2026/7 Toegewezen

X / J. Haspels en de hoofdredacteur van het AD - verzoekers inzake herziening conclusie RvdJ 2025/36

Samenvatting

Haspels en het AD hebben verzocht om herziening van de conclusie RvdJ 2025/26. De herzieningskamer van de Raad voor de Journalistiek wijst het verzoek tot herziening toe, maar handhaaft de conclusie. Er is weliswaar sprake van elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich niet eerder heeft uitgelaten, maar de herzieningskamer is het eens met de toepassing van de bestaande Leidraad in de conclusie. De herzieningskamer volgt het oordeel in de conclusie dat de berichtgeving eenzijdig en tendentieus is, waarbij geen deugdelijk wederhoor is toegepast door klager pas in de vijfde aflevering aan het woord te laten. Verder is niet gebleken dat de conclusie tot stand is gekomen in strijd met de in het reglement vastgestelde procedures. Ten slotte hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie berust op onjuiste constateringen. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in overwegingen in de conclusie en het oordeel, is onvoldoende om op dit punt een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek

inzake het verzoek van

J. Haspels en de hoofdredacteur van het AD

tot herziening van de conclusie van de Raad van 19 september 2025 (RvdJ 2025/26) inzake de klacht van

Haspels, de hoofdredacteur van het AD en de heer L. Tordoir, senior jurist bij DPG Media, (verzoekers) hebben op 30 september 2025 verzocht om herziening van de conclusie van 19 september 2025 inzake de klacht van de heer X. Bij de beoordeling van het herzieningsverzoek is verder correspondentie betrokken van partijen van 17 en 30 oktober 2025.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 19 december 2025 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Klager heeft op 10 november 2024 een klacht ingediend tegen het AD over de zesdelige podcast-serie “Het Habbo-mysterie”.

Op 19 september 2025 heeft de Raad beslist dat de klacht deels gegrond en deels ongegrond is. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“Volgens de conclusie in het deskundigenadvies volstaat de huidige Leidraad om het genre van de verhalende journalistiek te toetsen aan de daarin genoemde journalistieke zorgvuldigheidsnormen. De Raad kan zich vinden in die conclusie en heeft dan ook “Het Habbo-mysterie” getoetst aan de standaarden die zijn neergelegd in de huidige Leidraad.
De kern van de klacht bevat de volgende onderdelen:

  • de classificatie ‘waargebeurde misdaad’/‘true crime’ is misleidend;
  • de journalist is partijdig;
  • de berichtgeving is eenzijdig en tendentieus;
  • de podcastserie bevat ongegronde beschuldigingen zonder deugdelijke toepassing van wederhoor;
  • de privacy van klager is ernstig geschonden tijdens het productieproces van de podcast en AD heeft zich schuldig gemaakt aan doxing;
  • de podcastserie bevat onjuistheden van feitelijke aard;
  • het gebruik van de expertanalyses is onzorgvuldig.

