> Uitspraken > Recente uitspraken >
PRINTVERSIE
Hieronder volgen samenvattingen van recente uitspraken van de Raad voor de Journalistiek. Via de link die onder elke samenvatting is vermeld, kunt u de volledige uitspraak opvragen. Een uitspraak wordt altijd eerst aan de desbetreffende partijen gestuurd en enkele dagen later op de website van de Raad gepubliceerd.


Uitspraken vastgesteld d.d. 19 december 2011
door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, dr. H.J. Evers, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.
 
X / E. Post en de Leeuwarder Courant
Uitspraak: deels gegrond
De klacht richt zich tegen de publicatie “Tandarts naar rechter om eigen praktijk”. In de publicatie is ten onrechte vermeld dat klager een bestuursrechtelijke procedure is gestart om opgenomen te worden in het BIG-register. Vaststaat dat klager reeds was ingeschreven en dat de procedure gaat over het verwijderen van een aantekening. Deze feiten blijken uit het register en zijn aan de orde geweest ter zitting van de bestuursrechter.
Verder is ten onrechte onvermeld gelaten dat van de beschreven tientallen klachten slechts twee door het tuchtcollege zijn gehonoreerd. Hierdoor is de onjuiste suggestie gewekt dat de tientallen klachten gegrond waren en dat klager jarenlang op grote schaal ondeugdelijk werk zou hebben geleverd.
Het voorgaande heeft ook invloed op de vraag of klagers naam in de publicatie kon worden vermeld. Hoewel in beginsel geen bezwaar bestaat tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een bestuursrechtelijke procedure, is het in deze context journalistiek onzorgvuldig om de volledige naam van klager te vermelden. Door de combinatie van de onvolledige en tendentieuze berichtgeving over klager en de vermelding van zijn naam, is zijn privacy disproportioneel aangetast. (vgl. punten 2.4.1. en 2.4.10. van de Leidraad). Op bovenstaande punten is de klacht gegrond.
Voor zover klager heeft betoogd dat de publicatie nog andere feitelijke onjuistheden bevat, is de Raad van oordeel dat deze niet van zodanige aard zijn dat daarmee grenzen zijn overschreden van wat journalistiek toelaatbaar is.
Trefwoorden:
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving, tendentieuze berichtgeving
·         Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
·         Privacy: vermelding persoonlijke gegevens
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/87
 
X / K. Geurtsen, I. van Woerden en de hoofdredacteur van HP/De Tijd - herziening
Uitspraak: toegewezen c.q. onthouding oordeel
Klagers hebben een klacht ingediend tegen de publicaties “De rabbi, de declaraties en de ‘spookstudenten’”, “Dóód- en dóódziek” en “De rabbijn, het geld en de werkster”. Bij uitspraak van 22 augustus 2011 (RvdJ 2011/55) heeft de Raad deze klacht gegrond verklaard. Verzoekster is door de Raad niet als medeklaagster aangemerkt, terwijl zij zich per e-mailbericht als klaagster in de zaak heeft gevoegd. Zij vraagt om herziening van de uitspraak.
Het verzoek tot herziening wordt toegewezen en de klacht van verzoekster wordt alsnog gegrond verklaard voor zover deze gelijk is aan de klachten van de reeds vermelde klagers.
Voor zover verzoekster alsnog een uitspraak wenst over haar klacht dat verweerders betreffende de publicatie van 22 april 2011 ten aanzien van haar geen wederhoor hebben toegepast, onthoudt de herzieningskamer zich van een oordeel.
Trefwoorden:
·         Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/88
 
Stichting kinderopvang Mundo / Dit Was Het Nieuws (RTL)
Uitspraak: onbevoegd
De klacht richt zich tegen het televisieprogramma “Dit Was Het Nieuws” (RTL). In de gewraakte uitzending wordt een foto door de presentator omschreven met de opmerking “Politie probeert pedo uit huis te lokken”.
De Raad oordeelt dat de inhoud van deze uitzending niet zozeer bestaat uit nieuws, maar uit satire óver het nieuws. Verweerder heeft niet beoogd aan de uitzending enige nieuwswaarde toe te voegen, waarbij de uitzending voornamelijk elementen bevat van niet-journalistieke aard, zoals (pogingen tot) satire en amusement. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitzending dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke uitzendingen niet bedoeld. De Raad acht zich daarom niet bevoegd om inhoudelijk over de klacht te oordelen.
Trefwoorden:
·         Procedure: bevoegdheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/89


Uitspraken vastgesteld d.d. 16 december 2011
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. Y.M. de Haan, drs. ir. M.C.N. Mokveld en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
 
NRC Handelsblad / BioShape Holding B.V. – herziening
Uitspraak: afgewezen
Klaagster heeft een klacht ingediend over het artikel “Bioshape trekt spoor van vernieling”. In het artikel wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan de bedrijfsactiviteiten van klaagster in Tanzania. Bij uitspraak van 8 juli 2011 (2011/45) heeft de Raad de klacht van klaagster gegrond verklaard. Verweerder heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Anders dan verzoeker van mening is, wordt naar het oordeel van de herzieningskamer in de uitspraak van de Raad niet miskend dat sprake is van onderzoek door verzoeker naar de juistheid van de beschuldigingen. Evenmin wordt in de uitspraak weersproken dat de geuite beschuldigingen aan klaagster zijn voorgelegd.
In de gewraakte uitspraak wordt – kort samengevat – geoordeeld dat in de berichtgeving het wederhoor slechts beknopt en selectief is toegepast casu quo wordt weergegeven in relatie tot de stelligheid van de beschuldigingen. Naar het oordeel van de Raad in de uitspraak van 8 juli 2011 had aanvullend onderzoek of een uitgebreidere weergave van het wederhoor kunnen leiden tot een genuanceerder beeld over klaagster, waarmee verzoeker had kunnen voorkomen dat onnodig negatief en tendentieus over klaagster werd bericht. Dat de verzoeker zich niet kan vinden in de afweging van dit oordeel, is onvoldoende grond om een verzoek tot herziening toe te wijzen.
Trefwoorden:
·        Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/84
 
R.J. Lustig / H. Talens en De Twentsche Courant Tubantia – herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoeker heeft een klacht ingediend tegen de publicatie“Over de rug van de gewone man”.
Bij uitspraak van 29 juli 2011 (2011/48) heeft de Raad deze klacht ongegrond verklaard. Verzoeker heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad van 29 juli 2011 met betrekking tot de overwegingen betreffende de wederhoor, de selectie van bronnen, het feitenonderzoek en het vermelden van de ondernemingen. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Trefwoorden:
·        Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/85
 
X / H. Talens en De Twentsche Courant Tubantia – herziening
Uitspraak: afgewezen
In De Twentsche Courant Tubantia zijn diverse artikelen verschenen over een strafzaak tegen (onder anderen) verzoekster. Bij uitspraak van 29 juli 2011 (2011/49) heeft de Raad verzoekster niet-ontvankelijk verklaard voor zover haar klacht is gericht tegen de publicaties gedateerd voor 23 september 2010, nu die klacht niet binnen zes maanden na de publicatiedatum bij de Raad is binnengekomen. De Raad heeft de klacht van verzoekster ongegrond verklaard voor zover deze is gericht tegen de berichtgeving gedateerd na 23 september 2010. Verzoekster heeft verzocht om herziening van deze uitspraak.
Ingevolge het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klaagschrift worden ingediend binnen zes maanden nadat de journalistieke gedraging heeft plaatsgevonden. Dat publicaties op internet eenvoudiger toegankelijk zijn, zoals verzoekster betoogt, laat naar het oordeel van de herzieningskamer onverlet dat de Raad oordeelt op basis van de datum waarop de journalistieke gedraging heeft plaatsgevonden. 
Daarnaast blijkt uit hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht dat zij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad met betrekking tot de overwegingen betreffende de vermelding van de naam van haar onderneming. Zij meent verder dat in de berichtgeving onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen de verdachten. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoekster met hetgeen zij in haar verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Trefwoorden:
·        Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/86


Uitspraken vastgesteld d.d. 12 december 2011
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. Y.M. de Haan, drs. ir. M.C.N. Mokveld en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
 
