> Uitspraken > Recente uitspraken >
PRINTVERSIE
Hieronder volgen samenvattingen van recente uitspraken van de Raad voor de Journalistiek. Via de link die onder elke samenvatting is vermeld, kunt u de volledige uitspraak opvragen. Een uitspraak wordt altijd eerst aan de desbetreffende partijen gestuurd en enkele dagen later op de website van de Raad gepubliceerd.


Uitspraken vastgesteld d.d. 26 juli 2010
door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mw. F. Santing, mw. drs. P.C.J. van Schaveren en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
 
De Lafayette School / Onderwijsblad
Uitspraak: onbevoegd c.q. ongegrond
Klaagster is door een freelance medewerkster van het Onderwijsblad benaderd met het verzoek tot het houden van een telefonisch interview ten behoeve van een artikel over particuliere scholen. Nadat klaagster met dat interview heeft ingestemd, is het interview door verweerder afgezegd met als reden dat het Onderwijsblad geen aandacht wil besteden aan Scientology. Vervolgens heeft klaagster een klacht ingediend bij het Meldpunt Discriminatie, Bureau Art.1 Gooi en Vechtstreek (hierna: het Meldpunt Discriminatie). Het Meldpunt Discriminatie heeft verweerder hierover geïnformeerd in een brief van 3 december 2009 en aan verweerder meegedeeld dat het Meldpunt Discriminatie toeziet op naleving van artikel 1 van de grondwet. Verweerder heeft op de brief van het Meldpunt Discriminatie gereageerd in een e-mailbericht van 6 januari 2010.
Voor zover de klacht is gericht tegen het e-mailbericht van 6 januari 2010 van verweerder overweegt de Raad dat dit onderdeel betrekking op de gedragingen van verweerder in het kader van een tussen klaagster en verweerder gevoerde klachtprocedure bij het Meldpunt Discriminatie. De Raad heeft in een groot aantal zaken het handelen van journalisten in het verband van de afhandeling van een in eerste instantie bij die journalisten ingediende klacht als journalistieke gedragingen aangemerkt. Echter, waar het handelen van journalisten betreft in het kader van een juridische of tuchtrechtelijke procedure – zoals in dit geval bij een klacht bij het Meldpunt Discriminatie – dient het belang van het in volle vrijheid voeren van verweer zodanig zwaar te wegen dat niet meer van een journalistieke gedraging in de zin van de Statuten kan c.q. mag worden gesproken. De Raad acht zich derhalve niet bevoegd over het e-mailbericht te oordelen. (vgl. onder meer RvdJ 2006/52)
Verder heeft klaagster betoogd dat het handelen van verweerder onacceptabel is, nu deze een interview heeft afgezegd omdat hij geen aandacht wil besteden aan Scientology. De Raad overweegt dat het verweerder vrijstond te bepalen of hij in zijn artikel over particuliere scholen tevens aandacht zou besteden aan klaagster en al dan niet tot het houden van een interview met klaagster zou overgaan. De omstandigheid dat het interview door verweerder mede zou zijn afgezegd vanwege de vermeende band tussen klaagster en de Scientology-beweging maakt dit – hoe negatief klaagster dit ook heeft mogen ervaren – niet anders. Overigens behoefde verweerder zijn keuze om niet tot het interview over te gaan, niet te verantwoorden. Verweerder heeft op dit punt niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad en vgl. RvdJ 2010/10)
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: afspraken, selectie van nieuws
·         Procedure: bevoegdheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/32
 