De Raad zal zich bij de beoordeling van de klacht tot deze onderdelen beperken.
Ad 1.
De Raad stelt vast dat er geen breed gedragen definitie bestaat van de classificatie ‘true crime’ of ‘waargebeurde misdaad’. Verwacht mag worden dat in ieder geval beide elementen (‘waargebeurd’ en ‘misdaad’) aan de orde zijn in een publicatie die als zodanig is geclassificeerd. Nu met een dergelijke classificatie/rubricering voornamelijk wordt beoogd de aandacht van het publiek te trekken, meent de Raad dat de uitgangspunten die gelden voor een kop boven een artikel ook hier hebben te gelden. De Raad overweegt dat de classificatie een zekere vergroving van de inhoud van de bijbehorende publicatie mag bevatten gelet op het beschreven doel. De grenzen van journalistieke zorgvuldigheid worden echter overschreden als de classificatie onvoldoende grond vindt in de publicatie. Naar het oordeel van de Raad is hier in dit geval sprake van. Uit de podcastserie is niet gebleken dat sprake is geweest van een waargebeurde misdaad noch dat daarvoor een gegrond vermoeden bestaat. Een dergelijke conclusie kan immers niet worden getrokken aan de hand van de aangehaalde bronnen, hetgeen Haspels – uiteindelijk – ook niet doet. Dat na het verschijnen van de podcastserie in Vlaanderen een politieonderzoek naar de betrokkenheid van klager en zijn vrouw is gestart, maakt dit niet anders. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.
Ad 2.
De journalist is vrij in de selectie van nieuws. Het is aan de journalist om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Dat klager liever een andere insteek had gezien waarbij de journalist minder sympathie voor de familie Van der Zwan had laten blijken, maakt niet dat die van het AD journalistiek ontoelaatbaar is. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.
Ad 3. en 4.
Uitgangspunt is dat journalisten waarheidsgetrouw, controleerbaar en zo volledig mogelijk berichten. Ze vermijden eenzijdige en tendentieuze berichtgeving. Verder geldt dat beschuldigingen alleen gepubliceerd mogen worden wanneer is onderzocht of daarvoor een deugdelijke grondslag bestaat. Wie beschuldigd wordt, dient bovendien voldoende gelegenheid te krijgen om, bij voorkeur in dezelfde publicatie, te reageren op de aantijgingen.
De Raad stelt vast dat de podcast niet in zijn geheel is gepubliceerd, maar dat wekelijks één aflevering vrij toegankelijk is gemaakt. Verder heeft de Raad geconstateerd dat aflevering 1 begint met de suggestie dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf en dat in aflevering 4 de doodsoorzaak van Anja bekend wordt gemaakt. Ook heeft de Raad kunnen constateren dat Haspels ten tijde van het maken van de podcastserie informatie heeft achtergehouden ten behoeve van de luisterervaring; tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat Haspels eerder dan de afleveringen van de podcast doen vermoeden, op de hoogte was van de doodsoorzaak van Anja. Mede gelet hierop vindt de Raad dat Haspels in onvoldoende mate de familie Van der Zwan kritisch heeft benaderd of nuances heeft aangebracht en daarmee te weinig afstand heeft genomen van de door hen gedane beschuldigingen.
Verder is naar het oordeel van de Raad geen sprake van het adequaat toepassen van wederhoor door klager pas in de vijfde aflevering aan het woord te laten over de aan zijn adres gedane, ernstige beschuldigingen.
De Raad is dan ook van oordeel dat daarmee eenzijdig en tendentieus over de kwestie is bericht.
Ad 5.
In een publicatie mag de privacy van personen niet verder worden aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy is onzorgvuldig wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Niet is gebleken dat het AD informatie heeft verstrekt waardoor klager in relatief grote kring kan worden geïdentificeerd. Dat klager wellicht door handelingen van derden en aandacht van andere media alsnog herleidbaar is geworden, kan het AD niet worden aangerekend. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Ad 6.
Niet is gebleken dat de podcastserie verder relevante onjuistheden bevat van feitelijke aard. Voor zover al sprake is van omissies, zijn die niet van zodanige aard dat daardoor de berichtgeving niet-waarheidsgetrouw is. In zoverre is de klacht ongegrond.
Ad 7.
Met het inschakelen van onafhankelijke deskundigen heeft het AD onderzoek verricht naar de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden tussen Anja en klager (en zijn vrouw). Niet is gebleken dat doorslaggevende redenen bestaan om te twijfelen aan de betrouwbaarheid of juistheid van de bevindingen van deze deskundigen. Dat klager het niet eens is met de hun conclusies, kan het AD niet worden tegengeworpen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.”