B.W. de Geus / M. van der Laan en Dagblad van het Noorden
Uitspraak: gegrond c.q. onthouding
Klager maakt bezwaar tegen het artikel “Wel een heel erg Van ’t Hekje” en een later gepubliceerd bericht onder de kop “Herstel”.
Klager heeft in zijn klaagschrift en in eerder contact met verweerders naar voren gebracht dat hij in het artikel niet juist is geciteerd. Verweerders menen dat de uitspraken van klager juist zijn weergegeven. Of de gepubliceerde citaten daadwerkelijk een onjuiste weergave zijn van hetgeen klager in het telefoongesprek over Van ’t Hek naar voren heeft gebracht, kan de Raad niet vaststellen. De Raad onthoudt zich met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook van een oordeel.
Verweerders hebben naar aanleiding van de discussie met klager besloten alsnog een herstelbericht te plaatsen. Uit dit bericht blijkt dat verweerders kennelijk hebben getracht aan klager tegemoet te komen door een rechtzetting te plaatsen. In het bericht wordt echter gesteld dat klager de gewraakte uitspraken wel degelijk heeft geuit.
Verweerders hebben enerzijds een herstelbericht gepubliceerd, maar anderzijds benadrukt dat klager zijn uitspraken wel degelijk heeft geuit.  Naar het oordeel van de Raad zijn door de gekozen formulering de vermeende onjuistheden niet op een deugdelijke wijze rechtgezet. Verweerders hebben op dit punt journalistiek onzorgvuldig jegens klager gehandeld.
Trefwoorden:
·         Aard van de publicatie: citaat
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
·         Rectificatie/ weerwoord: rectificatie
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/82
 
H. van ’t Hek / M. van der Laan en Dagblad van het Noorden
Uitspraak: ongegrond
De klacht betreft het artikel “Wel een heel erg Van ’t Hekje”. Het artikel betreft een portret van klager.
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het gewraakte portret hebben gebaseerd op onder meer een aantal bronnen rondom klager, zijn website en het archief en daarbij voldoende zorgvuldigheid in acht hebben genomen. Niet is gebleken dat verweerders een onzorgvuldige of eenzijdige selectie hebben gemaakt van bronnen of de feiten onvoldoende onderzocht hebben.
De Raad overweegt verder dat het voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk is dat het artikel een schets betreft van klager en dat de beschuldigende beweringen met name de perceptie van de bronnen betreffen. Het standpunt van klager dat zijn partner verdacht wordt gemaakt en wordt beticht van onbetrouwbaarheid kan niet worden gevolgd. Uit de publicatie blijkt voldoende dat de vermelding van de naam en werkzaamheden van de partner van klager slechts dient ter verduidelijking van het daarvoor weergegeven citaat.
Het is – gezien het telefonisch contact tussen verweerders en klager en de inhoud van zijn reactie – aannemelijk dat de strekking van de publicatie aan klager voldoende duidelijk moet zijn geweest. De omstandigheid dat klager heeft volstaan met een summiere reactie dient voor zijn rekening te komen. Verder stelt de Raad vast dat de reactie van klager is opgenomen in het artikel.
Trefwoorden:
·         Aard van de publicatie: portret/profiel
·         Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/83


Uitspraak vastgesteld d.d. 28 november 2011
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, drs. G.J.P. Kloosterhuis, M. Ülger en drs. ir. M.C.N. Mokveld, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
 
X / Brabants Dagblad - herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoeker heeft een klacht ingediend betreffende het artikel “Rapportage over landmeting wijst uit: geen ‘landjepik’ in [plaatsnaam]”, het artikel “Ruzie over landjepik gaat verder” en de publicatie van verzoekers ingezonden brief onder de kop “Landjepik? Boerenbedrog!”. Bij uitspraak van 2 augustus 2011 (RvdJ 2011/51) heeft de Raad de klacht gegrond verklaard voor zover deze betrekking had op het achterwege laten van wederhoor ten aanzien van het eerste artikel, waardoor een onjuiste voorstelling van zaken was gegeven. Verder heeft de Raad zich onthouden van een oordeel voor zover verzoeker had gesteld dat ten onrechte bij het tweede artikel gebruik was gemaakt van de eerste versie van zijn ingezonden brief. Ten slotte heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard voor zover verzoeker had betoogd dat in het eerste artikel ten onrechte zijn naam en herleidbare adresgegevens waren vermeld en dat ten onrechte bij de publicatie van de tweede versie van zijn ingezonden brief een aantal zinnen waren geschrapt. Verzoeker heeft verzocht om herziening van die uitspraak.
De herzieningskamer overweegt dat herziening slechts in beperkte gevallen mogelijk is. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd blijkt dat hij zich niet kan vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad.
Verzoeker heeft toegelicht dat een aantal door hem aangedragen argumenten niet of slechts verkort in de uitspraak aan de orde is gekomen. Hiermee is echter niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Volgens de herzieningskamer blijkt de kern van de standpunten van verzoeker voldoende uit de uitspraak.
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat de Raad zich ten onrechte heeft onthouden van een oordeel over het gebruik van de eerste versie van zijn ingezonden brief. Ook vindt verzoeker de kwalificatie van het eerste artikel als ‘vervolg’ op eerdere berichtgeving niet juist. Voorts is verzoeker het niet eens met het oordeel van de Raad over het schrappen van een aantal zinnen in zijn ingezonden brief.
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. (zie artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad). Het verzoek tot herziening is dan ook afgewezen.
Trefwoorden:
·         Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/81


Uitspraken vastgesteld d.d. 28 november 2011
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, ir. B.L. Hooghoudt, drs. G.J.P. Kloosterhuis en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
 
X / de Stentor
Uitspraak: deels gegrond
Klager maakt bezwaar tegen de artikelen “Hulshorstenaar sticht branden” en “Hardenees vrijgesproken van brandstichting”, die gaan over een strafzaak tegen klager.
De Raad stelt voorop dat het in het kader van verslaggeving over rechtszaken toelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. RvdJ 2010/27)
Met betrekking tot de eerste publicatie overweegt de Raad dat verweerder met de inhoud van het artikel als zodanig niet journalistiek ontoelaatbaar over de kwestie heeft bericht. Het artikel behelst een overwegend feitelijke weergave van de zaak, waarbij tevens voldoende aandacht is besteed aan de visie van klager. Het gebruik van de kop maakt echter dat verweerder met de publicatie journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens de Raad kan de inhoud van het artikel als gevolg van de te zwaar aangezette kop niet meer objectief worden gelezen. De feitelijk gestelde kop kan immers niet anders worden opgevat dan dat klager daadwerkelijk meerdere branden heeft gesticht. Het artikel zal vervolgens worden gelezen vanuit het perspectief van de kop, waarbij de lezer zich moeilijk aan de onjuiste indruk zal kunnen onttrekken dat klager schuldig is aan het plegen van meerdere strafbare feiten. De klacht is dan ook gegrond voor zover gericht tegen de eerste publicatie.
Voor zover de klacht is gericht tegen de tweede publicatie, is deze echter ongegrond. De inhoud van het artikel geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de journalist onzorgvuldig over de kwestie heeft bericht. De publicatie behelst een verslag van de uitspraak van de rechtbank, waarbij informatie uit het eerste artikel wordt herhaald. Dat klager in dit artikel is aangeduid als ‘Hardenees’ en niet opnieuw als ‘Hulshorstenaar’ is niet een zodanige omissie dat verweerder daarmee journalistiek ontoelaatbaar zou hebben gehandeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat klager ten tijde van de branden in Hulshorst woonde en daarna is verhuisd naar ’t Harde.
Trefwoorden:
·         Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
·         Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/79
 
B. Lankester en L. Hinkema / P. Zethoven en Noordhollands Dagblad
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft het artikel “Uitspraak kort geding week later”, waarin aandacht is besteed aan een civielrechtelijke procedure tussen klagers en woningbouwvereniging Beter Wonen.
De Raad overweegt dat in het algemeen geen bezwaar bestaat tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een dergelijke procedure. Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klagers waardoor van dit uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is niet gebleken. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat verweerders hebben gesteld dat de kwestie door betrokkenen in het openbaar wordt uitgevochten, hetgeen door klagers niet is weersproken. (zie punt 2.4.10. van de Leidraad van de Raad)
Verder overweegt de Raad dat het artikel een feitelijke beschrijving van de rechtszaak behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor berichtgeving van feitelijke aard. Niet is gebleken dat de publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. Overigens zijn klagers later alsnog in de gelegenheid gesteld hun visie over de zaak uiteen te zetten. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
Anders dan klagers leest de Raad in het artikel niet dat de journalist het (ten onrechte) laat voorkomen dat hij bij de zitting aanwezig is geweest. Verder blijkt uit de publicatie voldoende duidelijk dat volgens de woningbouwvereniging klagers het bestuur ‘frauduleuze transacties’ verwijten. Het gebruik van de term ‘modder gooien’ is – bezien in de context – een toelaatbare parafrase van de mening van Beter Wonen. (vgl. RvdJ 2010/27)
De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op deze punten journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Voor zover de klacht betrekking heeft op het vermelden van de namen van klagers, de suggestie dat de journalist op de rechtszitting aanwezig was, het gebruik van de term ‘modder gooien’, het in de mond leggen van de bewering ‘frauduleuze transacties’ en het niet toepassen van wederhoor, is de klacht ongegrond.
Dit ligt echter anders voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding dat klagers door de Algemene Ledenvergadering zijn weggestuurd. Klagers hebben gemotiveerd weersproken dat dit juist is. Voorts blijkt uit hetgeen verweerders hebben aangevoerd en de door hen overgelegde latere publicatie “Beter Wonen verliest kort geding” dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of de raad van toezicht al dan niet was weggestuurd of zelf was opgestapt.
Gezien de aard van het conflict waarover is bericht, betreft dit een zodanige gevoeligheid en heeft de aanduiding ‘weggestuurde leden’ een dermate negatieve lading dat het op de weg van verweerders had gelegen om met het gebruik van die aanduiding bijzonder zorgvuldig en terughoudend te zijn. Door als feit te presenteren dat klagers ‘weggestuurde leden’ zijn, terwijl niet is gebleken dat dit juist is, hebben verweerders in dit geval journalistiek onzorgvuldig jegens klagers gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
·         Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
·         Privacy: vermelding persoonlijke gegevens
·         Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/80


