evenmin is sprake van schending van de privacy van klager. Hij is in het artikel niet met name genoemd en de publicatie betreft een kwestie in verband met zijn bedrijfsuitoefening terwijl hijzelf elders woont.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: selectie van nieuws, hoor en wederhoor
· Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/19
H. Brinkman / G. van Schoonhoven en Elsevier
Uitspraak: gegrond
Op de website van Elsevier is een commentaar verschenen onder de kop “Rol Hero Brinkman bij Arondeuslezing kwalijk”. In weekblad Elsevier is onder de kop “Over de grens” een uitgebreidere versie van het commentaar gepubliceerd. Kern van de klacht is dat in het commentaar ten onrechte wordt gesuggereerd dat klager zijn politieke doelen bereikt via dreigementen en het artikel een beeld oproept van geweld.
De Raad overweegt dat in het gewraakte commentaar een beeld van klager wordt gecreëerd dat hij de bedreigende telefoongesprekken naar Rene Boender niet erg lijkt te vinden, dat hij een ‘twitterknokploegje’ wel handig vindt en dat hij via dreigementen zijn politieke doelen nastreeft.
Deze beeldvorming vindt geen steun in de feiten waarop de publicatie is gebaseerd en is daarom journalistiek onzorgvuldig. Hoewel de publicatie een hoofdcommentaar van de redactie bevat en een journalist in een dergelijke publicatie een grote mate van vrijheid heeft zijn mening over gebeurtenissen en personen te geven – ook met stijlmiddelen als overdrijving en bewust eenzijdig belichten – worden de grenzen van het journalistiek toelaatbare overschreden wanneer het commentaar, zoals hier het geval is, een ernstige en onheuse diskwalificatie van een persoon inhoudt waarvoor de feiten geen grondslag bieden. (vgl. RvdJ 2011/59)
Voorts is sprake van een zodanige diskwalificatie van klager dat verweerders deze uitlatingen niet zonder toepassing van wederhoor hadden mogen publiceren, hetgeen zij hebben nagelaten. (zie punten 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad van de Raad)
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
· Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
· Aard van de publicatie: opinie/kritiek
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/20
door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. G.J.P. Kloosterhuis, drs. ir. M.C.N. Mokveld en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris.
X / T. van der Mee, P. Groenendijk en AD - herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoeker heeft een klacht ingediend over de artikelen“Zaaddonor (30) zwijgt over ziekte” en “Door mijn ziekte geef ik kinderen een hoger IQ”. Bij uitspraak van 24 november 2011 (RvdJ 2011/78) heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad betreffende het oordeel over de handelwijze van verweerders in het kader van onder meer de selectie van bronnen en de geuite beschuldigingen. Voorts wordt volgens verzoeker ten onrechte overwogen dat sprake is van een (mogelijk zelfs deels erfelijke) vorm van autisme.
Volgens de herzieningskamer is niet gebleken dat de uitspraak van de Raad is gebaseerd op een onjuiste aanname over de gevolgen, achtergrond of kenmerken van het syndroom van Asperger. De publicatie in het AD was erop gericht aan de kaak te stellen dat verzoeker jegens vrouwen voor wie hij als zaaddonor wilde optreden, verzwijgt dat hij het syndroom van Asperger heeft (en dat hij daarnaast over enkele andere persoonlijke feiten onjuiste informatie geeft). Volgens de uitspraak van de Raad hebben verweerders niet ontoelaatbaar gehandeld door over klager te publiceren op de wijze waarop zij dat hebben gedaan. Daarbij heeft de Raad uitdrukkelijk overwogen dat dit oordeel ook geldt indien sprake is van feitelijke onjuistheden omtrent de berichtgeving over het syndroom van Asperger. De uitspraak van de Raad berust niet op een bepaalde (volgens verzoeker onjuiste) zienswijze over het syndroom van Asperger, maar op het feit dat verzoeker dat syndroom in zijn contacten met wensmoeders verzwijgt.
Voor het overige berust het herzieningsverzoek daarop dat verzoeker zich niet kan vinden in de gewraakte berichtgeving, de journalistieke handelwijze en het oordeel van de Raad. Dat is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/21
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 20 april 2012 |
|
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, dr. H.J. Evers, mw. J.R. van Ooijen en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.
H. Kriek / Het Orgel
Uitspraak: ongegrond
In Het Orgel, tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici, is het artikel “Sexbierum, Sixtuskerk” verschenen. Daarin is een beschrijving gegeven van de geschiedenis van en de (restauratie)werkzaamheden aan het orgel uit de Sixtuskerk te Sexbierum. In dat verband is klager genoemd. Volgens klager is sprake van onjuiste berichtgeving doordat ten onrechte niet de reden van beëindiging van de samenwerking tussen hem en het stichtingsbestuur, dat de kerk beheerde, is vermeld en dat deze omissie niet is hersteld.
Niet ter discussie staat dat de in de publicatie beschreven samenwerking tussen klager en het stichtingsbestuur is beëindigd. Dit is ook in het artikel vermeld. Er is derhalve geen sprake van een feitelijke onjuistheid. Dat de reden van de beëindiging onvermeld is gelaten, is in dit geval geen zodanige omissie dat verweerder daarmee journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld. Hoewel het verweerder had gesierd als hij in zijn rectificatie op dit punt de duidelijkheid had willen verschaffen waarom klager had verzocht, was hij daartoe niet verplicht. Nu overigens niet is gebleken dat de gewraakte berichtgeving relevante feitelijke onjuistheden bevat of verweerder anderszins journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld, is de klacht ongegrond. (zie punten 1.1. en 1.5. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
· Rectificatie/weerwoord: rectificatie
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/15
Y. Albayrak-Temur / M. Gelauff, M. Bink en B. de Vries (NOS)
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft een uitzending van het NOS Journaal, waarin is bericht over klaagster als bestuurder van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (verder: COA).
Klaagster heeft allereerst gesteld dat de uitzending diverse ernstige beschuldigingen aan haar adres bevat, gebaseerd op anonieme bronnen, terwijl voor die beschuldigingen onvoldoende grondslag bestaat. Volgens de Raad hebben verweerders voldoende inzicht verschaft in de wijze waarop de uitzending tot stand is gekomen en de manier waarop zij gebruik hebben gemaakt van de door anonieme bronnen verkregen informatie. Verweerders hebben gemotiveerd aangevoerd dat zij ten aanzien van de betrouwbaarheid van de bronnen extra zorgvuldigheid hebben betracht, mede gelet op het feit dat die bronnen uit (ex-) medewerkers bestonden. Hoewel de Raad de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie niet heeft kunnen verifiëren, hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat zij daarnaar voldoende deugdelijk onderzoek hebben verricht. Voorts is de Raad van oordeel dat verweerders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat op basis van de voorhanden zijnde informatie en documentatie een deugdelijke grondslag bestond voor hetgeen zij in de uitzending aan de orde hebben gesteld. De klacht is op dit punt ongegrond. (zie punten 2.2.1., 2.2.2., 2.2.3. en 2.2.5. van de Leidraad van de Raad)
Ten aanzien van de toepassing van wederhoor overweegt de Raad dat verweerders voorafgaand aan de uitzending meerdere malen per e-mail aan klaagster concrete vragen hebben gesteld, waarbij zij de strekking van de gedane beschuldigingen hebben kenbaar gemaakt. Voorts is klaagster de gelegenheid geboden om voor de camera haar reactie te geven. Dat zij van die mogelijkheid geen gebruik heeft willen maken, kan verweerders niet worden aangerekend. De Raad is dan ook van oordeel dat klaagster voldoende in de gelegenheid is gesteld te reageren. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad en vgl. onder meer RvdJ 2011/65)
Echter, aangezien door het COA – mede namens klaagster – schriftelijk is gereageerd op de vragen van verweerders, hadden verweerders die reactie ook op een adequate manier behoren te verwerken in de uitzending. Gelet op de ernst van de beschuldigingen hebben verweerders dit onvoldoende gedaan door te volstaan met de vermelding dat ‘klaagster er vooral moeite mee heeft dat wij niet kunnen zeggen wie onze bronnen zijn en dat we ook onze stukken niet in inzage kunnen geven’ en dat zij in een schriftelijke verklaring laat weten ‘dat zij dat beeld van die angstcultuur hier bij het COA totaal niet herkent en dat dit soort dingen nou eenmaal gebeuren bij een organisatie die zo in beweging is als het COA’. Door deze minimale weergave van de reactie van klaagster is de berichtgeving niet in balans. Dat verweerders hebben verwezen naar hun website voor de uitgebreide reactie van het COA en achtergrondinformatie laat dit onverlet. De klacht is op dit punt dan ook gegrond.