I.A. Furnée-Reevers e.a. / ‘Spoorloos’ (KRO)
Uitspraak: ongegrond
In januari 2010 heeft de KRO in een aflevering van het televisieprogramma ‘Spoorloos’ aandacht besteed aan de Stichting ‘Blood-Brothers TU’MBA’. Deze stichting helpt Ethiopiërs die op zoek zijn naar hun vermeende Nederlandse biologische vaders, die in de tweede helft van de 20e eeuw voor de Handelsvereniging Amsterdam (hierna: de HVA) in Ethiopië hebben gewerkt. In de uitzending wordt voor één van de Ethiopiërs door de voice-over de volgende oproep gedaan: “De vierde persoon voor wie wij een oproep doen is Essayas. Hij zoekt zijn vader de heer Furnée.”, waarbij tegelijkertijd de naam ‘F.G.H. Furnée’ in beeld is gebracht. Na de uitzending is de oproep op de website van ‘Spoorloos’ geplaatst. Nadien is nog over de kwestie bericht in een uitzending van ‘Spoorloos’, waarbij de voice-over onder meer heeft gemeld: “Uit de gesprekken die wij met alle nog levende genoemde mannen en de nabestaanden van de overleden mannen hebben gevoerd, trekken wij nu de conclusie dat hun namen door ons ten onrechte zijn genoemd. Wij moeten helaas vaststellen dat er in deze twaalf zaken geen bewijs is om te stellen dat deze voormalige medewerkers van de HVA in Ethiopië een kind hebben verwekt. Wij bieden alle betrokkenen onze uitdrukkelijke excuses aan.” Een vergelijkbaar bericht is op de website van ‘Spoorloos’ gepubliceerd. Klaagsters zijn de weduwe en de drie dochters van F.G.H. Furnée (hierna: Furnée), die in de vijftiger jaren voor de HVA in Ethiopië als chemicus in een suikerfabriek heeft gewerkt.
Niet in geschil is dat in de uitzending en op de website van verweerder ten onrechte de naam Furnée is vermeld. Verweerder had dit kunnen voorkomen door de juistheid van de door Daniel verstrekte informatie te verifiëren, bijvoorbeeld door navraag te doen bij klaagsters. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten, hetgeen hij ook heeft erkend. Door niettemin de naam Furnée te vermelden, heeft verweerder jegens klaagsters journalistiek onzorgvuldig gehandeld. (zie punten 1.1., 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
Verweerder heeft vervolgens zowel in een aflevering van ‘Spoorloos’ als op zijn website duidelijk gemaakt dat hij de naam Furnée ten onrechte in de uitzending heeft genoemd. Weliswaar is in de rectificatie op de website het woord ‘gefundeerd’ vermeld in de zinsnede “Wij moeten vaststellen dat er in deze twaalf zaken geen gefundeerd bewijs is (…)” hetgeen, gelet op de toezegging van verweerder ter zake, slordig kan worden genoemd – maar in de uitzending is die term achterwege gelaten. Voorts heeft verweerder de oproep van Essayas van zijn website verwijderd. Dat zulks pas enige tijd na de rectificatie is gebeurd, is door verweerder ter zitting toegelicht en niet journalistiek ontoelaatbaar.
Aldus hebben verweerders de hiervoor bedoelde onzorgvuldigheid op deugdelijke wijze rechtgezet. Gelet op de aard van de omissie moet de rectificatie als passend worden beschouwd. Hoewel de Raad begrijpt dat klaagsters de uitzending als bijzonder grievend hebben ervaren, heeft verweerder zijn journalistiek onzorgvuldige handelwijze rechtgezet op een in de journalistiek passende wijze. Dit leidt tot de slotsom dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. (zie punt 6.1. van de Leidraad)
Trefwoorden:
·         Feitenweergave: onjuiste, grievende berichtgeving
·         Rectificatie/weerwoord: rectificatie
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/33
 
Thermphos International B.V. en N. Galmor / B. Huisjes, B. Olmer en De Telegraaf
Uitspraak: onthouding oordeel
Op de voorpagina van De Telegraaf is het artikel “Fosforfabriek in handen maffia” verschenen. Het artikel is op pagina 5 vervolgd onder de kop “Waarom deed justitie niets?” met het chapeau “Nederlands chemieconcern mogelijk jarenlang in greep Russische wapenmaffia en terroristen”.  Kern van de klacht is dat verweerders betreffende een groot aantal aan de orde gestelde zaken niet waarheidsgetrouw hebben bericht en ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klagers hebben geuit.
Bij zijn beraadslaging is de Raad tot het inzicht gekomen dat de beoordeling van de klacht niet met de vereiste zorgvuldigheid kan geschieden. Verweerder heeft ervoor gekozen geen verweer te voeren en heeft derhalve de Raad geen informatie verschaft omtrent de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van verweerder ernstig wordt bemoeilijkt. In het bijzonder in de onderhavige zaak is voor een weloverwogen oordeel een bredere kennis van de feiten nodig dan waarover de Raad beschikt. Gezien de complexiteit van de materie, kan de Raad dan ook geen gefundeerd oordeel geven zonder diepgaand feitenonderzoek, hetgeen echter mede door de houding van verweerder niet mogelijk is. De procedure bij de Raad leent zich er niet voor dat de Raad een dergelijk feitenonderzoek buiten (een der) partijen om verricht. De Raad onthoudt zich daarom van een oordeel over de onderhavige klacht.
Trefwoorden:
·         Procedure: medewerking aan procedure, onthouding oordeel
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/34


Uitspraak vastgesteld d.d. 23 juli 2010
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. E.J.M. Lamers, M. Ülger en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.
 