Uitspraken vastgesteld d.d. 24 november 2011
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, A. Mellink MPA en mw. drs. J.X. Nabibaks, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
 
Dagblad van het Noorden / X - herziening
Uitspraak: afgewezen
De hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden heeft om herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 5 juli 2011 (RvdJ 2011/43). De klacht betrof het artikel “Kinderporno op laptop conciërge”. In het artikel wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan een strafzaak tegen klager. De Raad was van oordeel dat het in de rede had gelegen als verweerder evenwichtiger en meer genuanceerd over de strafzaak tegen klager had bericht, onder meer over de (vermeende) aanwezigheid van 184 kinderpornografieafbeeldingen op de computer van klagers vriendin. Bovendien had verweerder uit eigen beweging dienen te berichten over de vrijspraak van klager, aldus de Raad.
Verzoeker heeft gesteld dat hij zich bij de berichtgeving niet heeft kunnen baseren op het vonnis. Volgens de herzieningskamer is uit de passage “Het vonnis – met de daarin weergegeven tenlastelegging – biedt in ieder geval voor deze bewering onvoldoende grondslag” niet gebleken dat het oordeel berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De inhoud van de tenlastelegging waar de Raad op doelt was voorafgaand aan de rechtszitting bekend en beschikbaar voor verzoeker.
Daarnaast heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat de officier van justitie zou hebben bevestigd dat de aanwezigheid van kinderpornografie op de laptop van de vriendin van klager ter zitting zou zijn besproken.
Uit hetgeen verzoeker verder naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de overwegingen van de Raad betreffende het gebruik van de term ‘huiszoeking’ en het verzuim van het melden van de vrijspraak van klager. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
Trefwoorden:
·         Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/77
 
X / T. van der Mee, P. Groenendijk en AD
Uitspraak: ongegrond
Klager maakt bezwaar tegen de artikelen“Zaaddonor (30) zwijgt over ziekte” en “Door mijn ziekte geef ik kinderen een hoger IQ”. Kern van de klacht is dat verweerders ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klager hebben geuit en dat de privacy van klager ongerechtvaardigd is aangetast.
Volgens de Raad hebben verweerders aannemelijk gemaakt dat zij voldoende reden hadden om aan de kwestie aandacht te besteden. De situatie dat klager bewust geen informatie deelt over zijn (mogelijk zelfs deels erfelijke) vorm van autisme met wensmoeders is maatschappelijk ongewenst.
Een groot aantal beschuldigingen in de berichtgeving is afkomstig van (anoniem gehouden) vrouwen die ten tijde van de publicatie met klager in conflict waren. Niet kan worden geoordeeld dat verweerders uitsluitend zijn uitgegaan van die bronnen als brengers van objectieve feiten. De opvattingen van deze vrouwen worden in de berichtgeving voldoende ondersteund door diverse onafhankelijke bronnen. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad van de Raad).
De bewering dat klager 22 kinderen heeft verwekt is afkomstig uit een Whatsapp-chatgesprek waarin klager dit zelf heeft gesteld. Hoewel uit de context van het gesprek blijkt dat sprake is van een negatieve toon tussen klager en zijn gesprekspartner, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet op deze bron mochten vertrouwen.
Indien al sprake is van feitelijke onjuistheden omtrent de berichtgeving over het syndroom van Asperger, zijn deze niet van dien aard dat daarmee het oordeel is gerechtvaardigd dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
De wijze waarop klager in de berichtgeving is aangeduid – met de vermelding van zijn voornamen overeenkomstig de door hem gebruikte schuilnamen op internet – en de wijze waarop zijn portret is afgebeeld – met een balkje over de ogen – zijn in dit kader journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. Mede gelet op de maatschappelijke relevantie van de publicatie, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy onvoldoende hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad en vgl. RvdJ 2011/46)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: bronnen
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
·         Privacy: algemeen
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/78


Uitspraken vastgesteld d.d. 11 november 2011
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, dr. H.J. Evers, mr. T.E. Klein en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, plaatsvervangend secretaris.
 
M. Bosch / F. Vos en Eigen! Arnhem 
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft het artikel “tarotconsult” dat in de rubriek‘eigen spiritueel’ van het tijdschrift Eigen! Arnhem is gepubliceerd.
Klager heeft allereerst gesteld dat ten onrechte melding is gemaakt van een Keltisch kruis-legging. De Raad overweegt dat de bij het artikel geplaatste foto kennelijk weergeeft op welke wijze klager de tarotkaarten tijdens het consult daadwerkelijk heeft gelegd. Klager heeft aangevoerd dat die legging geen ‘Keltisch kruis-legging’ betreft en dat hij dit vóór de publicatie aan Vos heeft kenbaar gemaakt. Niettemin heeft Vos de legging – als leek – verwoord als ‘vorm van een Keltisch kruis’. Het had verweerders gesierd als zij de tekst op dit punt hadden aangepast, nadat klager hen hierop had gewezen. Er is echter geen sprake van een zodanig ernstige omissie, dat daarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. Van andere feitelijke onjuistheden, die zouden kunnen leiden tot gegrondheid van dit onderdeel van de klacht, is niet gebleken.
Verder heeft klager gemotiveerd aangevoerd dat hij voorafgaand aan het interview met Vos heeft afgesproken dat zijn naam, telefoonnummer en website in de berichtgeving zouden worden vermeld. Dit is door verweerders niet betwist. Naar het oordeel van de Raad mocht klager er dan ook van uitgaan dat Vos de gemaakte afspraak zou nakomen. Het standpunt van verweerders dat bij redactionele artikelen nooit gegevens van betrokkenen worden geplaatst, maar dat Vos met die praktijk kennelijk (nog) niet bekend was, betreft een interne aangelegenheid tussen journalist en (hoofd)redactie en kan klager niet worden tegengeworpen. Door bewust een dergelijke afspraak met klager te maken en deze vervolgens niet na te komen, hebben verweerders jegens klager journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.
Ten overvloede merkt de Raad op dat het niet aan hem is om zich uit te laten over mogelijke schade die door klager is geleden.
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: afspraken
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/72
 
X / H. Carvalho en NRC Handelsblad
Uitspraak: ongegrond
Klaagster maakt bezwaar tegen het artikel “‘Ik heb behoefte aan politieke correctheid’”, dat een interview behelst met haar voormalig partner Y over diens nieuwe voorstelling.
Volgens de Raad zijn de bedoeling en aard van de in het artikel opgenomen informatie voor de lezer voldoende duidelijk: de publicatie behelst met name de persoonlijke visie van Y en feitelijke verslaglegging staat niet voorop. Het stond verweerders vrij om Y vragen te stellen over (de omgangsregeling met) zijn dochter. Dit geldt te meer, omdat verweerders aannemelijk hebben gemaakt dat die vragen relevant waren, aangezien Y in zijn voorstelling aandacht besteedt aan zijn persoonlijke situatie.
De Raad heeft er begrip voor dat klaagster de publicatie als grievend heeft ervaren en overweegt in dat verband dat het citaat “Ook vrouwen zijn soms daders.”, gelet op de context, ongelukkig is gekozen. In de publicatie wordt echter – objectief bezien – niet de indruk gewekt dat klaagster ‘een haatdragende vrouw is, die haar dochter weghoudt bij haar vader’. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders na afweging van alle belangen bij klaagster wederhoor hadden moeten toepassen.
Verweerders hebben geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (zie punten 1.2., 1.3., 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad van de Raad en vgl. RvdJ 2007/25)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor, selectie van nieuws
·         Feitenweergave: grievende berichtgeving
·         Aard van de publicatie: interview
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/73
 