Volgens de Raad hebben verweerders voldoende onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Daar waar uitlatingen citaten betreffen van de door verweerders gehanteerde bronnen, is dit voldoende duidelijk als zodanig weergegeven. In zoverre is de klacht ongegrond. (zie punt 1.4. van de Leidraad).
Verder overweegt de Raad dat de inhoud en strekking van de uitzending als geheel genomen ten aanzien van klaagster uitermate kritisch zijn. De kijker zal zich niet tot nauwelijks aan de indruk kunnen onttrekken dat sprake is van ernstig mismanagement van klaagster en dat dit falende beleid de belastingbetaler geld kost. Dit bij de kijkers ontstane beeld over klaagster is het onvermijdelijke gevolg van de feiten die in de uitzending naar voren zijn gebracht. De redenering dat verweerders hiermee opzettelijk de berichtgeving in een voor klaagster negatieve richting hebben geleid waardoor de waarheid te kort werd gedaan, gaat niet op. Dat door de summiere weergave in de uitzending van de door het COA gegeven reacties sprake is van enige onevenwichtigheid in de berichtgeving, betekent niet dat ook sprake is van tendentieuze berichtgeving. De klacht is dan ook gegrond voor zover het betrekking heeft op eenzijdige berichtgeving, maar ongegrond voor zover is geklaagd over tendentieuze berichtgeving. (zie punt 1.5. van de Leidraad).
Ten aanzien van de op de website van verweerders verschenen reacties overweegt de Raad dat verweerders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij direct na ontvangst van de onderhavige klacht diverse reacties van hun website hebben verwijderd, die een ernstige beschuldiging of een diffamerende uitlating jegens klaagster bevatten. Daarmee hebben zij adequaat en conform de uitgangspunten als vervat in de Leidraad van de Raad gehandeld. Verweerders hebben ter zitting nog kenbaar gemaakt dat zij bij het modereren bepaalde reacties niet als een beschuldigende dan wel diffamerende uitlating hebben aangemerkt. Daargelaten dat het verweerders uiteraard zou sieren als zij hun eigen spelregels ter zake zorgvuldig naleven, is deze omissie niet in strijd met de Leidraad. Dit klachtonderdeel is ongegrond. (zie punten 5.4. en 5.5. van de Leidraad)
Ten slotte stelt de Raad vast dat klaagster in haar positie als bestuurder van het COA een publieke en openbare functie bekleedt. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen het (kort) in beeld brengen van het kenteken van haar dienstauto. Naar het oordeel van de Raad is dat kenteken niet tot klaagster herleidbaar. Bovendien betreft het een kenteken van een auto, die in beginsel niet is bestemd voor persoonlijk gebruik. Aldus is geen sprake is van een onevenredige aantasting van het privéleven van klaagster. Op dit punt is de klacht evenzeer ongegrond. (zie punten 2.4.1. en 2.4.2. van de Leidraad)
De beslissing van de Raad luidt derhalve dat de klacht gegrond is voor zover deze betrekking heeft op de wijze waarop het wederhoor is verwerkt, waardoor eenzijdig over klaagster is bericht. Voor het overige is de klacht ongegrond.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
· Privacy: bekende persoonlijkheden, vermelding persoonlijke gegevens
· Aard van de publicatie: ingezonden brieven/reacties op websites
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/16
Dela, Monuta en Yarden Uitvaartzorg / RamBam (VARA)
Uitspraak: onbevoegd
Klagers maken bezwaar tegen een uitzending van het televisieprogramma RamBam, waarin aandacht is besteed aan de uitvaartbranche.
De Raad stelt vast dat de klacht betrekking heeft op gedragingen die zijn vooraf gegaan aan de uitzending van het programma en niet op de uitzending zelf. Ook gedragingen die voorafgaand aan een uitzending hebben plaatsgevonden, kunnen als journalistieke gedragingen worden beoordeeld.
Echter, naar het oordeel van de Raad is duidelijk dat de programmamakers niet hebben beoogd aan het gewraakte programma enige nieuwswaarde toe te voegen. De uitzending bestaat voornamelijk uit elementen van niet-journalistieke aard, zoals het weergeven van de mogelijkheid tot het uitvoeren van een ‘do-it-yourself begrafenis’ op een wijze die door de gemiddelde kijker waarschijnlijk als komisch zal worden ervaren. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitzending dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke uitzendingen, daarin begrepen de aan de uitzending voorafgaande gedragingen, niet bedoeld. De Raad acht zich daarom onbevoegd over de klacht te oordelen.
Ten overvloede merkt de Raad op dat in een geval als het onderhavige – waar de klacht is gericht tegen gedragingen voorafgaand aan een uitzending en het programma door een buitenproducent wordt gemaakt – de buitenproducent op de gedragingen moet worden aangesproken.
Trefwoorden:
· Procedure: bevoegdheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/17
|
| Uitspraak vastgesteld d.d. 10 april 2012 |
|
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.
J.H.H. de Mol en Talpa Content B.V. / RTL Z
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft de teksten “Endemol bezwijkt onder schuldenlast” en ““Idee Voice of Holland is gestolen”” die zijn verschenen in de tickerbalk tijdens uitzendingen van RTL Z.
De Raad stelt voorop dat in het kader van een zorgvuldige beoordeling van de klacht zo veel mogelijk de standpunten van beide partijen in de oordeelsvorming dienen te worden betrokken. In dat verband is niet van doorslaggevende betekenis dat verweerder heeft gesteld dat hij geen formeel verweer wenst te voeren. Verweerder heeft zijn inhoudelijke reactie aan klagers op de bij de Raad ingediende klachten ter kennisneming aan de Raad gestuurd. De Raad heeft die reactie bij de beoordeling van de klacht betrokken.
Voor zover de klacht betrekking heeft op de berichtgeving over het televisieformat van ‘The Voice’ is geen sprake van journalistiek onzorgvuldig handelen. Doordat de beschuldiging over de vermeende diefstal c.q. het plagiaat van het televisieformat tussen aanhalingstekens is geplaatst, is voldoende duidelijk dat het hier niet gaat om een vaststaand feit, maar dat sprake is van een onbevestigd gerucht c.q. beschuldiging. Bovendien is voor het gemiddelde publiek van RTL Z duidelijk dat de volledige berichtgeving is te vinden op de website en de teletekstpagina van verweerder, zodat het de tekst in de juiste context kan plaatsen. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat een tickerbalk, met daarin een overzicht van de nieuwsberichten op teletekst en internet, zich in beginsel niet leent voor het geven van een uitgebreide context of nuanceringen.
Ten aanzien van de publicatie over Endemol heeft verweerder erkend dat het eerste bericht te zwaar is aangezet. In hetgeen is aangevoerd noch anderszins ziet de Raad aanleiding voor een ander oordeel. Door dit bericht niettemin te publiceren, heeft verweerder derhalve journalistiek onzorgvuldig jegens klager De Mol gehandeld. Dat verweerder de tekst kort na plaatsing heeft gewijzigd, is te prijzen maar kan aan de hiervoor bedoelde onzorgvuldigheid niet afdoen. (zie punten 1.2., 1.3. en 1.4. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
· Procedure: medewerking aan procedure, ontvankelijkheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/14
|
| Uitspraak vastgesteld d.d. 5 april 2012 |
|
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.
X / I. Hermsen, A. Hertsenberg en Opgelicht?! (TROS)
Uitspraak: deels gegrond
Klager maakt bezwaar tegen een uitzending waarin aandacht is besteed aan de werkwijze van budgetbeheerders. Kern van de klacht is dat zonder deugdelijke toepassing van wederhoor beschuldigingen aan klagers adres zijn geuit en dat een onevenredige inbreuk is gemaakt op de privacy van klager. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
In de uitzending is aandacht besteed aan de gang van zaken bij Stichting Budgetbeheerdienst, waarvan klager van 2009-2010 voorzitter is geweest. Met de berichtgeving over (vermeende) misstanden bij de Stichting is een maatschappelijk belang gediend. De uitzending is zodanig toegespitst op de persoon van klager, dat de gemiddelde kijker zich niet aan de indruk kan onttrekken dat geschetste problemen bij de Stichting enkel, althans voor een belangrijk deel, aan klager te wijten zijn. Klager worden gedragingen verweten die neerkomen op het in strijd met toezeggingen niet benutten van gelden van cliënten voor de aflossing van hun schulden. Aldus is klagers functioneren ernstig in twijfel getrokken en zijn integriteit in aanzienlijke mate aangetast.