In de samenvatting die geplaatst is boven de conclusie staat:
“J. Haspels en het AD (hierna gezamenlijk: het AD) hebben in de zesdelige ‘true crime’ podcastserie “Het Habbo-mysterie” aandacht besteed aan een conflict tussen klager en een Scheveningse familie. Na het inwinnen van deskundigenadvies heeft de Raad de klacht beoordeeld aan de hand van de Leidraad en de gangbare uitleg daarvan. Nu niet is gebleken dat sprake is van een waargebeurde misdaad noch dat daarvoor een gegrond vermoeden bestaat, is de classificatie ‘true crime’ onzorgvuldig. Daarnaast is de berichtgeving eenzijdig en tendentieus, onder meer omdat ten behoeve van de luisterervaring informatie is achtergehouden, waarbij geen deugdelijk wederhoor is toegepast door klager pas in de vijfde aflevering aan het woord te laten. In zoverre is de klacht gegrond. Het stond het AD echter vrij om een bepaalde mate van sympathie te laten blijken voor de Scheveningse familie. Daarnaast is niet gebleken dat de privacy van klager op ontoelaatbare wijze is aangetast. Verder is niet gebleken dat de podcast relevante onjuistheden van feitelijke aard bevat. Ten slotte is de weergave van de expertanalyses journalistiek relevant en toelaatbaar. Dat klager het niet eens is met de conclusies van de ingeschakelde deskundigen kan het AD niet worden verweten. Op deze punten is de klacht daarom ongegrond. De Raad doet de aanbeveling aan het AD om deze conclusie ruimhartig te publiceren.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers stellen – kort samengevat – het volgende. In verband met het principiële belang van de elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich heeft uitgelaten is een nieuwe beoordeling noodzakelijk. Daarbij is de vraag of de Habbo-podcast als een productie of als een reeks van afzonderlijke publicaties wordt gezien van essentieel belang. Zowel de conclusie van de Raad als de Leidraad bieden daar onvoldoende handvatten voor. In de conclusie staat dat wederhoor in elke publicatie noodzakelijk is, maar deze overweging  geeft tevens openingen om de gehele podcast als één journalistieke productie te beschouwen. Dat is tegenstrijdig.
Ten aanzien van de gevolgde procedure merken verzoekers op dat de Raad buitengewoon veel tijd heeft genomen om tot een conclusie te komen. Zowel de verantwoording hiervoor als voor de gevolgde procedure is summier. Het staat niet in verhouding tot de vele wegen die de Raad heeft moeten bewandelen. Het is opvallend dat verzoekers geen enkele mede-zeggenschap hebben gekregen in de samenstelling van de door de Raad geraadpleegde externe deskundigen die zich moesten buigen over de vraag of de Leidraad toereikend is om nieuwe genres te beoordelen. Ook is het opvallend dat bijvoorbeeld geen inzicht is gegeven in de meningen van de respectievelijke deskundigen en de vraag waarom juist deze deskundigen naar voren zijn geschoven. Het is des te merkwaardiger dat vervolgens de conclusie van het deskundigenpanel is geschreven door de voorzitter van de Raad. Juist diegene die zich op grond van de zijn in de statuten vastgelegde functie zou moeten onthouden van elke inhoudelijke inmenging. Als er al iemand deze conclusie in een extern kanaal zou moeten toelichten dan had het de jurist-voorzitter moeten zijn onder wiens leiding de zaak inhoudelijk is behandeld. De Raad had zelf moeten besluiten of de Leidraad toereikend zou zijn. Door voor het gevolgde pad te kiezen doet de Raad geen recht aan zijn positie en zeker niet aan de betrokken verslaggever van de AD Haagsche Courant. De vraag of de Leidraad toereikend is voor nieuwe genres is niet alleen aan de Raad. Dit is juist ook aan de aangesloten media-organisaties, wier vertrouwen en medewerking de basis vormen onder de Raad.
Ten aanzien van de samenvatting van de conclusie wijzen verzoekers op het volgende. De zin die begint met “Nu niet is gebleken van een waargebeurde misdaad noch dat daarvoor een gegrond vermoeden bestaat […]” is niet juist. Bij de behandeling van de zaak hebben verzoekers gemeld dat er in België een strafrechtelijk onderzoek loopt tegen klager. Dit impliceert dat er wel degelijk een vermoeden van een strafbaar feit bestaat. Volgens informatie die medio oktober 2025 bij verzoekers bekend is geworden, zijn de betrokkenen wederom verhoord en zal afgewacht moeten worden wat de vervolgstap van het justitieel apparaat zal zijn. Deze onjuistheid kan van invloed zijn op de afweging of de podcast het label ‘true crime’ kan dragen. Ten slotte is de woordkeuze ‘onder meer’ in de zin “Daarnaast is de berichtgeving eenzijdig en tendentieus, onder meer omdat […]” niet juist. In de nadere toelichting wordt dit nergens overtuigend onderbouwd.