R. Felgata / B. Paternotte, C. Bouwman, N. Stolker en HP/De Tijd
Uitspraak: onbevoegd c.q. ongegrond
Medio maart 2010 heeft klaagster in een column een open brief geschreven aan schrijver Robert Vuijsje onder de titel “Alleen maar neppe mensen”, waarin zij reageert op Vuijsjes boek “Alleen maar nette mensen”. Vervolgens is op 3 april 2010 op de website van HP/De Tijd een artikel van Bouwman verschenen onder de kop “Joden-zijn-dik-columniste Raja Felgata ontslagen bij Revu”. Diezelfde dag heeft Paternotte het volgende Twitter-bericht aan klaagster gericht: “@RajaFelgata VIEZE VUILE ANTISEMIET! Ik vind het jammer dat je geen column meer hebt. Regels snel iets anders, girl.” heeft Paternotte het volgende Twitter-bericht verstuurd:
er ook tegenaan te bemoeien. s een blog- en twittervendetDrie dagen later is op de website van HP/De Tijd een artikel van Stolker geplaatst onder de kop “Ontslagen joden-zijn-dik-columniste krijgt steun van Fatima Elatik”. Ten slotte is diezelfde dag, een aantal uren later, op de website van HP/De Tijd een artikel verschenen van Bouwman onder de kop “Joden-zijn-dik-columniste Raja Felgata solliciteert bij HP/De Tijd”.
Kern van de klacht is dat in de berichtgeving op website van HP/De Tijd ten onrechte is gesuggereerd dat klaagster is ontslagen, dat zij antisemitische uitspraken heeft gedaan en dat zij heeft gesolliciteerd bij HP/De Tijd. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
De Raad acht van belang dat klaagster met haar open brief aan Vuijsje op zodanig provocerende wijze de publiciteit heeft gezocht dat reacties daarop – verwoord op vergelijkbare, provocerende wijze – redelijkerwijs te verwachten waren. Dat klaagster haar column op dezelfde manier heeft geschreven als Vuijsje in zijn boek heeft gedaan, vrijwaart haar daar niet van.
In dit licht bezien zijn de publicaties niet onaanvaardbaar. Daarin komen geen kwalificaties of vergelijkingen voor die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Dat klaagster de berichtgeving als grievend heeft opgevat, is daarvoor onvoldoende. De publicaties hebben een opzettelijk overdreven tendentieuze toon; voor de gemiddelde lezer is voldoende duidelijk dat voor verweerders feitelijke verslaglegging niet voorop heeft gestaan en dat overdrijving als stijlmiddel niet is geschuwd.
Daarbij komt dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Hoewel de kop “Joden-zijn-dik-columniste Raja Felgata ontslagen bij Revu” feitelijk niet juist is, is deze niet onacceptabel. In de tekst van het artikel is klaagsters vermeende ontslag niet als feit gepresenteerd, maar is aan de orde gesteld of klaagster vanwege haar column in Revu weg moest. Direct daarop volgend is het weerwoord van klaagster weergegeven, te weten dat zulks niet het geval was en dat haar vertrek te maken had met de nieuwe koers van Revu.
Het standpunt van klaagster dat ten onrechte is gesuggereerd dat zij antisemitische uitspraken heeft gedaan, volgt de Raad evenmin. De passage “Alle joden zijn vrouwonvriendelijk en meestal dik. Maar dat komt omdat de meeste joden rijk zijn. Welvaartsjoden zijn altijd dik.” is een letterlijk citaat uit de open brief van klaagster, dat in de kop van de berichtgeving is geparafraseerd als ‘Joden-zijn-dik-columniste’.
Met betrekking tot haar vermeende sollicitatie bij HP/De Tijd heeft klaagster desgevraagd meegedeeld dat de opmerking dat zij voor HP/De Tijd wilde schrijven een juiste weergave behelst van hetgeen zij tegen Bouwman heeft gezegd. Uit de context van het gewraakte artikel is bovendien duidelijk af te leiden dat klaagster haar opmerking niet serieus bedoelde.
Met de publicaties op de website van HP/De Tijd zijn derhalve geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Voor zover de klacht is gericht tegen het Twitter-bericht overweegt de Raad het volgende. Daargelaten of, en zo ja: onder welke omstandigheden, een bericht op Twitter als een journalistieke gedraging kan beschouwd, is de Raad van oordeel dat het bericht van Paternotte aan klaagster een louter althans overwegend persoonlijk karakter heeft, waardoor het in het geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke berichten niet bedoeld. De Raad acht zich daarom niet bevoegd over het Twitter-bericht te oordelen.
Trefwoorden:
·         Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze, grievende berichtgeving
·         Rectificatie/weerwoord: weerwoord
·         Procedure: bevoegdheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/31


Uitspraak vastgesteld d.d. 2 juli 2010
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. E.J.M. Lamers, mw. J.R. van Ooijen, M. Ülger en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.
 