Volgens de Raad kan de omstandigheid dat klager van de gelegenheid tot wederhoor niet adequaat gebruik heeft gemaakt, verweerders niet worden tegengeworpen. Verweerders hebben de conclusie van de door klager in zijn e-mail verstrekte reactie verwerkt in de uitzending. Niet is gebleken dat dat op journalistiek onzorgvuldige wijze is geschied. In zoverre is de klacht dan ook ongegrond.
Verder overweegt de Raad dat klager herhaaldelijk is genoemd en door middel van meerdere foto’s herkenbaar in beeld is gebracht. Niet is gebleken dat met het vermelden van de volledige naam van klager een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klager. Klager had ook met initialen kunnen worden aangeduid en onherkenbaar in beeld kunnen worden gebracht, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de uitzending. Niet is gebleken dat door het weglaten van zijn volledige naam een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de kijker zou zijn ontstaan. Verweerders hebben niet op verantwoorde wijze het belang van klager bij de bescherming van diens privacy afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. Daarbij is in aanmerking genomen hetgeen de Raad heeft overwogen ten aanzien van de ernst van de aan het adres van klager geuite aantijgingen en de omstandigheid dat klager al enige tijd geen bestuursfunctie meer bekleedde bij de Stichting Budgetbeheerdienst. Op dit punt is de klacht gegrond. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
· Privacy: foto’s, vermelding persoonlijke gegevens
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/13
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 2 april 2012 |
|
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.
X / Peter R. de Vries, misdaadverslaggever (Endemol Nederland BV en SBS6) - herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoeker heeft een klacht ingediend over uitzendingen van “Peter R. de Vries, misdaadverslaggever” van 10 en 17 april 2011. Bij uitspraak van 11 november 2011 (RvdJ 2011/76) heeft de Raad de klacht van verzoeker gegrond verklaard voor zover deze betrekking had op de schending van de privacy van klager. Voor zover de klacht betrekking had op onjuiste c.q. onvolledige berichtgeving heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.Kern van het verzoek is dat de Raad het begrip ‘voortvluchtig’ onjuist heeft gehanteerd, dat ten onrechte is geoordeeld dat nog geen inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verzoeker heeft plaatsgevonden, nu al geruime tijd wordt gewerkt aan het verzamelen van informatie en dat ten onrechte is overwogen dat verzoeker zich op illegale wijze aan de rechtsgang heeft onttrokken.
Volgens de herzieningskamer doet de omstandigheid dat de autoriteiten werken aan het verzamelen van informatie, zoals door verzoeker is gesteld, niet af aan de constatering van de Raad dat ten tijde van de gewraakte uitzendingen nog geen inhoudelijke behandeling van de desbetreffende strafzaak had plaatsgevonden. Evenmin brengt de omstandigheid dat de verblijfplaats van verzoeker bekend is bij de Nederlandse justitie mee dat het journalistiek ontoelaatbaar kan worden geacht om verzoeker aan te duiden als ‘voortvluchtig crimineel’, nu hij door zijn handelen de tenuitvoerlegging van zijn (verstek) veroordeling in Suriname onmogelijk heeft gemaakt. Verder is de herzieningskamer van oordeel dat in de uitspraak van de Raad slechts wordt overwogen dat verzoeker waarschijnlijk in strijd met geldend recht zijn straf in Suriname is ontlopen. In tegenstelling tot wat klager aanvoert, komt in de gewraakte uitspraak niet aan de orde of onttrekking aan strafexecutie strafbaar is.
Verzoeker heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/11
B. Weebers / C. Pommerel, R. Martin en Editie NL (RTL)
Uitspraak: ongegrond
Klager maakt bezwaar tegen uitzending van de reportage “’Van huisarts veranderen: niet te doen’”, waarin aandacht is besteed aan problemen rond het wisselen van huisarts. Kern van de klacht is dat verweerders onder valse voorwendselen een gesprek met de assistente van klager hebben opgenomen en ten onrechte zijn overgegaan tot publicatie daarvan. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de uitzending dat voldoende aanleiding bestond om aan het onderwerp aandacht te besteden. De situatie dat door onderlinge afspraken de vestigingsvrijheid van huisartsen en keuzevrijheid van patiënten wordt ingeperkt is maatschappelijk ongewenst. Dit blijkt ook uit de boete die door de Nederlandse Mededingingsautoriteit aan de Landelijke Huisartsen Vereniging is opgelegd. Het uitgezonden materiaal dat verweerders met de gevolgde werkwijze hebben vergaard bevat een concreet voorbeeld van de door de Mededingingsautoriteit beboete handelwijze. De opnamen zijn daardoor relevant voor de onderbouwing van de kritiek en geven aan de uitzending een meerwaarde. Klager heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerders dit ook op een andere wijze hadden kunnen verwezenlijken. Daarbij komt dat de naam van de huisartsenpraktijk van klager niet is vermeld en dat de opnamen voldoende onherkenbaar zijn gemaakt. Bovendien hebben verweerders klager voorafgaand aan de uitzending met de opname geconfronteerd en hem in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Die reactie is in de uitzending verwerkt. Dat dat op onjuiste wijze is gebeurd, is niet gebleken.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat verweerders niet journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. (zie punten 2.1.1., 2.1.5. en 2.1.6. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bandopnames, open vizier/verzwijgen eigen identiteit
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/12
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 16 maart 2012 |
|
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X / AD Haagsche Courant
Uitspraak: ongegrond
Klager maakt bezwaar tegen het artikel “Man (80) vrijgesproken van poging doodslag in Benthuizen”. Hij meent dat zijn privacy onnodig is aangetast.
De Raad stelt voorop dat met berichtgeving over uitspraken in strafrechtelijke procedures een maatschappelijk belang wordt gediend. De wijze waarop klager in het artikel is aangeduid, is in het kader van berichtgeving over strafzaken journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. In het algemeen kan daarmee worden voorkomen dat een betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd. Uit hetgeen klager heeft aangevoerd maakt de Raad op dat klager met name bezwaar heeft tegen de publicatie, omdat hierdoor in zijn naaste omgeving bekend is geworden dat de feiten over zijn strafzaak niet stroken met hetgeen hij daarover heeft meegedeeld. Voor zover klager heeft betoogd dat aldus een ongerechtvaardigde inbreuk is gemaakt op zijn privacy, kan dit verweerder echter niet worden aangerekend.
De Raad acht het verder niet aannemelijk dat klager voor het grote lezerspubliek, buiten de woonkern van klager, in het artikel identificeerbaar is. Verweerder heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat het journalistiek relevant is om in lokale edities de woonkern van een betrokkene c.q. de plaats waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden te vermelden, ten einde een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit te schetsen.
Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van een ongerechtvaardigde aantasting van klagers privéleven. (zie punten 1.1., 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Privacy: verdachten/veroordeelden
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/8
X / S. Gybels en Dagblad De Limburger
Uitspraak: ongegrond
De klacht betreft allereerst de artikelen “’Discussie over declaraties van raadsleden is nodig’”, “Politieke partijen willen debat over declaratieregeling”. De Raad stelt voorop dat voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies en voor bekende Nederlanders een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit onvermijdelijk is. (zie punt 2.4.2 van de Leidraad van de Raad)
Uit hetgeen klaagster heeft aangevoerd maakt de Raad op dat haar bezwaar tegen deze berichtgeving met name erin is gelegen, dat die is gebaseerd op een tip van iemand met wie klaagster in conflict was. Verweerders hebben ter zake gesteld dat de tipgever bewijzen over de declaratie had meegestuurd. De Raad overweegt in dit verband dat het de journalist vrij staat naar aanleiding van een tip eigen onderzoek te verrichten, ook indien die tip afkomstig is van iemand waarmee de betrokkene in conflict is. Bij zijn onderzoek heeft de journalist kennelijk de burgemeester, althans diens woordvoerder, en de raadsgriffier gesproken. Vervolgens heeft hij contact gezocht met klaagster en haar reactie in de berichtgeving verwerkt. Klaagster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de artikelen relevante onjuistheden bevatten. Er is verder geen aanleiding voor het oordeel dat de berichtgeving eenzijdig en tendentieus is of geen nieuwswaarde had. In het eerste artikel is bovendien een reactie van klaagster weergegeven. Het was niet nodig ook in het tweede artikel een reactie van klaagster op te nemen, aangezien dat een vervolgbericht betreft waarin de meningen van de fractievoorzitters over de kwestie zijn opgenomen. Dat verweerders de ingezonden brief van klaagster niet hebben willen plaatsen, leidt niet tot de conclusie dat zij daarmee jegens klaagster onzorgvuldig hebben gehandeld. (zie punt 5.2. van de Leidraad)
Verder heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen het artikel “Een terriër zonder halsband”, dat een portret van haar bevat. Gesteld noch gebleken is dat de vermelde feiten onjuist zijn. Deze geven een deel weer van de politieke loopbaan van klaagster. Het is voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk dat het artikel een schets betreft van de handelwijze van klaagster gedurende haar politieke loopbaan. Daarbij heeft de journalist zich, behalve op de hiervoor bedoelde feiten, gebaseerd op zijn eigen waarnemingen en niet op uitlatingen van derden. Uit het woordgebruik blijkt ook voldoende dat de gedane beweringen en meningen over klaagster alleen afkomstig zijn van de journalist. Hij hoefde daarbij niet neutraal te werk te gaan. Gezien het feit dat het artikel enerzijds van feitelijke aard is en anderzijds duidelijk de mening van de journalist behelst, acht de Raad het niet ontoelaatbaar dat ten aanzien van dit artikel geen wederhoor is toegepast. (zie punten 1.4. en 2.3.4. van de Leidraad en vgl. RvdJ 2007/26)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Privacy: bekende persoonlijkheden
· Aard van de publicatie: portret/profiel
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/9
COC Amsterdam en Stichting Pride Photo Award / Spitsnieuws.nl
Uitspraak: gegrond
Bij het artikel “Haags homostel weggepest” is een foto geplaatst van twee mannen in glitterbroeken met gedeeltelijk blote billen. De ene man heeft zijn arm om het middel van de andere man geslagen waarbij de hand rust op diens rechterbil. Onder het artikel is een naschrift van de redactie geplaatst. Klagers stellen dat bij het artikel een foto is geplaatst die inhoudelijk niets te maken heeft met het artikel en dat het naschrift onzorgvuldig is. Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.
Volgens de Raad hebben klagers voldoende aannemelijk gemaakt dat de foto waarschijnlijk is gemaakt tijdens een feestelijke gebeurtenis, mogelijk de Gay Pride, en door verweerder is gebruikt in een andere context. (zie punt 4.1 van de Leidraad van de Raad)
Met klagers is de Raad voorts van oordeel dat door het gebruik van de foto ten onrechte is gesuggereerd dat er een verband bestaat tussen de afgebeelde kleedstijl van sommige homoseksuele mannen en homofoob geweld. De Raad acht het niet onaannemelijk dat bij de gemiddelde lezer de indruk is gewekt dat het stel het wegpesten aan zichzelf te wijten heeft. Daarmee is een stereotiep beeld over homoseksuele mannen bevestigd, terwijl hiervoor geen grondslag bestond. Het gebruik van de foto is onder deze omstandigheden stigmatiserend en discriminatie bevorderend, en journalistiek ontoelaatbaar.
Verder kan uit het naschrift worden opgemaakt dat verweerder ervan overtuigd is dat het hiervoor bedoelde verband bestaat en bewust voor de plaatsing van deze foto heeft gekozen. Ook met dit naschrift heeft verweerder derhalve de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Trefwoorden:
· Feitenweergave: discriminerende berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/10
|
| Uitspraak vastgesteld d.d. 15 maart 2012 |
|
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.
Beperfect Clinics B.V. (Perfectsmile) / De Telegraaf
Uitspraak: ongegrond
De uitspraak betreft twee gevoegde klachten over de artikelen “Tandenbleker doet veel zwart”, “Perfect Smile kan boete verwachten”, “Beugelkliniek laat tanden knarsen”, “Tandenbleker per direct dicht” en “Tandenbleker negeert bevel sluiting kliniek”. Verweerder heeft niet op de klachten gereageerd.
Naar het oordeel van de Raad vinden de voornaamste conclusies in de berichtgeving voldoende grond in de door klaagster overgelegde stukken, waaronder een rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), (pers)berichten van zowel de IGZ als de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en correspondentie van deze instanties met klaagster. In deze stukken worden harde beschuldigingen geuit ten aanzien van (vermeende) foutieve declaraties, schending van de Kernenergiewet en gevaren voor personeel en patiënten van klaagster. De berichtgeving is gebaseerd op diverse feitelijke, objectieve bronnen. Verweerder mocht van de betrouwbaarheid van deze bronnen uitgaan. Niet is gebleken dat verweerder een onzorgvuldige of eenzijdige selectie heeft gemaakt van de bronnen of de feiten onvoldoende heeft onderzocht. De omstandigheid dat klaagster het niet eens is met de besluiten van de NZa en IGZ en daartegen bezwaar heeft gemaakt, maakt dit niet anders.
Verder is het journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Daarmee worden alleen de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid overschreden als de kop geen enkele grond vindt in het artikel. Daarvan is in dit geval geen sprake. De koppen zijn, gezien de beschreven ernst van de misstanden, niet misplaatst. Het gebruik van de term ‘inval’ is, als parafrase van het onaangekondigde bezoek van de inspectie, niet journalistiek ontoelaatbaar. Bovendien worden de in de koppen weergegeven beweringen in de bijbehorende artikelen voldoende genuanceerd en onderbouwd. (vgl. RvdJ 2011/58)
In de berichtgeving is voorts voldoende duidelijk het standpunt van klaagster weergegeven. Dat zij er zelf voor heeft gekozen na het eerste korte telefoongesprek met de verslaggever geen reactie meer te geven, kan verweerder niet worden tegengeworpen.
Ten slotte is niet betwist dat verslaggevers van verweerder een bezoek aan de Amstelveense praktijk van klaagster hebben afgelegd, zonder zich als zodanig bekend te maken en de vergaarde informatie hebben gebruikt in het laatste artikel. Uit de publicatie maakt de Raad op dat verweerder kennelijk heeft beoogd zijn lezers te informeren over misstanden bij klaagster. Deze misstanden zouden onder meer erin zijn gelegen dat klaagster ondanks het door de IGZ opgelegde behandelingsverbod adviesgesprekken met patiënten zou voeren. De Raad acht het aannemelijk dat verweerder zonder toepassing van de gevolgde werkwijze niet aan het licht had kunnen brengen of bedoelde misstanden al dan niet bestaan. Gezien de omvang en ernst van de misstanden en het doel van het gesprek, is de Raad van oordeel dat verweerder ook op dit punt niet journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld. (vgl. punten 2.1.1. en 2.1.5. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor, verzwijgen eigen identiteit
· Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/7
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 24 februari 2012 |
|
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.R. Harkema, mw. H.M.M. Nietsch, drs. P. Olsthoorn en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
S. Azaaj / EénVandaag (TROS/AVRO)
Uitspraak: deels gegrond
De klacht richt zich tegen een aflevering van EénVandaag waarin aandacht is besteed aan misstanden in de thuiszorg. In de uitzending komt naar voren dat door instanties zorg wordt gedeclareerd die niet is gegeven en dat (onder meer niet-gekwalificeerde) medewerkers worden onderbetaald. In dat verband overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klager bij deze onoorbare praktijken.
Gelet op de aard en inhoud van de uitzending is het journalistiek relevant en niet ontoelaatbaar te berichten dat klager ‘betrokken was bij de fraude van UenZo’. Niet ter discussie staat dat het Openbaar Ministerie in 2008 in deze kwestie een fraudeonderzoek is gestart waarbij klager door het Openbaar Ministerie als verdachte wordt beschouwd. Op dit punt is de klacht derhalve ongegrond.
Het voorgaande neemt niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Tussen partijen is niet in geschil, en de Raad sluit zich daarbij aan, dat het in dit geval niet nodig was de persoonlijke gegevens van klager te vermelden en dat die gegevens geanonimiseerd hadden kunnen worden zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de aard en inhoud van de uitzending. Door niettemin de gegevens van klager in beeld te brengen heeft verweerder journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Het feit dat verweerder dit heeft erkend en om die reden de uitzending van internet heeft verwijderd, doet daaraan niet af.