Klager heeft daar – eveneens kort samengevat – het volgende tegenover gesteld. Hij ziet geen enkele grond voor herziening. Het is een onjuiste voorstelling van zaken dat er ooit sprake is geweest van een grondige verdenking of vervolging voor een strafbaar feit. Ook is het niet juist dat klager dit jaar opnieuw verhoord zou zijn of dat de procedure nog lopende is. Daarbij moet de term ‘true crime’ voorbehouden blijven voor ‘waargebeurde misdaad’ en een genre dat zich toelegt op de feiten, niet ‘potentieel vermoeden van misdaad’. De Raad heeft zijn bevindingen zorgvuldig en gemotiveerd vastgesteld. Klager  staat volledig achter de uitspraak van de Raad.
De kritiek die verzoekers hebben op de door de Raad gekozen deskundigen is merkwaardig. Het voorstel van AD om beide partijen de gelegenheid te bieden om deskundigen aan te dragen lijkt vooral bedoeld om twijfel te zaaien over de onafhankelijkheid van de Raad. Het voorstel is dan ook leeg omdat de meeste klagers natuurlijke personen zijn die geen connecties, kennis of kapitaal hebben om deskundigen aan te stellen. Dit voorstel zou mediabedrijven enkel meer kracht geven om dergelijke expertises oneerlijk te beïnvloeden. Klager deelt de mening van de Raad dat de Leidraad toereikend is om ook nieuwe genres zoals podcasts te beoordelen. Het AD probeert met zijn redenering via deze procedure een principiële discussie over het genre aan te grijpen om de kern van de zaak (hun journalistieke fouten) te verdoezelen. De conclusie van de Raad dat de podcast ‘Het Habbo-mysterie’ niet aan de journalistieke normen voldoet, blijft terecht. Klager verzoekt de Raad dan ook het herzieningsverzoek af te wijzen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

De Raad stelt vast dat verzoekers op drie gronden een herzieningsverzoek hebben ingediend:

  • de conclusie berust op feiten van de juistheid waarvan de Raad ten onrechte is uitgegaan;
  • de conclusie is tot stand is gekomen in strijd met de in het reglement vastgestelde procedures;
  • de conclusie vergt een dringend hernieuwde beoordeling in verband met het principiële belang van de elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich niet eerder heeft uitgelaten.

Ad 1.
Voor zover verzoekers betogen dat de conclusie van de Raad berust op feiten waarvan de Raad ten onrechte van de juistheid is uitgegaan, oordeelt de herzieningskamer dat het verzoekschrift grotendeels (een nadere uitwerking van) stellingen bevat die verzoeker eerder in de procedure heeft geformuleerd en die de Raad (in de kern) heeft betrokken bij zijn oordeel. Dat de Raad in zijn conclusie mogelijk niet alle naar voren gebrachte stellingen heeft benoemd, doet daaraan niet af. Niet is gebleken dat de Raad zijn oordeel op onjuiste constateringen heeft gebaseerd.

In essentie vragen verzoekers om een herbeoordeling van de klacht – waaronder hun standpunt over de reikwijdte van de term ‘true crime’ – omdat zij zich niet kunnen vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het reglement van de Raad voorziet echter niet in een herbeoordeling als in een hoger beroep procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting of uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het reglement geen ruimte. De herzieningskamer merkt hierbij op dat de Raad bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘true crime’ terecht is uitgegaan van de inhoud van de podcast zelf. Hieruit is niet gebleken van een waargebeurde misdaad of een gegrond vermoeden daarvan. Een strafrechtelijk onderzoek dat is gestart ná het verschijnen van de podcastserie is voor beantwoording van die vraag dus niet van belang. Overigens merkt de herzieningskamer op dat de Raad het Belgische strafrechtelijke onderzoek wel degelijk onder ogen heeft gezien.