Politie Flevoland / J. van den Dongen, B. Olmer en De Telegraaf
Uitspraak: gegrond
De klacht is gericht tegen het artikel “Flevoland is fraudeparadijs” met het chapeau “Politie te druk met andere zaken”, het artikel “Misdaad loont in Flevoland” – waarin is beschreven dat 23 handelaren in oud frituurvet regelmatig worden bestolen van dit vet en dat een bedrijf in Dronten ervan wordt beschuldigd de vaten met vet te “stropen” – en een vervolgartikel waarin is omschreven hoe de diefstallen van frituurvet plaatsvinden. Kern van de klacht is dat de berichtgeving onjuist en tendentieus is. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
De Raad overweegt dat klaagster niet heeft betwist dat meer dan honderd aangiften zijn gedaan van diefstal van frituurvet en dat die delicten gerelateerd zijn aan een bedrijf dat in Flevoland is gevestigd. Verder staat vast dat klaagster – behoudens rechtshulpverzoeken betreffende het horen van verdachten en een onderzoek op het gebied van milieucriminaliteit – niet is opgetreden tegen dat bedrijf. Uit hetgeen klaagster heeft aangevoerd en ter zitting heeft verklaard, maakt de Raad op dat dit in beginsel een formele grond heeft – de delicten waarvan aangifte werd gedaan hebben niet plaatsgevonden in de regio van klaagster en de aangiften zijn ook niet bij klaagster gedaan – maar voor een deel ook te maken heeft met gestelde beleidsdoelen en een gebrek aan capaciteit.
Daargelaten of aan deze twee laatstgenoemde feiten de conclusie zou kunnen worden verbonden dat klaagster in het specifieke geval van de diefstallen van frituurvet geen of onvoldoende actie heeft ondernomen, hebben verweerders aan het geheel van door klaagster aangedragen feiten ten onrechte de algemene conclusie verbonden dat de regiopolitie Flevoland ‘de deur niet meer uitkomt behalve dan voor gewelds-, zeden- en jeugdzaken’ en ‘op zijn handen blijft zitten en weigert iets te doen’, en dat Flevoland ‘een fraudeparadijs is omdat de politie daar niets doet’. Niet is gebleken dat voor deze tendentieuze en voor klaagster diffamerende beweringen voldoende grondslag bestaat. Daarbij komt dat in de berichtgeving onvermeld is gelaten waarom klaagster geen actie heeft ondernomen op de gedane aangiften en dat zij wel degelijk rechtshulpverzoeken met betrekking tot gedane aangiften heeft afgehandeld.
Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld, door over klaagster te berichten zoals zij hebben gedaan. (zie punten 1.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
·        Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/30


Uitspraak vastgesteld d.d. 2 juli 2010
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. J.R. van Ooijen, mw. M.J. Rietkerk en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.
 
L.M. Bruijn / S. en O. van der Zee, Uitgeverij De Bezige Bij en de hoofdredacteur van ‘Boeken’ (VPRO)
Uitspraak: niet-ontvankelijk
Begin 2010 is het boek “Vogelvrij - De jacht op de Joodse onderduiker” van de hand van S. van der Zee verschenen. Het boek, dat uit drie delen bestaat, handelt over de verraders van Joodse gezinnen, waaronder dat van Anne Frank, in de Tweede Wereldoorlog. Het bevat onder meer resultaten van dossieronderzoek in het Nationaal Archief te Den Haag en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (hierna: NIOD) te Amsterdam. Verder is een interview met B. Joseph opgenomen, over het verraad van Joodse gezinnen in de Tweede Wereldoorlog. Deze persoon is door Van der Zee opgespoord aan de hand van dossiergegevens uit het Nationaal Archief. Klager is in de eerste druk van het boek genoemd in de lijst “Met dank aan”. Op 29 februari 2010 is in een uitzending van het programma ‘Boeken’ van de VPRO aandacht besteed aan het boek van Van der Zee. In de uitzending worden onder meer beelden getoond van een interview met B. Joseph, die zijn gemaakt met verborgen opname-apparatuur. Klager stelt – kort samengevat – dat met de in het boek vermelde gegevens en de filmbeelden van het interview B. Joseph eenvoudig kan worden opgespoord.
Ingevolge het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, moet een klaagschrift worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.
Klager heeft ter zake aangevoerd dat zijn naam in het boek is vermeld in de lijst “Met dank aan”. Volgens klager zal hij met het boek worden geassocieerd en er nadeel van ondervinden dat Van der Zee afspraken met het Nationaal Archief heeft geschonden. Klager betoogt dat hij daarom rechtstreeks belanghebbende is als hiervoor bedoeld. De Raad deelt het standpunt van klager niet. Klager is niet direct betrokken bij het schenden van afspraken die Van der Zee met het Nationaal Archief heeft gemaakt. Dat klager mogelijk in de toekomst hinder zal ondervinden van het feit dat het Nationaal Archief zijn regels voor het inzien van archieven heeft aangescherpt, staat in een te ver verwijderd verband met de handelwijze van Van der Zee.
Verder brengt de enkele vermelding van klagers naam in de lijst “Met dank aan” niet mee dat een direct verband bestaat tussen klager en hetgeen over B. Joseph, of andere in het boek beschreven personen, is vermeld. Ook in dit opzicht kan niet worden geconcludeerd dat klagers belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en klager persoonlijk in zijn belang is geraakt. In dat verband merkt de Raad nog op dat klagers naam op diens verzoek uit de lijst “Met dank aan” is verwijderd en derhalve niet meer voorkomt in herdrukken van het boek.
Ten slotte is ook de omstandigheid dat klager zich het lot aantrekt van oorlogsmisdadigers die hun straf hebben uitgezeten, onvoldoende om hem als rechtstreeks belanghebbende aan te merken.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht voor zover die is gericht tegen het boek. Dit brengt voorts mee dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht tegen de uitzending van het programma ‘Boeken’ van de VPRO, waarin het boek wordt besproken.
Trefwoorden:
·        Procedure: ontvankelijkheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/29