E. van Geel, C. Tatsakis, P. de Kuyper en M. Thomaïdis-Zeebregts / W. Hack en Brabants Dagblad 
Uitspraak: onthouding oordeel
Klagers stellen dat zij in het artikel “Het is ‘onderwijs, brood en vrijheid’ bij de Grieken” onjuist en in strijd met hetgeen zij daarover met Hack hebben afgesproken zijn genoemd en geciteerd. Klagers hebben in dat verband uitvoerig uiteen gezet hoe hun contacten met Hack zijn verlopen. Verweerders hebben de lezing van klagers over de gang van zaken gemotiveerd weersproken en betoogd dat Hack niet onethisch heeft gehandeld.
De standpunten van partijen over de contacten tussen klagers en Hack staan lijnrecht tegenover elkaar en er is geen materiaal voorhanden op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is. De Raad kan zich aldus niet uitlaten over de vraag of verweerders met hun handelwijze jegens klagers journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld en onthoudt zich daarom van een oordeel.
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: afspraken
·         Procedure: onthouding oordeel
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/74
 
Cirkel Bewindvoeringen B.V. en mr. R.H.M.Ch. Libotte / H. Brinkman, P. van Gageldonk, T. Sniekers en Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
Uitspraak: ongegrond
De klacht heeft betrekking op het artikel “Onderzoek benadeling schuldenaars” met het chapeau “Rechter – Mogelijk actie tegen bewindvoerder”. Kern van de klacht is dat sprake is van onjuiste en tendentieuze berichtgeving.
De publicatie heeft betrekking op een geschil tussen klagers en de rechtbank Maastricht, onder meer inzake (het in rekening brengen van) kosten aan cliënten van klagers betreffende een softwaresysteem, dat het de cliënten mogelijk maakt informatie over hun financiële situatie te raadplegen. Gelet op hetgeen verweerders hebben aangevoerd, acht de Raad het aannemelijk dat voor hen voldoende aanleiding bestond om over de kwestie te berichten zoals zij hebben gedaan. Niet valt in te zien dat verweerders niet over de kwestie hadden mogen berichten nu inzake het conflict tussen klagers en de rechtbank nog geen definitieve uitspraak is gedaan. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
Nu de rechtbank Maastricht in dezen geen onafhankelijk rechtsprekend orgaan is, maar partij in het geschil met klagers, terwijl het standpunt van de rechtbank voor de gemiddelde lezer waarschijnlijk voor ‘waar’ zal worden gehouden, hadden verweerders wellicht een betere balans in de berichtgeving kunnen aanbrengen. Verweerders hebben echter geen meningen als feiten gepresenteerd en zakelijk over de kwestie bericht. Bovendien is het artikel gebaseerd op betrouwbaar te achten bronnen en is de reactie van klagers opgenomen, waaruit duidelijk blijkt dat zij het niet eens zijn met de standpunten van de rechtbank. Het is overigens toelaatbaar dat in het kader van verslaggeving over rechtszaken standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad en vgl. onder meer RvdJ 2010/27)
Klagers hebben verder nog gemotiveerd aangevoerd dat zij de procedure niet hebben verloren, maar niet-ontvankelijk zijn verklaard. Deze omissie is niet van zodanige aard dat verweerders daarmee journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Ook overigens is niet gebleken dat de berichtgeving relevante onjuistheden bevat.
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders niet journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld.
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor, selectie van nieuws
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving, tendentieuze berichtgeving
·         Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/75
 
X / Peter R. de Vries, misdaadverslaggever (SBS6 en Endemol Nederland BV)
Uitspraak: deels gegrond
In een uitzending van het televisieprogramma ‘Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’ is aan de orde gesteld dat personen die in Suriname strafrechtelijk zijn veroordeeld een nieuw bestaan in Nederland kunnen opbouwen en strafvervolging en/of strafexecutie ontlopen. Een groot deel van de uitzending staat in het teken van het handelen van klager en de (nalatigheid van de) autoriteiten in Nederland en Suriname. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de achtergrond van het misdrijf en het leed van de nabestaanden. In een vervolguitzending is kort gerefereerd aan de zaak van klager.
Klager heeft allereerst gesteld dat sprake is van onjuiste c.q. onvolledige berichtgeving. Volgens de Raad heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hij voldoende reden had om aan de zaak tegen klager aandacht te besteden. De situatie dat ondanks toezeggingen van de minister van Justitie na zoveel jaar nog altijd geen inhoudelijke behandeling van een strafzaak heeft plaatsgevonden, is maatschappelijk ongewenst. Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het journalistiek toelaatbaar om klager aan te duiden als ‘voortvluchtig crimineel’ en ‘moordenaar’. Daarbij overweegt de Raad dat die aanduidingen niet als juridische kwalificaties zijn gebruikt. Dat inmiddels in Nederland een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen klager is opgestart, doet niet af aan het feit dat hij waarschijnlijk in strijd met geldend recht zijn straf in Suriname is ontlopen. Ook de kwalificatie ‘roofmoord’ vindt voldoende steun in de feiten en is journalistiek niet ongebruikelijk of onzorgvuldig.
Het standpunt van klager dat in het kader van de uitzending ten onrechte is bericht over andere (vermeende) misdrijven, kan evenmin worden gevolgd. Een journalist en zijn redactie zijn immers vrij in de selectie van nieuws en het is aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)
Voor zover al sprake is van feitelijke onjuistheden, zijn deze niet van dien aard dat daarmee het oordeel is gerechtvaardigd dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.
Verder heeft klager betoogd dat zijn privacy onevenredig is aangetast. Verweerder heeft aangevoerd dat het journalistiek gebruikelijk is om in moordzaken de volledige naam van het slachtoffer te vermelden en dat het niet zinvol was de naam van klager als verdachte te anonimiseren, nu hij als familielid dezelfde achternaam heeft als het slachtoffer. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat familieleden met dezelfde achternaam zijn geïnterviewd.
De Raad overweegt dat in dit geval identificatie van het slachtoffer tevens leidt tot identificatie van klager als de verdachte. Niet valt in te zien welke maatschappelijke relevantie het vermelden van de volledige naam van klager en diens vader heeft. Verweerder had de berichtgeving eenvoudig kunnen anonimiseren, zonder enige afbreuk te doen aan de aard en inhoud ervan of de nabestaanden van het slachtoffer tekort te doen.
Verweerder heeft verder aangevoerd dat klagers naam op de officiële opsporingswebsite van de Surinaamse politie was vermeld. Volgens de Raad was de vermelding van de naam van klager in de uitzending echter niet noodzakelijk in het kader van opsporingsberichtgeving, nu de verblijfplaats van klager bekend was bij justitie. Niet is gebleken dat klagers naam met de vermelding op die website in Nederland zodanig bekend is geworden, dat zijn belang bij de bescherming van zijn privacy geen betekenis meer heeft.
Ten slotte heeft verweerder erop gewezen dat hij klager heeft genoemd in een uitzending van 2007 en dat diens naam in andere media is vermeld. De Raad overweegt in dit verband dat de eerdere berichtgeving over klager dateert van geruime tijd vóór de gewraakte uitzendingen. Wellicht was de naam van klager destijds een feit van algemene bekendheid, maar niet is gebleken dat dit nog steeds het geval is. (vgl. RvdJ 2006/71 en RvdJ 2006/46)
De Raad is van oordeel dat verweerder niet op verantwoorde wijze de belangen van klager bij de bescherming van diens privacy heeft afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend. Er is sprake van een ongerechtvaardigde aantasting van klagers privéleven. Dit onderdeel van de klacht is gegrond. (zie punten 1.3., 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: selectie van nieuws
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
·         Privacy: slachtoffers/nabestaanden, verdachten/veroordeelden
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/76


Uitspraken vastgesteld d.d. 28 oktober 2011
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
 