Nu de persoonlijke gegevens van klager in beeld zijn gebracht in het kader van berichtgeving over bovenstaande praktijken, moet worden geconcludeerd dat klager persoonlijk in de berichtgeving is gediskwalificeerd. Door na te laten wederhoor toe te passen heeft verweerder grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Op dit punt is de klacht dan ook gegrond.
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
· Journalistiek werkwijze: hoor en wederhoor
· Privacy: televisie
X / De Twentsche Courant Tubantia
Uitspraak: ongegrond
De klacht richt zich tegen een artikel in De Twentsche Courant Tubantia onder de kop “In beroep na vonnis”. De Raad overweegt dat de strekking van de gewraakte publicatie is dat klaagster en haar partner hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Niet valt in te zien dat verweerder niet over de kwestie had mogen berichten, zoals hij heeft gedaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat klaagster door de rechtbank schuldig is bevonden aan het ‘medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd’. Dat in klaagsters geval wellicht geen sprake is geweest van ‘tientallen’ – zoals zij heeft gesteld – is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door de strafzaak te parafraseren met de zinsnede ‘het trio lichtte tientallen mensen op’.
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving, tendentieuze berichtgeving
· Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/6
|
| Uitspraak vastgesteld d.d. 17 februari 2012 |
|
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. J.R. van Ooijen, mw. M.J. Rietkerk en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X / de hoofdredacteur van TROS Radar
Uitspraak: ongegrond
De klacht betreft een uitzending van TROS Radar, waarin aandacht wordt besteed aan Memon-apparaten die de schadelijke gevolgen van elektrische lading (celstress) kunnen meten en wegnemen. In de uitzending worden door verweerder de werking van de apparatuur en verkooppraktijken van de fabrikant aan de kaak gesteld. Er wordt geconcludeerd dat de apparatuur niet werkt.
De Raad overweegt dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de werking en verkooppraktijk van Memon-apparaten, gezien de zorg die in de samenleving bestaat over de mogelijk schadelijke gevolgen van elektrische lading. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
De uitzending bevat concretiseringen en bijzonderheden die de beschuldigingen ten aanzien van de werking van het apparaat ondersteunen. Deze informatie is daardoor relevant voor de onderbouwing van de kritiek. Klager heeft weliswaar gesteld dat hij had willen meewerken aan een opname, maar hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder in dat geval het doel van de uitzending had kunnen verwezenlijken. De Raad is van oordeel dat onder deze omstandigheden de handelwijze van verweerder niet ontoelaatbaar is geweest.
De Raad overweegt verder dat klagers naam niet is vermeld en dat zijn gezicht onherkenbaar is gemaakt. Klager heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ondanks deze maatregelen in de uitzending algemeen herkenbaar is. Van een ontoelaatbare schending van klagers privacy is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Hierdoor is de Raad van oordeel dat geen toestemming van klager nodig was om de beelden uit te zenden.
Verder overweegt de Raad dat de belangen van de fabrikant door de opnamen rechtstreeks worden geraakt. In de uitzending wordt de fabrikant met de conclusies geconfronteerd en wordt hij in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Er heeft derhalve op juiste wijze wederhoor plaatsgevonden. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van privacy, was verweerder niet gehouden tevens wederhoor bij klager toe te passen.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor, verborgen cameratechniek, open vizier/verzwijgen eigen identiteit
· Privacy: televisie
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/4
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 7 februari 2012 |
|
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.R. Harkema, mw. H.M.M. Nietsch, drs. P. Olsthoorn en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
W. de Waal / Hart van Nederland (SBS6)
Uitspraak: gegrond
In Hart van Nederland is aandacht besteed aan een campagne van de Kinderombudsman, waarin onder meer de kindercurator aan de orde wordt gesteld. In de uitzending zijn een geanonimiseerde jongen ‘Sander’ en zijn vader aan het woord, waarbij zij via een spiegel op de achtergrond in beeld zijn gebracht. De Kinderombudsman vertelt dat ‘Sander’ erbij gebaat zou zijn geweest als hij bij de echtscheidingsprocedure tussen zijn ouders was bijgestaan door een kindercurator. Verder zegt hij onder meer dat ‘Sander’ door zijn moeder is geterroriseerd, uitgebuit en zowel geestelijk als fysiek is mishandeld. Klaagster is de moeder van ‘Sander’.
Naar het oordeel van de Raad zijn ‘Sander’ en diens vader – door de wijze waarop zij in beeld zijn gebracht – duidelijk herkenbaar en is niet aannemelijk geworden dat dit slechts binnen zeer beperkte kring het geval is. Voor de gemiddelde kijker is voldoende duidelijk dat de aantijgingen van ‘Sander’ en diens vader persoonlijke meningen behelzen, die voor hun rekening zijn gelaten. Echter, de Kinderombudsman heeft ernstige beschuldigingen geuit aan het adres van klaagster, als de moeder van ‘Sander’, die – gezien diens functie – door de kijker voor waar zullen worden gehouden. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen ten aanzien van de door de Kinderombudsman geuite aantijgingen wederhoor bij klaagster toe te passen. Hij heeft dit ten onrechte nagelaten. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
Klaagster is – gezien de herkenbaarheid van ‘Sander’ en diens vader – in de uitzending in een zeer negatief daglicht gesteld, waarvan verweerder zich bewust moet zijn geweest. De Raad acht het niet onaannemelijk dat zij op de uitzending is aangesproken. Dit brengt tevens mee dat klaagsters privacy door de uitzending disproportioneel is geschaad. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
· Privacy: televisie
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/2
X / H. Bootsma en Omroep Brabant
Uitspraak: gegrond
De klacht betreft een publicatie op de website van Omroep Brabant waarin wordt vermeld dat klager een huis kan krijgen van de stichting Stop Kinderporno & Abuse. In het artikel wordt de woordvoerster van die stichting geciteerd. Naar het oordeel van de Raad bevat het artikel diffamerende uitlatingen van de woordvoerster aan het adres van klager. Verweerders hebben in het artikel noch in hun verweer blijk gegeven van onderzoek naar de juistheid van de beschuldigingen. Dit klemt te meer nu de woordvoerster kennelijk in conflict is met klager en niet onafhankelijk dan wel onpartijdig is in deze kwestie, terwijl haar standpunten door de gemiddelde lezer waarschijnlijk voor ‘waar’ zullen worden gehouden.
Voorts had het op de weg van verweerders gelegen voorafgaand aan de publicatie wederhoor bij klager toe te passen. Weliswaar heeft klager in een e-mail aan diverse media – waaronder Omroep Brabant – laten weten geen rechtstreeks contact meer met hen te willen hebben, maar dit ontslaat verweerders niet van de verplichting om bij de publicatie van uitlatingen als de onderhavige contact op te nemen met klager, bijvoorbeeld via diens Facebook-pagina dan wel zijn advocaat. Klager heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat verweerders dat niet hebben gedaan, maar dat zij hem pas ná de publicatie in de gelegenheid hebben gesteld op de uitlatingen te reageren. Ook uit het artikel blijkt niet dat verweerders hebben geprobeerd voorafgaand aan de publicatie wederhoor bij klager toe te passen. Verweerders hadden kunnen citeren uit de reactie van klager op het aanbod de woordvoerster, die hij op zijn Facebook-pagina heeft geplaatst, maar ook dat hebben zij nagelaten.
Door zo te handelen en na te laten hebben verweerders journalistiek onzorgvuldig gehandeld. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/3
|
| Uitspraak vastgesteld d.d. 7 februari 2012 |
|
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. J.R. van Ooijen, mw. M.J. Rietkerk en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
H. Viel (Viel Plantencentrum) / de Stentor
Uitspraak: deels gegrond
Klager heeft bezwaar gemaakt tegen het artikel “Plantenkweker Oldebroek tegen woning juwelier”, waarin verslag wordt gedaan van een openbare rechtszitting in een bestuursrechtelijke procedure. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn belang om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven zo zwaar weegt dat van het vermelden van zijn naam en de naam van zijn bedrijf had moeten worden afgezien. Verder is niet aannemelijk geworden dat het artikel klagers belang zodanig raakt dat wederhoor was geboden. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door de naam van klager en diens bedrijf te vermelden en wederhoor achterwege te laten. (zie punten 2.3.4. en 2.4.10. van de Leidraad van de Raad en vgl. onder meer RvdJ 2011/19)
De klacht is echter wel gegrond voor zover deze betrekking heeft op de onvolledige wijze waarop over de kwestie is bericht. Door de wijze waarop het geschil van klager met de gemeente is beschreven – onder meer door de stellige kop – wordt de suggestie gewekt dat klager iets heeft tegen de juwelier persoonlijk. Die indruk wordt bovendien versterkt doordat de naam van de juwelier herhaaldelijk is vermeld. Klager heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn beroep bij de Raad van State er niet op was gericht de juwelier in diens belangen te schaden, maar dat het hem ging om een mogelijke precedentwerking van de beslissing van de gemeente waardoor de komst van woningen op zodanig geringe afstand van zijn bedrijf mogelijk zou worden dat zijn bedrijfsvoering daarvan schade zou kunnen lijden.