Uitspraak vastgesteld d.d. 28 juni 2010
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, T.R. Harkema, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en H. Osinga, adjunct-secretaris.
 
Stichting Bureaus Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland / ‘Das je goed recht’ (SBS6 en Endemol Nederland B.V.)  
Uitspraak: deels gegrond
In uitzendingen van 31 januari en 28 februari 2010 is in het televisieprogramma ‘Das je goed recht’ aandacht besteed aan de werkwijze van Bureau Jeugdzorg en gezinsvoogden. Kern van de klacht is dat de uitzendingen ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klaagster bevatten, waarbij onvoldoende wederhoor is toegepast.
In de uitzendingen is aandacht besteed aan het werk van jonge, onervaren gezinsvoogden en ervaringen van ouders met gedwongen – vermeend onterechte – uithuisplaatsingen van hun kinderen. In dat verband overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar mogelijk wanbeleid van Bureau Jeugdzorg. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
Ten aanzien van de eerste uitzending overweegt de Raad voorts dat daarin ernstige beschuldigingen zijn geuit aan het adres van Bureau Jeugdzorg, die met name betrekking hebben op het gebrek aan controle op het werk van jonge, onervaren gezinsvoogden. Verweerder heeft ter zake aangevoerd dat hij een ruime hoeveelheid klachten heeft ontvangen, waarvan hij een deel grondig heeft onderzocht en uiteindelijk een aantal controleerbare gevallen heeft geselecteerd. Daarbij heeft verweerder duidelijk gemaakt dat hij zijn bronnen voldoende heeft gecontroleerd, onder meer door inzage van rapporten en gesprekken met deskundigen. Verweerder heeft aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat voor de geuite kritiek ten aanzien van deze algemene werkwijze van Bureau Jeugdzorg voldoende grondslag bestond.
Daarbij komt dat verweerder die kritiek voor commentaar heeft voorgelegd aan de woordvoerder van de branchevereniging MOgroep Jeugdzorg en diens reactie in de uitzending heeft verwerkt. In dat verband is van belang dat in de uitzending niet zozeer de werkwijze van klaagster en/of andere specifieke bureaus aan de orde is gesteld, maar die van Bureau Jeugdzorg in het algemeen. Dit blijkt ook uit het feit dat klaagster noch een ander bureau met naam of regio is genoemd. Bovendien heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de afzonderlijke Bureaus Jeugdzorg de redactie voor commentaar hebben doorverwezen naar de MOgroep. Verweerder behoefde dan ook niet nogmaals bij die afzonderlijke bureaus te rade te gaan, nadat de woordvoerder te kennen had gegeven dat hij niet op individuele gevallen kon ingaan.
Verweerder heeft dan ook in zoverre geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
Verweerder heeft echter wel journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld met het gebruik van de beelden die met de verborgen camera zijn gemaakt van een een wervingsavond die door klaagster is georganiseerd. Verweerder heeft ter zake gesteld dat hij heeft willen aantonen dat gezinsvoogden zonder veel ervaring direct een (te) grote verantwoordelijkheid krijgen en dat voor de uitzending niet relevant was of de undercoverjournalisten na de ‘speeddate’ al dan niet zouden worden aangenomen.
De Raad is echter van oordeel dat uit dit onderdeel van de reportage voor de gemiddelde kijker het beeld naar voren komt, dat gezinsvoogden kunnen worden aangenomen zonder dat zij beschikken over een deugdelijke vooropleiding. Dit beeld is feitelijk onjuist en misleidend. Immers, uit de door klaagster overgelegde e-mails aan de betrokken undercoverjournalisten blijkt dat verweerder ruim voor de uitzending ervan op de hoogte was dat de journalisten op grond van hun CV’s niet voor een sollicitatiegesprek werden uitgenodigd. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten dit te vermelden. Daarbij komt dat dit onderdeel van de reportage aan de woordvoerder van de MOgroep noch aan klaagster – als organisator van de ‘speeddate’ – voor commentaar is voorgelegd. (zie punt 2.1.5. van de Leidraad)
Ten aanzien van de tweede uitzending overweegt de Raad ten slotte dat voorafgaand aan die uitzending geen nieuw wederhoor heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft ter zake gesteld dat de problematiek die in die uitzending aan de orde was, dezelfde betrof als in de eerste uitzending en dat niet viel in te zien wat nieuw wederhoor had kunnen toevoegen. De Raad deelt dit standpunt echter niet. In de tweede uitzending, die plaatsvond bijna een maand na de eerste, zijn aspecten aan de orde gesteld die niet eerder aan de woordvoerder van de MOgroep zijn voorgelegd. Daarbij komt dat klaagster zich na de eerste uitzending tot verweerder heeft gewend en een voorstel heeft gedaan tot het verstrekken van nadere informatie. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, kon verweerder niet volstaan met het eerder verkregen wederhoor en had hij klaagster dan wel MOgroep om een nieuwe reactie moeten vragen. Door dit na te laten heeft verweerder eveneens journalistiek ontoelaatbaar gehandeld.
Trefwoorden:
·        Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor, verborgen camera-techniek
·        Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/28