X / 1. T. van der Mee en AD; 2. J. Snel en Blauw Bloed (EO)
Uitspraak: ongegrond
Klager is op Prinsjesdag 2010 (21 september) aangehouden omdat hij een glazen waxinelichthouder naar de gouden koets heeft gegooid. Diverse media hebben over dit incident en de daarop volgende strafzaak tegen klager bericht. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop diverse media, waaronder verweerders, over het incident hebben bericht. De voorzitter en de secretaris van de Raad hebben bij beslissing van 14 maart 2011 op de voet van artikel 4a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad geoordeeld dat de Raad evident onbevoegd is om te oordelen over uitlatingen van politie en justitie. Voor zover de klacht betrekking heeft op de berichtgeving in diverse media hebben de voorzitter en secretaris klager in zijn klacht evident niet-ontvankelijk verklaard. Klager heeft tegen die beslissing beroep aangetekend. De Raad heeft klager in zijn beroep ontvangen en het beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen de evident niet-ontvankelijk verklaring betreffende de volgende publicaties: “De koningin draagt een zware last” in het AD van 22 september 2010 en de uitzending van Blauw Bloed (EO) van 26 september 2010. De Raad heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Conform artikel 4a lid 6 van het Reglement is de klacht vervolgens deels in behandeling genomen.
Kern van de klacht is dat zowel verweerders ad 1. als verweerders ad 2. onjuiste, grievende kwalificaties hebben gebruikt ter aanduiding van klager.
De Raad overweegt dat bij het gebruik van kwalificaties ten aanzien van de psychische gesteldheid van degene waarover wordt bericht – zoals in dit geval de aanduidingen ‘verward’ en ‘gestoord’ – bijzondere zorgvuldigheid is geboden.
In dit geval is de kwalificatie ‘verward’ overgenomen uit de persberichten van de politie die over de zaak zijn uitgebracht. In die persberichten is ter zake vermeld dat klager in het eerste contact met de politie verward overkomt. Met het overnemen van deze kwalificatie hebben verweerders – gelet op het feit dat een persbericht van de politie in het algemeen als betrouwbare bron kan worden aangemerkt – niet onzorgvuldig gehandeld.
In de persberichten van de politie is verder vermeld dat klager een psychiatrisch verleden heeft. Gezien de maatschappelijke onrust die is opgetreden naar aanleiding van de daad van klager en in aanmerking genomen dat hij bij de politie verward is overgekomen, hebben verweerders in dit geval niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld door ten aanzien van klager de aanduidingen ‘gestoord’ en ‘psychische stoornis’ te hanteren. Daarbij overweegt de Raad dat verweerders met die aanduidingen niet hebben beoogd klager in medische zin te kwalificeren. In de berichtgeving is duidelijk aangesloten bij de formuleringen van politie en justitie en bij dagelijks spraakgebruik voor ‘afwijkend gedrag’.
Nu overigens niet is gebleken dat de gewraakte berichtgeving relevante feitelijke onjuistheden bevat of verweerders anderszins journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld, komt de Raad tot de slotsom dat de klacht ongegrond is. (zie punten 1.1. en 1.5 van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
·         Procedure: bevoegdheid, ontvankelijkheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/70
 
Drs. M. Kat, K. Ferwerda, E. Donk en W. Dankbaar / J. de Boer, Leeuwarder Courant, Dagblad van het Noorden, De Gooi- en Eemlander en Haarlems Dagblad - herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoekers hebben geklaagd over onder meer de artikelen “Kollumse belaagd door Vaatstra-speurders” en “Vogelvrij”. Bij uitspraak van 23 juni 2011 heeft de Raad de klacht op een onderdeel gegrond verklaard, op zes onderdelen ongegrond verklaard en zich voor het overige onthouden van een oordeel (RvdJ 2011/42). Klagers hebben verzocht om herziening van die uitspraak.
De herzieningskamer overweegt allereerst dat geen aanleiding bestaat om verzoekers de gelegenheid te geven hun standpunten ter zitting toe te lichten. Dat verzoekers op de zitting van de Raad van 29 april 2011 ervoor hebben gekozen om geen toelichting op hun klacht te geven – omdat hen niet werd toegestaan opnamen te maken – doet daaraan niet af, aangezien dat voor hun rekening dient te komen.
Verder overweegt de herzieningskamer dat herziening slechts in beperkte gevallen mogelijk is. Verzoekers hebben allereerst bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop hun klacht is behandeld. Hetgeen zij ter zake hebben aangevoerd, brengt echter – voor zover al juist – niet mee dat de inhoudelijke beoordeling van hun klacht berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Uit hetgeen verzoekers verder hebben aangevoerd blijkt dat zij zich niet kunnen vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Verzoekers hebben in dit verband toegelicht dat een aantal door hen aangedragen argumenten niet of slechts verkort in de uitspraak aan de orde is gekomen. Hiermee is echter niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Naar het oordeel van de herzieningskamer blijkt de kern van de standpunten van verzoekers voldoende uit de uitspraak.
Naar het oordeel van de herzieningskamer hebben verzoekers met hetgeen zij in hun verzoekschrift hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
Trefwoorden:
·         Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/71


Uitspraken vastgesteld d.d. 21 oktober 2011
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
 
X, Y en Z / F. Pasma en Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
Uitspraak: deels gegrond
Klagers maken bezwaren tegen de publicaties “’Verduistering bij bejaardenclub’”, “Aangifte bejaardenclub” en “Schinnen hield subsidie achter tot bestuurswissel”. Volgens klagers worden zij in de berichtgeving beschuldigd van verduistering en daartoe veroordeeld terwijl dat niet is bewezen, zodat sprake is van laster en kwetsende berichtgeving. Verder hebben zij gesteld dat geen wederhoor is toegepast en dat met het vermelden van hun namen inbreuk is gemaakt op hun privacy.
Volgens de Raad hebben verweerders duidelijk gemaakt welke bronnen zij hebben geraadpleegd. Daartoe behoort ook de aangifte tegen klagers. Zij hebben daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat voor de berichtgeving een deugdelijke grondslag bestond. Daarbij overweegt de Raad dat nu tegen klagers aangifte is gedaan, dit betekent dat zij ergens van zijn beschuldigd. Bij objectieve lezing kan niet uit de berichtgeving worden afgeleid dat klagers al zijn veroordeeld. Verweerders hebben niet onnodig grievend over de kwestie bericht. Dat klagers zich door deze berichtgeving gekwetst voelen, is onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerders op dit punt journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. De klacht is op dit punt ongegrond. (zie punten 1.1. en 2.2.5 van de Leidraad van de Raad)
Verder constateert de Raad dat in de artikelen de feitelijke situatie is beschreven en dat voorts de verschillende kanten van het verhaal zijn belicht. Of verweerders het verhaal van klagers al dan niet geloven, is niet relevant; in de berichtgeving is door verweerders ter zake geen standpunt ingenomen. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun visie over de kwestie naar voren te brengen. In de artikelen met de koppen “Aangifte bejaardenclub” en “Schinnen hield subsidie achter tot bestuurswissel” is de visie van klagers opgenomen. Bij het artikel met de kop “Verduistering bij bejaardenclub” was dat gezien de feitelijke inhoud van het bericht, dat later in de krant werd vervolgd, niet nodig. Verweerders hebben op dit punt evenmin journalistiek onzorgvuldig gehandeld, zodat ook dit onderdeel van de klacht ongegrond is. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
Ten slotte overweegt de Raad dat met het vermelden van namen van personen waartegen aangifte van een strafbaar feit is gedaan, terughoudend moet worden omgegaan. De berichtgeving gaat over een conflict tussen twee besturen van een bejaardenclub. In dit geval was het in het kader van de berichtgeving niet nodig om de namen van klagers, als leden van het oud-bestuur, te vermelden. Klagers hadden anoniem kunnen worden genoemd of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving. Niet valt in te zien dat door het weglaten van de volledige namen van klagers een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de lezer zou zijn ontstaan. Dat klagers wellicht ook zonder vermelding van hun namen voor de lokale gemeenschap herkenbaar zouden zijn, betekent nog niet dat hun belang bij de bescherming van hun privacy buiten die gemeenschap geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden vormt het vermelden van de volledige namen van klagers in de gewraakte berichtgeving een ongerechtvaardigde aantasting van hun privéleven. Verweerders hebben op dit punt grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is daarom gegrond. (zie punten 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
·         Feitenweergave: grievende, tendentieuze berichtgeving
·         Privacy: verdachten/veroordeelden, vermelding persoonlijke gegevens
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/67
 
X, Y en Z / B. Thimister en Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
Uitspraak: ongegrond
De klacht betreft het artikel “Man van afpersing verdacht”. Klagers menen dat ten onrechte in het artikel wordt beschreven dat zij iemand bedreigd zouden hebben. Volgens klagers wordt hun strafzaak ten onrechte in de krant breed uitgemeten en worden zij in het artikel al veroordeeld. Verder stellen zij dat zij door de publicatie in hun goede naam en eer zijn aangetast.
De Raad overweegt dat klagers niet in het artikel zijn genoemd en daardoor niet voor het publiek identificeerbaar zijn. Hetgeen in de publicatie is beschreven, kan daarom niet worden gekoppeld aan klagers. Van onnodige publicatie van details, die extra leed toevoegen aan het slachtoffer of diens naaste familieleden, is geen sprake. Volgens de Raad is de privacy van klagers dan ook niet aangetast. Verweerders hebben in redelijkheid de belangen die zijn gediend met de publicatie voorrang kunnen geven boven de belangen van klagers. Dat klagers wellicht in hun omgeving op de publicatie zijn c.q. kunnen worden aangesproken, kan daaraan niet afdoen. (zie punten 2.4.1., 2.4.6., 2.4.8. en 2.4.9. van de Leidraad van de Raad)
Uit hetgeen partijen verder hebben aangevoerd, blijkt dat verweerders waarheidsgetrouw over de kwestie hebben bericht. Bij objectieve lezing kan uit het artikel niet worden afgeleid dat klagers al zijn veroordeeld. Van relevante onjuistheden is niet gebleken. (zie punt 1.1. van de Leidraad)
Daargelaten de vraag of verweerders in dit geval gehouden waren om wederhoor toe te passen, stelt de Raad verder vast dat zij de raadsman van klagers om een reactie hebben gevraagd. Dat deze geen inhoudelijk commentaar wilde geven, kan verweerders niet worden toegerekend. (zie punten 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad)
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders niet journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. (zie ook punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor, selectie van nieuws
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
·         Privacy: algemeen, slachtoffers/nabestaanden
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/68
 