Door aldus op een onvolledige en daardoor voor klager nadelige wijze over het geschil te berichten heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
· Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
· Privacy: vermelding persoonlijke gegevens
· Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/1
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 19 december 2011 |
|
door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, dr. H.J. Evers, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.
X / E. Post en de Leeuwarder Courant
Uitspraak: deels gegrond
De klacht richt zich tegen de publicatie “Tandarts naar rechter om eigen praktijk”. In de publicatie is ten onrechte vermeld dat klager een bestuursrechtelijke procedure is gestart om opgenomen te worden in het BIG-register. Vaststaat dat klager reeds was ingeschreven en dat de procedure gaat over het verwijderen van een aantekening. Deze feiten blijken uit het register en zijn aan de orde geweest ter zitting van de bestuursrechter.
Verder is ten onrechte onvermeld gelaten dat van de beschreven tientallen klachten slechts twee door het tuchtcollege zijn gehonoreerd. Hierdoor is de onjuiste suggestie gewekt dat de tientallen klachten gegrond waren en dat klager jarenlang op grote schaal ondeugdelijk werk zou hebben geleverd.
Het voorgaande heeft ook invloed op de vraag of klagers naam in de publicatie kon worden vermeld. Hoewel in beginsel geen bezwaar bestaat tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een bestuursrechtelijke procedure, is het in deze context journalistiek onzorgvuldig om de volledige naam van klager te vermelden. Door de combinatie van de onvolledige en tendentieuze berichtgeving over klager en de vermelding van zijn naam, is zijn privacy disproportioneel aangetast. (vgl. punten 2.4.1. en 2.4.10. van de Leidraad). Op bovenstaande punten is de klacht gegrond.
Voor zover klager heeft betoogd dat de publicatie nog andere feitelijke onjuistheden bevat, is de Raad van oordeel dat deze niet van zodanige aard zijn dat daarmee grenzen zijn overschreden van wat journalistiek toelaatbaar is.
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving, tendentieuze berichtgeving
· Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
· Privacy: vermelding persoonlijke gegevens
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/87
X / K. Geurtsen, I. van Woerden en de hoofdredacteur van HP/De Tijd - herziening
Uitspraak: toegewezen c.q. onthouding oordeel
Klagers hebben een klacht ingediend tegen de publicaties “De rabbi, de declaraties en de ‘spookstudenten’”, “Dóód- en dóódziek” en “De rabbijn, het geld en de werkster”. Bij uitspraak van 22 augustus 2011 (RvdJ 2011/55) heeft de Raad deze klacht gegrond verklaard. Verzoekster is door de Raad niet als medeklaagster aangemerkt, terwijl zij zich per e-mailbericht als klaagster in de zaak heeft gevoegd. Zij vraagt om herziening van de uitspraak.
Het verzoek tot herziening wordt toegewezen en de klacht van verzoekster wordt alsnog gegrond verklaard voor zover deze gelijk is aan de klachten van de reeds vermelde klagers.
Voor zover verzoekster alsnog een uitspraak wenst over haar klacht dat verweerders betreffende de publicatie van 22 april 2011 ten aanzien van haar geen wederhoor hebben toegepast, onthoudt de herzieningskamer zich van een oordeel.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/88
Stichting kinderopvang Mundo / Dit Was Het Nieuws (RTL)
Uitspraak: onbevoegd
De klacht richt zich tegen het televisieprogramma “Dit Was Het Nieuws” (RTL). In de gewraakte uitzending wordt een foto door de presentator omschreven met de opmerking “Politie probeert pedo uit huis te lokken”.
De Raad oordeelt dat de inhoud van deze uitzending niet zozeer bestaat uit nieuws, maar uit satire óver het nieuws. Verweerder heeft niet beoogd aan de uitzending enige nieuwswaarde toe te voegen, waarbij de uitzending voornamelijk elementen bevat van niet-journalistieke aard, zoals (pogingen tot) satire en amusement. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitzending dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke uitzendingen niet bedoeld. De Raad acht zich daarom niet bevoegd om inhoudelijk over de klacht te oordelen.
Trefwoorden:
· Procedure: bevoegdheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/89
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 16 december 2011 |
|
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. Y.M. de Haan, drs. ir. M.C.N. Mokveld en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
NRC Handelsblad / BioShape Holding B.V. – herziening
Uitspraak: afgewezen
Klaagster heeft een klacht ingediend over het artikel “Bioshape trekt spoor van vernieling”. In het artikel wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan de bedrijfsactiviteiten van klaagster in Tanzania. Bij uitspraak van 8 juli 2011 (2011/45) heeft de Raad de klacht van klaagster gegrond verklaard. Verweerder heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Anders dan verzoeker van mening is, wordt naar het oordeel van de herzieningskamer in de uitspraak van de Raad niet miskend dat sprake is van onderzoek door verzoeker naar de juistheid van de beschuldigingen. Evenmin wordt in de uitspraak weersproken dat de geuite beschuldigingen aan klaagster zijn voorgelegd.
In de gewraakte uitspraak wordt – kort samengevat – geoordeeld dat in de berichtgeving het wederhoor slechts beknopt en selectief is toegepast casu quo wordt weergegeven in relatie tot de stelligheid van de beschuldigingen. Naar het oordeel van de Raad in de uitspraak van 8 juli 2011 had aanvullend onderzoek of een uitgebreidere weergave van het wederhoor kunnen leiden tot een genuanceerder beeld over klaagster, waarmee verzoeker had kunnen voorkomen dat onnodig negatief en tendentieus over klaagster werd bericht. Dat de verzoeker zich niet kan vinden in de afweging van dit oordeel, is onvoldoende grond om een verzoek tot herziening toe te wijzen.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/84
R.J. Lustig / H. Talens en De Twentsche Courant Tubantia – herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoeker heeft een klacht ingediend tegen de publicatie“Over de rug van de gewone man”.
Bij uitspraak van 29 juli 2011 (2011/48) heeft de Raad deze klacht ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad van 29 juli 2011 met betrekking tot de overwegingen betreffende de wederhoor, de selectie van bronnen, het feitenonderzoek en het vermelden van de ondernemingen. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/85
X / H. Talens en De Twentsche Courant Tubantia – herziening
Uitspraak: afgewezen
In De Twentsche Courant Tubantia zijn diverse artikelen verschenen over een strafzaak tegen (onder anderen) verzoekster. Bij uitspraak van 29 juli 2011 (2011/49) heeft de Raad verzoekster niet-ontvankelijk verklaard voor zover haar klacht is gericht tegen de publicaties gedateerd voor 23 september 2010, nu die klacht niet binnen zes maanden na de publicatiedatum bij de Raad is binnengekomen. De Raad heeft de klacht van verzoekster ongegrond verklaard voor zover deze is gericht tegen de berichtgeving gedateerd na 23 september 2010. Verzoekster heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Ingevolge het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klaagschrift worden ingediend binnen zes maanden nadat de journalistieke gedraging heeft plaatsgevonden. Dat publicaties op internet eenvoudiger toegankelijk zijn, zoals verzoekster betoogt, laat naar het oordeel van de herzieningskamer onverlet dat de Raad oordeelt op basis van de datum waarop de journalistieke gedraging heeft plaatsgevonden.
Daarnaast blijkt uit hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht dat zij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad met betrekking tot de overwegingen betreffende de vermelding van de naam van haar onderneming. Zij meent verder dat in de berichtgeving onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen de verdachten. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoekster met hetgeen zij in haar verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/86
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 12 december 2011 |
|
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. Y.M. de Haan, drs. ir. M.C.N. Mokveld en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
B.W. de Geus / M. van der Laan en Dagblad van het Noorden
Uitspraak: gegrond c.q. onthouding
Klager maakt bezwaar tegen het artikel “Wel een heel erg Van ’t Hekje” en een later gepubliceerd bericht onder de kop “Herstel”.