Uitspraken vastgesteld d.d. 25 juni 2010
door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. E.J.M. Lamers, M. Ülger en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.
 
G. van Oudenallen / Het Parool
Uitspraak: onbevoegd
In december 2009 is in Het Parool een kennisquiz gepubliceerd, waarvan vraag 24 betrekking heeft op klaagster. Klaagster stelt – kort samengevat – dat de quiz, althans de vraag die haar betreft, tendentieus en vrouwonvriendelijk is. Klaagster voelt zich gediscrimineerd, beledigd en beschimpt.
De Raad stelt voorop dat verweerder als hoofdredacteur verantwoordelijk is voor de plaatsing van de gewraakte quiz, ook al is deze niet door de redactie opgesteld. Het is echter duidelijk dat verweerder niet heeft beoogd aan de quiz enige nieuwswaarde toe te voegen en dat de publicatie louter althans voornamelijk elementen bevat van niet-journalistieke aard, zoals (pogingen tot) satire en amusement. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de publicatie dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke publicaties niet bedoeld. Hoewel de Raad zich kan voorstellen dat klaagster zich door de publicatie gegriefd voelt, acht hij zich niet bevoegd om de publicatie inhoudelijk te beoordelen. (vgl. onder meer RvdJ 2009/47)
Trefwoorden:
·        Procedure: bevoegdheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/25
 
X / AT5
Uitspraak: ongegrond
In een uitzending van ‘AT5 Nieuws’ is een item uitgezonden onder de titel “’Voorkom bedreiging van raadsleden’”. In het item wordt (oud) gemeenteraadslid mr. drs. P. Hoogerwerf geïnterviewd. Hoogerwerf stelt desgevraagd: “Ik heb jarenlang een mevrouw achter me aan gehad, die mij heeft gestalked, wat ontzettend vervelend was (...)”. Klaagster stelt – kort samengevat – dat zij in het nieuwsitem ten onrechte wordt beschuldigd van het stalken van Hoogerwerf.
De Raad overweegt dat de naam van klaagster niet in de uitzending is vermeld. Ook overigens zijn in de uitzending geen zodanige gegevens vermeld, waardoor klaagster in verband wordt gebracht met het stalken van Hoogerwerf. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat de integriteit van klaagster door de uitzending is aangetast. De klacht is derhalve ongegrond.
Trefwoorden:
·        Privacy: vermelding persoonlijke gegevens
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/26
 
X / B. Janssen en De Twentsche Courant Tubantia
Uitspraak: ongegrond
In De Twentsche Courant Tubantia is een artikel verschenen onder de kop “Gerechtshof snoert Robert Speijdel de mond in zaak X”. Een dag later is een artikel geplaatst onder de kop “X krijgt deel harde schijf”. Kern van de klacht is dat onjuist, eenzijdig en tendentieus over de strafzaak tegen klager is bericht en dat die berichtgeving onvoldoende is rechtgezet.
Niet in geschil is dat in het eerste artikel ten onrechte is vermeld dat alle telefoontaps aan het hof en klager zouden zijn gegeven. Naar aanleiding van contact daarover met de advocaat van klager hebben verweerders direct de volgende dag een artikel geplaatst waarin is vermeld: “Anders dan wij gisteren meldden, heeft X woensdag op de zitting geen telefoontaps gekregen.” Verweerders hebben aldus de hiervoor bedoelde onzorgvuldigheid op deugdelijke wijze rechtgezet. Gelet op de aard van de omissie moet de rectificatie als passend worden beschouwd. (zie punt 6.1. van de Leidraad van de Raad)
Hoewel de kop van het tweede artikel “X krijgt deel van harde schijf” wellicht enigszins kort door de bocht is geformuleerd, kan niet worden gezegd dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. Bezien in de context van het artikel is voor de gemiddelde lezer duidelijk dat klager een deel van de informatie op de harde schijf heeft teruggekregen, en niet een fysiek onderdeel van de harde schijf zelf.
Overigens is niet gebleken dat het eerste artikel nog andere relevante onjuistheden bevat. Voorts is in het artikel ruim aandacht besteed aan het standpunt van klagers advocaat. Dat klager zich niet kan vinden in de parafrase dat het Gerechtshof zijn advocaat ‘de mond heeft gesnoerd’, kan daaraan niet afdoen. Klager heeft immers erkend dat zijn advocaat niet de gehele pleitnota heeft mogen voorlezen. Daarbij komt dat in het kader van verslaggeving over rechtszaken niet ontoelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. onder meer RvdJ 2009/1)
Voor zover al sprake zou zijn van min of meer eenzijdige berichtgeving over de strafzaak tegen klager – hetgeen de Raad niet kan vaststellen – hebben verweerders erkend dat door de jaren heen bepaalde elementen onderbelicht zijn gebleven en toegezegd dat deze op een geëigend en relevant moment zullen worden opgepakt.
Trefwoorden:
·        Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
·        Rectificatie/weerwoord: rectificatie
·        Aard van de publicatie: rechtbankverslag
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/27