X, Y en Z / Hart van Nederland (SBS)
Uitspraak: deels gegrond
In een uitzending van Hart van Nederland is aandacht besteed aan valse aangiften van zedenmisdrijven en de grote gevolgen hiervan voor een vermeende verdachte van een zedendelict. In de uitzending heeft de vader/ex-man van klaagsters [A] zijn verhaal gedaan.
De Raad begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat hij met de uitzending heeft beoogd duidelijk te maken wat de gevolgen zijn voor iemand die is beschuldigd van een zedendelict, terwijl de aangifte niet tot veroordeling heeft geleid, en dat hij in die context de term ‘valse aangifte’ heeft gebruikt. Verweerder heeft verder aangevoerd dat onder die term zowel opzettelijke als onopzettelijke valse aangiften worden verstaan. Aangezien echter in de uitzending geen onderscheid wordt gemaakt tussen dergelijke aangiften, kan de term ‘valse aangifte’ – met name door het gebruik van het woord ‘vals’ – volgens de Raad tot verwarring leiden en door het grote publiek eenvoudig worden uitgelegd als een moedwillig gedane onterechte beschuldiging van seksueel misbruik; een opzettelijke valse aangifte. De aangiften van klaagsters X en Y zijn in de uitzending als ‘valse aangiften’ gepresenteerd; de Raad acht het aannemelijk dat bij het grote publiek de indruk is ontstaan dat zij moedwillig hun vader onterecht hebben beschuldigd. Dat in de uitzending is vermeld dat de zaak is geseponeerd, maakt onvoldoende duidelijk dat ten aanzien van klaagsters een onopzettelijke valse aangifte is bedoeld. Naar het oordeel van de Raad is het gebruik van de term ‘valse aangifte’ zonder nadere uitleg daarom in dit geval journalistiek onzorgvuldig. (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad)
De Raad overweegt voorts dat het rapport “Lastige Verhalen” de aanleiding voor verweerder was om een item te maken over ‘valse aangiften’ en de grote gevolgen hiervan voor een vermeende verdachte van een zedendelict. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de uitzending voldoende nieuwswaarde had en een maatschappelijk belang diende. Het stond verweerder vrij in de context van de uitzending een persoon aan het woord te laten tegen wie aangifte over een zedenmisdrijf is gedaan en daar niet voor is veroordeeld. Verweerder heeft zich bij de keuze van deze persoon laten leiden door een adviseur die op dit terrein deskundig kon worden geacht. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad)
Daarbij komt dat het item is gemaakt vanuit het perspectief van [A], waarbij deze onder meer vertelt over zijn vermoedens ten aanzien van de beweegredenen voor de beschuldigingen. [A] is zodanig onherkenbaar in beeld gebracht, dat hij niet voor het grote publiek herkenbaar is. Klaagsters zijn niet met naam genoemd en verder ook niet identificeerbaar. Van onnodige publicatie van details, die extra leed toevoegen aan de slachtoffers of hun naaste familieleden, is geen sprake. (zie punten 2.4.8. en 2.4.9. van de Leidraad)
Hoewel klaagsters de uitzending als grievend hebben ervaren, kan niet worden geconcludeerd dat zij – objectief bezien – door de uitzending worden gediskwalificeerd. Reeds daarom behoefde verweerder dan ook geen wederhoor bij klaagsters toe te passen. In de gegeven omstandigheden mocht verweerder afgaan op het feit dat [A] door diens advocaat naar voren was geschoven als een representatief voorbeeld voor de uitzending en kon verweerder volstaan met een toetsing van de betrouwbaarheid van het verhaal van [A] op basis van de hem beschikbare informatie.
Op dit punt heeft verweerder niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld. (zie punten 2.2.3., 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
·         Feitenweergave: onjuiste, grievende berichtgeving
·         Privacy: algemeen, slachtoffers/nabestaanden
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/69


Uitspraak vastgesteld d.d. 7 oktober 2011
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, T.R. Harkema, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.
 
J. van de Bunt / B. van Egmond, M. Bergman en de Alkmaarsche Courant
Uitspraak: niet-ontvankelijk c.q. ongegrond
De klacht betreft zeven publicaties in de Alkmaarsche Courant die zijn verschenen over (problemen rond) de opening van een kinderdagverblijf. Kern van de klacht is dat het conflict van klager en zijn buurtbewoners met de kinderopvang in zijn wijk eenzijdig wordt belicht. Volgens klager is onvoldoende wederhoor toegepast en hebben verweerders onvoldoende onderzoek verricht naar de juistheid van het standpunt van de gemeente.
Voor zover de klacht is gericht tegen vier publicaties uit 2010 is klager daarin niet-ontvankelijk, nu die klacht niet binnen zes maanden na de respectieve publicatiedata bij de Raad is binnengekomen.
Verder overweegt de Raad dat verweerders aandacht hebben besteed aan een rechtszaak en aan een besluit van het college van B&W op een bezwaar van omwonenden. Daarnaast is een reportage verschenen betreffende de opening van de kinderopvang. Er bestaat geen journalistieke norm die meebrengt dat verweerders bij publicaties over de procedures en conflicten tussen klager en de gemeente dan wel de kinderopvang, aan de visie van beide partijen altijd evenveel aandacht behoren te geven.
In de berichtgeving over de bestuursrechtelijke procedure waarin klager partij is, komen zijn standpunten voldoende naar voren. Dit laat onverlet dat verweerders niet verplicht zijn de visie van klager in de berichtgeving rond de opening van het kinderdagverblijf te betrekken nu die voornamelijk betrekking heeft op de werkwijze van de kinderopvang en er geen sprake is van enige diskwalificatie van klager. De klacht tegen de overige drie publicaties is dan ook ongegrond. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: selectie van nieuws, hoor en wederhoor
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
·         Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
·         Procedure: ontvankelijkheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/66


Uitspraak vastgesteld d.d. 30 september 2011
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. drs. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
 