Klager heeft in zijn klaagschrift en in eerder contact met verweerders naar voren gebracht dat hij in het artikel niet juist is geciteerd. Verweerders menen dat de uitspraken van klager juist zijn weergegeven. Of de gepubliceerde citaten daadwerkelijk een onjuiste weergave zijn van hetgeen klager in het telefoongesprek over Van ’t Hek naar voren heeft gebracht, kan de Raad niet vaststellen. De Raad onthoudt zich met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook van een oordeel.
Verweerders hebben naar aanleiding van de discussie met klager besloten alsnog een herstelbericht te plaatsen. Uit dit bericht blijkt dat verweerders kennelijk hebben getracht aan klager tegemoet te komen door een rechtzetting te plaatsen. In het bericht wordt echter gesteld dat klager de gewraakte uitspraken wel degelijk heeft geuit.
Verweerders hebben enerzijds een herstelbericht gepubliceerd, maar anderzijds benadrukt dat klager zijn uitspraken wel degelijk heeft geuit. Naar het oordeel van de Raad zijn door de gekozen formulering de vermeende onjuistheden niet op een deugdelijke wijze rechtgezet. Verweerders hebben op dit punt journalistiek onzorgvuldig jegens klager gehandeld.
Trefwoorden:
· Aard van de publicatie: citaat
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
· Rectificatie/ weerwoord: rectificatie
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/82
H. van ’t Hek / M. van der Laan en Dagblad van het Noorden
Uitspraak: ongegrond
De klacht betreft het artikel “Wel een heel erg Van ’t Hekje”. Het artikel betreft een portret van klager.
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het gewraakte portret hebben gebaseerd op onder meer een aantal bronnen rondom klager, zijn website en het archief en daarbij voldoende zorgvuldigheid in acht hebben genomen. Niet is gebleken dat verweerders een onzorgvuldige of eenzijdige selectie hebben gemaakt van bronnen of de feiten onvoldoende onderzocht hebben.
De Raad overweegt verder dat het voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk is dat het artikel een schets betreft van klager en dat de beschuldigende beweringen met name de perceptie van de bronnen betreffen. Het standpunt van klager dat zijn partner verdacht wordt gemaakt en wordt beticht van onbetrouwbaarheid kan niet worden gevolgd. Uit de publicatie blijkt voldoende dat de vermelding van de naam en werkzaamheden van de partner van klager slechts dient ter verduidelijking van het daarvoor weergegeven citaat.
Het is – gezien het telefonisch contact tussen verweerders en klager en de inhoud van zijn reactie – aannemelijk dat de strekking van de publicatie aan klager voldoende duidelijk moet zijn geweest. De omstandigheid dat klager heeft volstaan met een summiere reactie dient voor zijn rekening te komen. Verder stelt de Raad vast dat de reactie van klager is opgenomen in het artikel.
Trefwoorden:
· Aard van de publicatie: portret/profiel
· Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/83
|
| Uitspraak vastgesteld d.d. 28 november 2011 |
|
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, drs. G.J.P. Kloosterhuis, M. Ülger en drs. ir. M.C.N. Mokveld, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X / Brabants Dagblad - herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoeker heeft een klacht ingediend betreffende het artikel “Rapportage over landmeting wijst uit: geen ‘landjepik’ in [plaatsnaam]”, het artikel “Ruzie over landjepik gaat verder” en de publicatie van verzoekers ingezonden brief onder de kop “Landjepik? Boerenbedrog!”. Bij uitspraak van 2 augustus 2011 (RvdJ 2011/51) heeft de Raad de klacht gegrond verklaard voor zover deze betrekking had op het achterwege laten van wederhoor ten aanzien van het eerste artikel, waardoor een onjuiste voorstelling van zaken was gegeven. Verder heeft de Raad zich onthouden van een oordeel voor zover verzoeker had gesteld dat ten onrechte bij het tweede artikel gebruik was gemaakt van de eerste versie van zijn ingezonden brief. Ten slotte heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard voor zover verzoeker had betoogd dat in het eerste artikel ten onrechte zijn naam en herleidbare adresgegevens waren vermeld en dat ten onrechte bij de publicatie van de tweede versie van zijn ingezonden brief een aantal zinnen waren geschrapt. Verzoeker heeft verzocht om herziening van die uitspraak.
De herzieningskamer overweegt dat herziening slechts in beperkte gevallen mogelijk is. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd blijkt dat hij zich niet kan vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad.
Verzoeker heeft toegelicht dat een aantal door hem aangedragen argumenten niet of slechts verkort in de uitspraak aan de orde is gekomen. Hiermee is echter niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Volgens de herzieningskamer blijkt de kern van de standpunten van verzoeker voldoende uit de uitspraak.
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat de Raad zich ten onrechte heeft onthouden van een oordeel over het gebruik van de eerste versie van zijn ingezonden brief. Ook vindt verzoeker de kwalificatie van het eerste artikel als ‘vervolg’ op eerdere berichtgeving niet juist. Voorts is verzoeker het niet eens met het oordeel van de Raad over het schrappen van een aantal zinnen in zijn ingezonden brief.
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. (zie artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad). Het verzoek tot herziening is dan ook afgewezen.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/81
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 28 november 2011 |
|
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, ir. B.L. Hooghoudt, drs. G.J.P. Kloosterhuis en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X / de Stentor
Uitspraak: deels gegrond
Klager maakt bezwaar tegen de artikelen “Hulshorstenaar sticht branden” en “Hardenees vrijgesproken van brandstichting”, die gaan over een strafzaak tegen klager.
De Raad stelt voorop dat het in het kader van verslaggeving over rechtszaken toelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. RvdJ 2010/27)
Met betrekking tot de eerste publicatie overweegt de Raad dat verweerder met de inhoud van het artikel als zodanig niet journalistiek ontoelaatbaar over de kwestie heeft bericht. Het artikel behelst een overwegend feitelijke weergave van de zaak, waarbij tevens voldoende aandacht is besteed aan de visie van klager. Het gebruik van de kop maakt echter dat verweerder met de publicatie journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens de Raad kan de inhoud van het artikel als gevolg van de te zwaar aangezette kop niet meer objectief worden gelezen. De feitelijk gestelde kop kan immers niet anders worden opgevat dan dat klager daadwerkelijk meerdere branden heeft gesticht. Het artikel zal vervolgens worden gelezen vanuit het perspectief van de kop, waarbij de lezer zich moeilijk aan de onjuiste indruk zal kunnen onttrekken dat klager schuldig is aan het plegen van meerdere strafbare feiten. De klacht is dan ook gegrond voor zover gericht tegen de eerste publicatie.
Voor zover de klacht is gericht tegen de tweede publicatie, is deze echter ongegrond. De inhoud van het artikel geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de journalist onzorgvuldig over de kwestie heeft bericht. De publicatie behelst een verslag van de uitspraak van de rechtbank, waarbij informatie uit het eerste artikel wordt herhaald. Dat klager in dit artikel is aangeduid als ‘Hardenees’ en niet opnieuw als ‘Hulshorstenaar’ is niet een zodanige omissie dat verweerder daarmee journalistiek ontoelaatbaar zou hebben gehandeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat klager ten tijde van de branden in Hulshorst woonde en daarna is verhuisd naar ’t Harde.
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
· Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/79
B. Lankester en L. Hinkema / P. Zethoven en Noordhollands Dagblad
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft het artikel “Uitspraak kort geding week later”, waarin aandacht is besteed aan een civielrechtelijke procedure tussen klagers en woningbouwvereniging Beter Wonen.
De Raad overweegt dat in het algemeen geen bezwaar bestaat tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een dergelijke procedure. Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klagers waardoor van dit uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is niet gebleken. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat verweerders hebben gesteld dat de kwestie door betrokkenen in het openbaar wordt uitgevochten, hetgeen door klagers niet is weersproken. (zie punt 2.4.10. van de Leidraad van de Raad)
Verder overweegt de Raad dat het artikel een feitelijke beschrijving van de rechtszaak behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor berichtgeving van feitelijke aard. Niet is gebleken dat de publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. Overigens zijn klagers later alsnog in de gelegenheid gesteld hun visie over de zaak uiteen te zetten. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
Anders dan klagers leest de Raad in het artikel niet dat de journalist het (ten onrechte) laat voorkomen dat hij bij de zitting aanwezig is geweest. Verder blijkt uit de publicatie voldoende duidelijk dat volgens de woningbouwvereniging klagers het bestuur ‘frauduleuze transacties’ verwijten. Het gebruik van de term ‘modder gooien’ is – bezien in de context – een toelaatbare parafrase van de mening van Beter Wonen. (vgl. RvdJ 2010/27)
De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op deze punten journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Voor zover de klacht betrekking heeft op het vermelden van de namen van klagers, de suggestie dat de journalist op de rechtszitting aanwezig was, het gebruik van de term ‘modder gooien’, het in de mond leggen van de bewering ‘frauduleuze transacties’ en het niet toepassen van wederhoor, is de klacht ongegrond.