Ad 2.
Voor zover verzoekers van mening zijn dat de conclusie van de Raad tot stand is gekomen in strijd met de in het reglement vastgestelde procedures overweegt de herzieningskamer het volgende. Verzoekers hebben in hun reactie op het deskundigenadvies inhoudelijke bezwaren daartegen aangevoerd, maar hebben bij die gelegenheid niet de procedurele bezwaren naar voren gebracht die zij in hun herzieningsverzoek hebben opgeworpen.
Een herzieningsverzoek kan niet worden toegewezen als dat is gebaseerd op stellingen  die door de verzoeker eerder ingebracht had kunnen worden. Dat verzoekers mogelijk niet adequaat op het deskundigenadvies hebben gereageerd, komt voor hun rekening.
Wat daar van zij, in het reglement is geen specifieke procedure opgenomen voor het inwinnen van een deskundigenadvies, terwijl in artikel 13 van het reglement is bepaald dat in gevallen waarin het reglement niet voorziet de voorzitter en secretaris beslissen. Van een procedure die in strijd is met het reglement, is derhalve geen sprake.

Ad 3.
Voor zover verzoekers zich erop beroepen dat de conclusie een dringend hernieuwde beoordeling vergt in verband met het principiële belang van de elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich niet eerder heeft uitgelaten, oordeelt de herzieningskamer als volgt. De herzieningskamer constateert dat de Raad deskundigen heeft ingeschakeld die zijn gevraagd zich uit te laten over de principiële vraag of de Leidraad voldoende handvatten biedt om te oordelen over een podcast. Uit de omstandigheid dat deze principiële vraag aan de orde was en in de conclusie is beantwoord, volgt dat deze herzieningsgrond slaagt. Dit betekent dat de herzieningskamer zich opnieuw moet buigen over de vraag of zij zich kan vinden in de conclusie van het deskundigenrapport, te weten dat de huidige Leidraad voldoende aanknopingspunten biedt om te oordelen over een podcastserie, en zo ja of sprake is van journalistiek onzorgvuldig handelen door verzoekers op grond van de nu geldende Leidraad. De herzieningskamer is het eens met het oordeel in de conclusie dat de huidige Leidraad voldoende aanknopingspunten biedt om te oordelen over een podcastserie. De herzieningskamer constateert dat de Raad vervolgens de bestaande Leidraad feitelijk heeft toegepast en geen nieuwe norm heeft gesteld. De herzieningskamer volgt deze aanpak en het oordeel van de Raad in de bestreden conclusie dat het moment waarop wederhoor moet worden toegepast, afhangt van de omstandigheden van het geval. In deze onderliggende casus houdt dit in dat gelet op de ernst van de beschuldiging in aflevering 1, niet tot aflevering 5 gewacht kon worden met wederhoor en Haspels haar kennis over de doodsoorzaak van Anja niet mocht achterhouden tot aflevering 4.

Ten slotte constateert de herzieningskamer dat het bezwaar over de woorden “onder meer” in de samenvatting van de conclusie van de Raad niet valt onder een herzieningsgrond zoals genoemd in het reglement. Overigens meent de herzieningskamer dat de samenvatting ook op dit punt recht doet aan de inhoud van de conclusie van de Raad.

Gelet op bovenstaande ziet de herzieningskamer geen aanleiding tot herziening van de beslissing van de Raad op grond van de eerste twee aangevoerde herzieningsgronden.
De herzieningskamer ziet wel aanleiding tot herziening van de beslissing van de Raad op grond van de derde aangevoerde herzieningsgrond. Daarom wijst zij het herzieningsverzoek toe. Er bestaat echter geen aanleiding voor een andere beslissing in de klachtzaak, gelet op de wijze waarop de Raad de Leidraad heeft toegepast.

Relevante eerdere conclusies van de Raad (onder meer): RvdJ 2025/30, RvdJ 2025/9 en RvdJ 2015/25.

Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt toegewezen, maar de herzieningskamer handhaaft de conclusie van de Raad van 19 september 2025.

Zo vastgesteld door de Raad op 19 februari 2026 door mr. G.C. Makkink, voorzitter, M.S. Bosgra, drs. R. Duiven, J. Hoogenberg en A. Pruis, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. E. Hoefnagel, adjunct-secretaris.