M. Peters en R. Kluijver / L. Witteman en HP/De Tijd
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft de publicatie “Het Kamerlid, de liefde & de ontvoering”. Volgens klagers is sprake van onvolledige, eenzijdige en tendentieuze berichtgeving, waarbij zij lichtvaardig verdacht zijn gemaakt. Verder hebben zij gesteld dat de publicatie grove inbreuk maakt op hun persoonlijke levenssfeer.
De Raad stelt voorop dat het artikel gaat over een persoon die een openbare functie bekleedt. Verweerders hebben ter zake gesteld dat Peters zich in haar publiek functioneren voordoet als iemand die het naleven van fatsoensnormen door mensen met een openbare functie benadrukt, maar daar in haar persoonlijke situatie op verschillende momenten tijdens haar leven geen blijk van heeft gegeven. Daarbij gaat het volgens verweerders niet alleen om de aan de orde gestelde kinderontvoering, maar ook over vermeende belangenverstrengeling en schijn van partijdigheid van Peters tijdens de behandeling van een subsidieaanvraag van Kluijver. Volgens de Raad hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat op zich met de publicatie, waarin de handelwijze van een Tweede Kamerlid aan de kaak wordt gesteld, een algemeen maatschappelijk belang is gediend.
De publicatie bevat de zinsneden ‘medeplichtig aan kinderontvoering’, ‘medeplichtig aan ontvoering’ en ‘zes jaar later heeft Mariko Peters, nu Tweede Kamerlid voor GroenLinks, zich zelfs medeplichtig gemaakt aan ontvoering van zijn kinderen’. In het artikel staat verder dat sprake is van kinderontvoering door Kluijver en dat Peters vervolging wegens medeplichtigheid riskeert.
De Raad constateert dat het door verweerders verrichte onderzoek is gebaseerd op informatie afkomstig van de kant van de ex-vrouw van Kluijver. In de publicatie zijn vervolgens ernstige beschuldigingen jegens klagers geuit over een emotioneel beladen zaak, die juridisch gezien gecompliceerd ligt en waarin Kluijver en diens ex-vrouw verschillende, tegenstrijdige standpunten innemen. Naar het oordeel van de Raad kan in ieder geval uit de stukken worden opgemaakt dat bij de echtscheiding niet het voogdijschap is geregeld. Uit de stukken blijkt verder niet onomstotelijk dat daadwerkelijk sprake is geweest van kinderontvoering. Gezien alle omstandigheden had het op de weg van verweerders gelegen bij hun onderzoek mede informatie te betrekken waarin de zaak vanuit de kant van Kluijver wordt belicht. Niet is gebleken dat verweerders dergelijke informatie, zoals de stukken die door klagers zijn overgelegd, bij hun onderzoek hebben betrokken. Aldus moet worden geconcludeerd dat verweerders te selectief en te eenzijdig zijn geweest in hun onderzoek en de daarop gevolgde publicatie. Zij hebben beschuldigingen aan het adres van klagers gepubliceerd, die niet worden onderbouwd door deugdelijk onderzoek, noch hebben zij op enige wijze duidelijk gemaakt dat zij het artikel vanuit het perspectief van de ex-vrouw hebben geschreven.
Met betrekking tot de toepassing van wederhoor komt de Raad tot het oordeel dat ten aanzien van het bij Peters toegepaste wederhoor niet journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat Peters, gelet op haar maatschappelijke positie en haar ervaring met de pers, voldoende tijd heeft gehad om te reageren en overigens ook niet aan verweerders heeft laten weten dat zij meer tijd nodig had. De stelling van klagers dat Peters ten onrechte geen inzage vooraf heeft gekregen, volgt de Raad niet. Indien aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, behoeft die betrokkene niet steeds vooraf volledig te worden geïnformeerd over de inhoud van de publicatie. Het is aannemelijk dat de strekking van de publicatie aan Peters, althans haar voorlichter, voldoende duidelijk moet zijn geweest. De omstandigheid dat Peters heeft volstaan met een summiere reactie – die is opgenomen in het artikel – en de mogelijkheid dat zij noch haar persvoorlichter de impact van het artikel goed heeft overzien, dienen voor haar rekening te komen.
Ten aanzien van Kluijver ligt dit anders. Verweerders vonden het niet nodig Kluijver zelf te benaderen voor een reactie. Zij hebben aangevoerd dat het artikel over Peters gaat en dat het redelijk is om ervan uit te gaan dat Kluijver in deze wordt vertegenwoordigd door Peters. De Raad volgt deze stelling niet. Op grond van het artikel en de daarin beschreven situatie kan Kluijver worden geïdentificeerd. Ook Kluijver wordt door de publicatie in zijn persoonlijke levenssfeer geraakt en geschaad. Het had daarom op de weg van verweerders gelegen om Kluijver te benaderen voor een reactie. Verweerders hebben ten aanzien van Kluijver journalistiek onzorgvuldig gehandeld door bij de publicatie voorbij te gaan aan de persoonlijke levenssfeer van Kluijver en hem geen gelegenheid tot wederhoor te bieden.
Ten aanzien van de inbreuk op de privacy van Peters overweegt de Raad ten slotte dat zij een openbare functie bekleedt. Voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies is een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit onvermijdelijk. Hun gedrag in de privésfeer heeft recht op bescherming tegen ongewilde inbreuken, tenzij dat gedrag aantoonbaar van invloed is op hun publiek functioneren. Gelet op hetgeen de Raad eerder heeft overwogen ten aanzien van de maatschappelijke relevantie van de publicatie, moet worden geconcludeerd dat de privacy van Peters niet disproportioneel is geschaad.
De klacht is derhalve gegrond voor zover beschuldigingen over kinderontvoering aan het adres van klagers zijn gepubliceerd zonder deugdelijk onderzoek en Kluijver geen gelegenheid tot wederhoor is geboden. Voor het overige is de klacht ongegrond. (zie punten 1.1., 1.5., 2.2.5., 2.3.1. en 2.4.2. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
·         Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
·         Privacy: algemeen, bekende persoonlijkheden
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/65


Uitspraken vastgesteld d.d. 27 september 2011
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, T.R. Harkema, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.
 
M.A. Kaatee / P. Vugts en Het Parool 
Uitspraak: deels gegrond
Klager maakt bezwaar tegen de artikelen “Gokhallen Wallen gesloten” en “Kaatee blijft bij onschuld”
De Raad overweegt dat in de berichtgeving naar voren komt dat de overheid klager ziet als stroman van Holleeder en hem zijn vergunningen ontneemt in het kader van de Wet Bibob. Uit hetgeen door klager is overgelegd is voldoende aannemelijk geworden dat het besluit van de gemeente tot weigering van de vergunningen zijn oorzaak vindt in de financieringsrelatie die klager heeft met Paarlberg. Klager heeft verder gemotiveerd aangevoerd dat voor de beschuldiging omtrent de relatie met Holleeder geen grond bestaat, omdat hij onder meer onherroepelijk is vrijgesproken. Uit de berichtgeving wordt verder niet duidelijk op welke verifieerbare feiten of bronnen de beschuldiging aan het adres van klager is gebaseerd.
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders ten onrechte de indruk gewekt dat de oorzaak van de weigering van de gemeente ligt in de relatie van klager met Holleeder. Gelet op de mogelijke impact van deze beschuldiging had het in de rede gelegen als verweerders evenwichtiger en meer genuanceerd over deze relatie hadden bericht door de informatie over de visie van de overheid elders te verifiëren. Niet is gebleken dat een dergelijke verificatie heeft plaatsgevonden. Aldus is sprake van tendentieuze en journalistiek onzorgvuldige berichtgeving. Voor zover de klacht ziet op het gebruik van de kwalificatie ‘stroman van topcrimineel Willem Holleeder’ is deze gegrond. (zie punten 1.1. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
Verder overweegt de Raad dat de kern van de berichtgeving bestaat uit het feit dat de gemeente weigert een exploitatievergunning af te geven, hetgeen zou blijken uit informatie van de gemeente. Verweerders mochten uitgaan van de juistheid van de mededeling door de gemeente, hetgeen ook niet is betwist. Het beginsel van wederhoor geldt immers niet voor berichtgeving van feitelijke aard, terwijl niet is gebleken dat de gewraakte publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
·         Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/63
 
M.A. Kaatee / B. Middelburg en Het Parool - herziening 
Uitspraak: afgewezen
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de publicaties “Molensteeg crimineelste straat” en “Een steeg waar de misdaad nooit slaapt”. Bij uitspraak van 7 juni 2011 heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard (RvdJ 2011/40). Klager heeft de Raad verzocht om herziening van die uitspraak. Klager heeft gesteld dat zijn standpunt onvolledig in de uitspraak is verwoord. Verder kan hij zich niet vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad. Verweerders hebben niet op het herzieningsverzoek gereageerd.
Volgens het oordeel van een herzieningskamer van de Raad heeft verzoeker met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Het verzoek tot herziening is dan ook afgewezen.
Trefwoorden:
·         Procedure: herziening
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/64


Uitspraken vastgesteld d.d. 21 september 2011
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, T.R. Harkema, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.
 
Ministerie van Volksgezondheid in Suriname / H. Boerboom en RNW 
Uitspraak: ongegrond c.q. niet-ontvankelijk
Op de website van Radio Nederland Wereldomroep zijn artikelen verschenen onder de koppen “Ongeluk Nickerie: ‘Ernstige inschattingsfout chirurg Diakonessenhuis’” en“‘Kritieke situatie volksgezondheid door falend beleid’”. Kern van de klacht is dat verweerders tendentieus en onjuist hebben bericht, doordat de suggestie is gewekt dat er sprake is van één onderzoek van het ministerie en klaagster daarbij heeft nagelaten adequaat op dit rapport te reageren.
De Raad overweegt dat verweerders in de eerste publicatie geen zorg hebben gedragen voor een volledig beeld van de context van de onderzoeken. Hoewel hierdoor tot op zekere hoogte een eenzijdig beeld is ontstaan, valt echter niet in te zien hoe klaagster hierdoor in haar belangen wordt geschaad. De vermelding in het tweede artikel dat het onderzoeksrapport al geruime tijd op het bureau van de minister ligt, moet – gezien de achtergrond van deze uitdrukking – niet letterlijk worden opgevat. Het feit dat het rapport reeds geruime tijd beschikbaar is, is een vermelding van feitelijke aard die voldoende steun vindt in de feiten. Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders niet journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster hebben gehandeld.
Overigens heeft de Raad overwogen dat klaagster ter zitting haar klacht heeft willen uitbreiden, maar dat dit – in het kader van een behoorlijke klachtenbehandeling – tijdig voorafgaand aan de zitting schriftelijk dient te geschieden.
Voor zover de klacht betrekking heeft op de berichtgeving rondom de betrokken chirurg, is klaagster niet-ontvankelijk, omdat zij ter zake geen rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad.
Trefwoorden:
·        Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
·        Procedure: ontvankelijkheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/61
 