Dit ligt echter anders voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding dat klagers door de Algemene Ledenvergadering zijn weggestuurd. Klagers hebben gemotiveerd weersproken dat dit juist is. Voorts blijkt uit hetgeen verweerders hebben aangevoerd en de door hen overgelegde latere publicatie “Beter Wonen verliest kort geding” dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of de raad van toezicht al dan niet was weggestuurd of zelf was opgestapt.
Gezien de aard van het conflict waarover is bericht, betreft dit een zodanige gevoeligheid en heeft de aanduiding ‘weggestuurde leden’ een dermate negatieve lading dat het op de weg van verweerders had gelegen om met het gebruik van die aanduiding bijzonder zorgvuldig en terughoudend te zijn. Door als feit te presenteren dat klagers ‘weggestuurde leden’ zijn, terwijl niet is gebleken dat dit juist is, hebben verweerders in dit geval journalistiek onzorgvuldig jegens klagers gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
· Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
· Privacy: vermelding persoonlijke gegevens
· Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/80
|
| Uitspraken vastgesteld d.d. 24 november 2011 |
|
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, A. Mellink MPA en mw. drs. J.X. Nabibaks, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
Dagblad van het Noorden / X - herziening
Uitspraak: afgewezen
De hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden heeft om herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 5 juli 2011 (RvdJ 2011/43). De klacht betrof het artikel “Kinderporno op laptop conciërge”. In het artikel wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan een strafzaak tegen klager. De Raad was van oordeel dat het in de rede had gelegen als verweerder evenwichtiger en meer genuanceerd over de strafzaak tegen klager had bericht, onder meer over de (vermeende) aanwezigheid van 184 kinderpornografieafbeeldingen op de computer van klagers vriendin. Bovendien had verweerder uit eigen beweging dienen te berichten over de vrijspraak van klager, aldus de Raad.
Verzoeker heeft gesteld dat hij zich bij de berichtgeving niet heeft kunnen baseren op het vonnis. Volgens de herzieningskamer is uit de passage “Het vonnis – met de daarin weergegeven tenlastelegging – biedt in ieder geval voor deze bewering onvoldoende grondslag” niet gebleken dat het oordeel berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De inhoud van de tenlastelegging waar de Raad op doelt was voorafgaand aan de rechtszitting bekend en beschikbaar voor verzoeker.
Daarnaast heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat de officier van justitie zou hebben bevestigd dat de aanwezigheid van kinderpornografie op de laptop van de vriendin van klager ter zitting zou zijn besproken.
Uit hetgeen verzoeker verder naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de overwegingen van de Raad betreffende het gebruik van de term ‘huiszoeking’ en het verzuim van het melden van de vrijspraak van klager. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/77
X / T. van der Mee, P. Groenendijk en AD
Uitspraak: ongegrond
Klager maakt bezwaar tegen de artikelen“Zaaddonor (30) zwijgt over ziekte” en “Door mijn ziekte geef ik kinderen een hoger IQ”. Kern van de klacht is dat verweerders ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klager hebben geuit en dat de privacy van klager ongerechtvaardigd is aangetast.
Volgens de Raad hebben verweerders aannemelijk gemaakt dat zij voldoende reden hadden om aan de kwestie aandacht te besteden. De situatie dat klager bewust geen informatie deelt over zijn (mogelijk zelfs deels erfelijke) vorm van autisme met wensmoeders is maatschappelijk ongewenst.
Een groot aantal beschuldigingen in de berichtgeving is afkomstig van (anoniem gehouden) vrouwen die ten tijde van de publicatie met klager in conflict waren. Niet kan worden geoordeeld dat verweerders uitsluitend zijn uitgegaan van die bronnen als brengers van objectieve feiten. De opvattingen van deze vrouwen worden in de berichtgeving voldoende ondersteund door diverse onafhankelijke bronnen. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad van de Raad).
De bewering dat klager 22 kinderen heeft verwekt is afkomstig uit een Whatsapp-chatgesprek waarin klager dit zelf heeft gesteld. Hoewel uit de context van het gesprek blijkt dat sprake is van een negatieve toon tussen klager en zijn gesprekspartner, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet op deze bron mochten vertrouwen.
Indien al sprake is van feitelijke onjuistheden omtrent de berichtgeving over het syndroom van Asperger, zijn deze niet van dien aard dat daarmee het oordeel is gerechtvaardigd dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
De wijze waarop klager in de berichtgeving is aangeduid – met de vermelding van zijn voornamen overeenkomstig de door hem gebruikte schuilnamen op internet – en de wijze waarop zijn portret is afgebeeld – met een balkje over de ogen – zijn in dit kader journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. Mede gelet op de maatschappelijke relevantie van de publicatie, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy onvoldoende hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad en vgl. RvdJ 2011/46)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
· Privacy: algemeen
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/78
|
|
|
| do 17 nov 2011 -
Uitspraken vastgesteld d.d. 11 november 2011 - M. Bosch / F. Vos en Eigen! Arnhem (RvdJ 2011/72) - X / H. Carvalho en NRC Handelsblad (RvdJ 2011/73) - E. van Geel, C. Tatsakis, P. de Kuyper en M. Thomaidis-Zeebregts / W. Hack en Brabants Dagblad (RvdJ 2011/74) - Cirkel Bewindvoeringen B.V. en mr. R.H.M.Ch. Libotte / H. Brinkman, P. van Gageldonk, T. Sniekers en Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (RvdJ 2011/75) - X / Peter R. de Vries, misdaadverslaggever (SBS6 en Endemol Nederland BV) (RvdJ 2011/76) |
| Lees verder... |
|
|
| ma 31 okt 2011 -
Uitspraken vastgesteld d.d. 28 oktober 2011 - X / 1. T. van der Mee en AD; 2. J. Snel en Blauw Bloed (EO) (RvdJ 2011/70) - drs. M. Kat, K. Ferwerda, E. Donk en W. Dankbaar / J. de Boer, Leeuwarder Courant, Dagblad van het Noorden, De Gooi- en Eemlander en Haarlems Dagblad - herziening (RvdJ 2011/71) |
| Lees verder... |
|
|
| ma 31 okt 2011 -
Uitspraken vastgesteld d.d. 21 oktober 2011 - X, Y en Z / F. Pasma en Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (RvdJ 2011/67) - X, Y en Z / B. Thimister en Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (RvdJ 2011/68) - X, Y en Z / Hart van Nederland (SBS) (RvdJ 2011/69) |
| Lees verder... |
|
|
| di 18 okt 2011 -
Uitspraak vastgesteld d.d. 7 oktober 2011 - J. van de Bunt / B. van Egmond, M. Bergman en de Alkmaarsche Courant (RvdJ 2011/66) |
| Lees verder... |
|
|
| ma 3 okt 2011 -
Uitspraak vastgesteld d.d. 30 september 2011 - M. Peters en R. Kluijver / L. Witteman en HP/De Tijd (RvdJ 2011/65) |
| Lees verder... |
|
|
| do 29 sept 2011 -
Uitspraken vastgesteld d.d. 27 september 2011 - M.A. Kaatee / P. Vugts en Het Parool (RvdJ 2011/63) - M.A. Kaatee / B. Middelburg en Het Parool - herziening (RvdJ/2011/64) |
| Lees verder... |
|
|
| di 27 sept 2011 -
Uitspraken vastgesteld d.d. 21 september 2011 - Ministerie van Volksgezondheid in Suriname / H. Boerboom en RNW (RvdJ 2011/61) - X / H. Boerboom en RNW (RvdJ 2011/62) |
| Lees verder... |
|
|
| ma 26 sept 2011 -
Uitspraak vastgesteld d.d. 16 september 2011 - X / TROS Radar (RvdJ 2011/60) |
| Lees verder... |
PRINTVERSIE