Uitspraken vastgesteld d.d. 14 juni 2010
door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, T.R. Harkema, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en H. Osinga, adjunct-secretaris.
 
X / De Stentor
Uitspraak: ongegrond
Klager is secretaris van de Stichting Mobiliteit en Milieu Noordveen die ten behoeve van de verbetering van de plaatselijke leefomgeving te Zutphen is opgericht. Naar aanleiding van een nieuwsbrief van de gemeente Zutphen heeft klager namens de Stichting een e-mail aan de gemeente gestuurd, waarin hij een vergelijking heeft gemaakt met nazi-praktijken. Naar aanleiding van dit bericht heeft de gemeente Zutphen besloten de contacten met de Stichting te verbreken. Vervolgens is in De Stentor/Zutphens Dagblad het artikel “Gemeente woedend over brief Noordveen” met de onderkop “Stichting beticht wethouder van ‘nazi-praktijken’” verschenen. Dit artikel, waarin klager wordt genoemd, is tevens op de website van De Stentor gepubliceerd. Bij het artikel is een bericht geplaatst onder de kop “Voorzitter: ik zou dit nooit schrijven” met de onderkop “Stichting: gemeente kan deur niet dichtgooien; ze overtreedt de wet”, waarin de voorzitter van de Stichting aan het woord is gelaten. Kern van de klacht is dat verweerder de berichtgeving niet tweezijdig heeft gecontroleerd, ten onrechte geen wederhoor heeft toegepast en klagers privacy onnodig heeft geschaad.
De Raad acht van belang dat klager de bewuste e-mail aan de gemeente heeft verstuurd in zijn hoedanigheid van secretaris van de Stichting Mobiliteit en Milieu Noordveen. Klager had zich bij de verzending van zijn e-mail kunnen en moeten realiseren dat de – ook naar het oordeel van klager – provocerende inhoud ervan mogelijk naar buiten zou komen. Enige onjuistheid of onzorgvuldigheid in de berichtgeving waartoe de e-mail heeft geleid, is niet aannemelijk gemaakt.
Het feit dat klager het e-mailbericht heeft verstuurd als secretaris van de Stichting brengt tevens mee dat het toepassen van wederhoor bij de voorzitter van de Stichting in beginsel voldoende is. Dit wederhoor is toegepast en in de berichtgeving verwerkt. Bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn in dit geval klager om een persoonlijke reactie te vragen, zijn niet gebleken. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
De Raad meent voorts dat klagers privacy niet verder is aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk was. Klager heeft zijn e-mail immers gestuurd als secretaris van de Stichting. De vermelding van dit feit, waarbij klager is genoemd, is journalistiek relevant en niet ontoelaatbaar. Dat dit klager niet welgevallig is, kan daaraan niet afdoen. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
Ten slotte overweegt de Raad dat het publieke belang van zo volledig mogelijke, betrouwbare archieven waarvan de inhoud niet kan worden gewijzigd, in beginsel zwaarder weegt dan het belang dat personen kunnen hebben bij het verwijderen of anonimiseren van gearchiveerde artikelen. (zie punt 2.2.8. van de Leidraad) In aanmerking genomen hetgeen hiervoor ten aanzien van de privacy van klager is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het publieke belang in dit geval dient te wijken voor het privébelang van klager.
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
·         Privacy: vermelding persoonlijke gegevens
·         Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
·         Aard van de publicatie: archivering
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/23
 
Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland (SIN-NL) / R. Steenhorst en De Telegraaf
Uitspraak: ongegrond
De klacht betreft het artikel “Artsen aan de schandpaal”, dat gaat over medische zwarte lijsten. Daarbij is een uitsnede van de website van klaagster geplaatst, waarop de naam van klaagster is te zien.
Klaagster heeft allereerst een verzoek tot wraking ingediend en aan de leden van de Raad verzocht de vraag te beantwoorden of een van hen in eerste of tweede graad of relationeel is gelieerd aan artsen, en zo ja: wie en op welke wijze. Verder heeft klaagster aan de leden van de Raad verzocht de vraag te beantwoorden of een van hen financiële belangen heeft met onderdelen van de medische sector, en zo ja: hoe en sinds wanneer. Ter zitting heeft de voorzitter van de Raad aan klaagster meegedeeld dat haar vragen niet zullen worden beantwoord, nu het in de onderhavige procedure niet gaat om een beoordeling van medische zaken. Klaagster heeft vervolgens specifiek verzocht om wraking van raadslid mw. drs. M.G.N. Mathot wegens mogelijke familiaire banden met artsen. Klaagster heeft voorts specifiek verzocht om wraking van raadslid H. Blanken als adjunct-hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden.
De Raad heeft het verzoek om wraking afgewezen en daartoe het volgende overwogen. Dat een raadslid werkzaam is voor een medium waartegen weliswaar de klacht niet is gericht, maar dat wel eerder over klager heeft bericht, is onvoldoende om partijdigheid aan te nemen. Bijkomende feiten en omstandigheden kunnen dit anders maken. Gelet op hetgeen klaagster ter zake heeft aangevoerd is, naar het oordeel van de niet-gewraakte Raadsleden, niet gebleken van bijkomende feiten en omstandigheden, die tot vooringenomenheid en partijdigheid van de heer Blanken zouden kunnen leiden. Voorts is de omstandigheid dat mevrouw Mathot wellicht familiaire banden heeft met artsen, onvoldoende om partijdigheid aan te nemen, nu het hier niet gaat om de beoordeling van medische zaken. Niet is gebleken van bijkomende feiten en omstandigheden die tot vooringenomenheid en partijdigheid van mevrouw Mathot zouden kunnen leiden. De klacht is vervolgens inhoudelijk behandeld.
De Raad acht van belang dat klaagster met het maken van haar websites zelf de publiciteit heeft gezocht en zich kwetsbaar heeft gemaakt voor kritiek op haar handelwijze. Klaagster lijkt uit het oog te verliezen dat over (de effecten van) publicaties als de hare nu eenmaal, ook onder ‘deskundigen’, zeer verschillend wordt gedacht. Het stond verweerders vrij om artsen te laten reageren op de publicaties van klaagster. Daarbij komt dat in het artikel weliswaar negatieve kwalificaties over het fenomeen zwarte lijsten worden geuit, maar dat slechts sprake is van een indirect verband met klaagster. De aanwezigheid van een (relatief kleine) afbeelding van de website van klaagster dient slechts als illustratie. Verweerders hebben – hoewel zij hebben gekozen voor een voor klaagster onwelgevallige invalshoek – voldoende evenwichtig over de kwestie bericht en daarbij voldoende onderscheid gemaakt tussen feiten en beweringen. Voorts is gebleken dat verweerders in een eerdere publicatie wel degelijk vanuit een andere invalshoek aandacht aan medische fouten hebben besteed. Van structurele eenzijdige berichtgeving over dit onderwerp door verweerders is dan ook geen sprake. (zie punten 1.1. en 1.4. van de Leidraad van de Raad en vgl. RvdJ 2010/11)
Het nalaten van wederhoor is in dit geval niet journalistiek onzorgvuldig. Dat wederhoor waarschijnlijk tot een vollediger beeld van de beweegredenen en doelstellingen van klaagster zou hebben geleid en dat verweerders dus in zoverre een journalistieke kans hebben gemist, leidt niet tot een ander oordeel.
Trefwoorden:
·         Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
·         Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
·         Procedure: wraking
Publicatie op www.rvdj.nl/2010/24




wo 26 mei 2010 - Uitspraak vastgesteld d.d. 18 mei 2010
- Pals Groep B.V. / 'Radar' (TROS) (RvdJ 2010/22)

Lees verder...




wo 26 mei 2010 - Uitspraken vastgesteld d.d. 12 mei 2010
- X / De Telegraaf, Het Parool en de Gay Krant (RvdJ 2010/20)
- X / Webregio.nl (RvdJ 2010/21)

Lees verder...




di 27 apr 2010 - Uitspraak vastgesteld d.d. 22 april 2010
- M. Kraland / M. Hooft van Huysduynen, S. Jonker en Het Financieele Dagblad (RvdJ 2010/19)

Lees verder...




di 27 apr 2010 - Uitspraken vastgesteld d.d. 19 april 2010
- X / Y. Eling (RvdJ 2010/15)
- P. van Schaik / S. Mulder en RTV Rijnmond (RvdJ 2010/16)
- X, Y en Z / M. Gort, S. Stegen en 'Drenthe Actueel' (RTV Drenthe) (RvdJ 2010/17)
- mr. dr. M. Malsch / M. Hemstede en Markant (RvdJ 2010/18)

Lees verder...


PRINTVERSIE