X / H. Boerboom en RNW 
Uitspraak: gegrond
De klacht betreft het artikel “Ongeluk Nickerie: ‘Ernstige inschattingsfout chirurg Diakonessenhuis’” dat op de website van Radio Nederland Wereldomroep is verschenen.
De Raad stelt voorop dat het verweerders vrijstond aandacht te besteden aan de uitkomsten van een onderzoek naar de gang van zaken in het ziekenhuis bij een ernstig ongeluk met fatale afloop voor het slachtoffer.
Verweerders waren echter op de hoogte van het feit dat naar de afhandeling van het verkeersongeluk meerdere onderzoeken zijn verricht die in hun conclusies contrair zijn. Doordat bewust geen melding is gemaakt van het bestaan en de inhoud van het andere onderzoek, ontbreekt een compleet beeld van de context van het artikel. De gemiddelde lezer zal zich daardoor moeilijk aan de indruk kunnen onttrekken dat de conclusies uit het beschreven onderzoek de enige juiste zijn en dat klager verantwoordelijkheid draagt voor de dood van een patiënt. De lezer wordt geen mogelijkheid geboden zich een juist beeld van de status van het rapport te vormen. 
Bovendien is klager niet in de gelegenheid gesteld op de beschuldigingen aan zijn adres te reageren. De Raad overweegt in dat verband dat in de berichtgeving nieuwe beschuldigingen uit een gelekt rapport aan bod komen. Het standpunt van verweerders dat de visie van klager reeds bekend was, kan daarom niet worden gevolgd.
Nu verweerders hebben nagelaten een zo volledig mogelijk beeld van de kwestie te schetsen en ook anderszins de belangen van klager onvoldoende hebben gewaarborgd, hebben zij journalistiek onzorgvuldig gehandeld. (zie punten 1.1., 1.2. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
·        Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
·        Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/62


Uitspraak vastgesteld d.d. 16 september 2011
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.
 
X / TROS Radar
Uitspraak: deels gegrond/ongegrond/onthouding oordeel
In een aantal uitzendingen van TROS Radar is aandacht besteed aan de werkwijze van klager als orthopedisch chirurg. Klager heeft gesteld dat sprake is van tendentieuze berichtgeving, waarbij onvoldoende is onderzocht of een deugdelijke grondslag bestaat voor de beschuldigingen, dat onvoldoende wederhoor is toegepast en dat zijn privacy ongerechtvaardigd is aangetast. Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.
Voor zover de klacht betrekking heeft op onjuiste, tendentieuze berichtgeving overweegt de Raad dat de beoordeling van dit onderdeel van de klacht niet met de vereiste zorgvuldigheid kan geschieden. Verweerder heeft ervoor gekozen geen verweer te voeren en heeft derhalve de Raad geen informatie verschaft omtrent de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van verweerder ernstig wordt bemoeilijkt. In het bijzonder in de onderhavige zaak is voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis van de feiten nodig dan waarover de Raad beschikt. Gezien de complexiteit van de klachten met betrekking tot de medische behandelingen kan de Raad geen gefundeerd oordeel geven zonder diepgaand feitenonderzoek, hetgeen echter mede door de houding van verweerder niet mogelijk is. De Raad onthoudt zich daarom van een oordeel over dit klachtonderdeel.
Met betrekking tot het toepassen van wederhoor voor de eerste uitzending overweegt de Raad allereerst dat verweerder in een e-mail contact heeft gezocht met klager via diens makelaar. Deze handelwijze kan niet worden beschouwd als een deugdelijke en bonafide poging tot het toepassen van wederhoor, zeker nu niet is gebleken dat verweerder zich eerder had ingespannen om rechtstreeks in contact te komen met klager; deze ongebruikelijke route is zodanig ongepast dat verweerder daarmee journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.
Verder blijkt dat ruim voordat met draaiende camera een bezoek werd gebracht aan klagers woning, aan verweerder bekend was gemaakt dat hij zich voor overleg diende te wenden tot klagers advocaat. De Raad apprecieert het dat verweerder prijs stelde op een persoonlijke reactie van klager, maar om met hem in contact te komen had verweerder zich kunnen inspannen om dit op andere wijze te realiseren. Niet is gebleken dat verweerder dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. Voor het ultimum remedium van een overval met draaiende camera bestond op dat moment nog geen rechtvaardiging. (vgl. RvdJ 2010/30)
Gezien de inhoud van de brief die klagers advocaat – naar aanleiding van het bezoek aan klagers woning – aan verweerder heeft gestuurd, had voorts bij verweerder bekend kunnen zijn dat bij klager c.q. diens advocaat de strekking van de uitzending wellicht onvoldoende duidelijk was. Het had op de weg van verweerder gelegen klager c.q. diens advocaat daarover nader te informeren althans op zijn minst de cursieve passage uit de brief in de uitzending te verwerken. Niet gebleken is dat het een of het ander is gebeurd. Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder ten aanzien van de eerste uitzending niet op deugdelijke wijze wederhoor heeft toegepast.
Met betrekking tot de vervolguitzendingen, waarin de zaak vanuit andere invalshoeken opnieuw wordt belicht, is niet gebleken dat verweerder enige poging heeft ondernomen om klager gelegenheid te bieden om te reageren op de beschuldigingen. Het was verweerder bekend dat deze mogelijkheid bestond via de advocaat van de klager. Door dit na te laten heeft verweerder journalistiek onzorgvuldig gehandeld.
Voor zover de klacht betrekking heeft op het onvoldoende toepassen van wederhoor, is deze dan ook gegrond. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
Ten slotte meent de Raad dat geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder de belangen van klager bij de bescherming van diens privacy onvoldoende heeft afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. Klager was destijds een expert op het gebied van orthopedische chirurgie en als zodanig kenbaar voor het publiek. Daarnaast kan de vermelding van de naam van klager van belang zijn omdat verwarring met beroepsgenoten hiermee kan worden voorkomen. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat de privacy van klager door het vermelden van zijn naam en de weergave van zijn foto disproportioneel is geschaad. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: camera-overvaltechniek, hoor en wederhoor
·         Privacy: foto’s, vermelding persoonlijke gegevens
·         Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
·         Procedure: medewerking aan procedure
Publicatie op www.rvdj.nl/2011/60




vr 2 sept 2011 - Uitspraken vastgesteld d.d. 24 augustus 2011
- S.F.W. Laan en Quality Investments International AG / M. Rotteveel en De Pers (RvdJ 2011/58)
- J.W.M. Veerenhuis-Lens / P. Sijpersma en Dagblad van het Noorden (RvdJ 2011/59)

Lees verder...




di 30 aug 2011 - Uitspraken vastgesteld d.d. 23 augustus 2011
- Pretium Telecom B.V. tegen J. Roelants en AD Nieuwsmedia (RvdJ 2011/56)
- Feyenoord Rotterdam N.V. tegen J. de Koster en RTV Rijnmond (RvdJ 2011/57)

Lees verder...




di 30 aug 2011 - Uitspraak vastgesteld d.d. 22 augustus 2011
- X, Y en kinderen Y tegen mw. K. Geurtsen, I. van Woerden en HP/De Tijd (RvdJ 2011/55)

Lees verder...




di 23 aug 2011 - Uitspraken vastgesteld d.d. 17 augustus 2011
- X / Brabants Dagblad (RvdJ 2011/53)
- X / RTV Noord (RvdJ 2011/54)

Lees verder...




wo 17 aug 2011 - Uitspraken vastgesteld d.d. 2 augustus 2011
- X / Brabants Dagblad (RvdJ 2011/51)
- Cinjee Advies / H. Drost, hoofdredacteur AssurantieMagazine (RvdJ 2011/52)

Lees verder...




di 2 aug 2011 - Uitspraken vastgesteld d.d. 29 juli 2011
- R.J. Lustig / H. Talens en De Twentsche Courant Tubantia (RvdJ 2011/48)
- X / H. Talens en De Twentsche Courant Tubantia (RvdJ 2011/49)
- mr. F. IJspeerd / Binnenlands Bestuur - herziening uitspraak RvdJ 2011/15 (RvdJ 2011/50)

Lees verder...




do 28 juli 2011 - Uitspraken vastgesteld d.d. 21 juli 2011
- M.G.H. Brekelmans en WIO / K. Demoed, L. Staats en EenVandaag (AVRO/TROS) (RvdJ 2011/46)
- M.G.H. Brekelmans en WIO / L. van Gorkum en Brabants Dagblad (RvdJ 2011/47)

Lees verder...




ma 18 juli 2011 - Uitspraak vastgesteld d.d. 8 juli 2011
- BioShape Holding B.V. / NRC Handelsblad (RvdJ 2011/45)

Lees verder...




ma 18 juli 2011 - Uitspraak vastgesteld d.d. 7 juli 2011
- X / De Telegraaf (RvdJ 2011/44)

Lees verder...




do 7 juli 2011 - Uitspraak vastgesteld d.d. 5 juli 2011
- X / Dagblad van het Noorden (RvdJ 2011/43)

Lees verder...


PRINTVERSIE