2022/29 Afgewezen

J.W. Akster / de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad - verzoeker inzake herziening conclusie RvdJ 2022/12

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om de
conclusie RvdJ 2022/12 over een klacht tegen het Reformatorisch Dagblad (verzoeker) te herzien. Verzoeker maakt
bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar
heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste
constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de
overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening
te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad

tot herziening van de conclusie van de Raad van 25 april 2022 (RvdJ 2022/12) betreffende de klacht van

J.W. Akster

Mevrouw mr. D.M. Wille, advocaat te Amsterdam, heeft op 20 mei 2022 namens de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad (verzoeker) verzocht om herziening van de conclusie van 25 april 2022 inzake de klacht van de heer J.W. Akster (klager) tegen verzoeker. Bij de beoordeling van het herzieningsverzoek is verder correspondentie betrokken van mr. R.G.S. Pennino, advocaat van klager, van 10 juni 2022.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 17 juni 2022 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Klager heeft op 28 augustus 2021 een klacht ingediend tegen verzoeker over twee artikelen. Het eerste artikel verscheen op 24 september 2020 op de website van verzoeker met de kop “Financieel directeur Timotheos opnieuw aangehouden”. Het tweede artikel verscheen op 5 juni 2021 op de website van verzoeker met de kop “Nieuwe zaak tegen ex-medewerker Timotheos”.

Op 25 april 2022 heeft de Raad allereerst ten aanzien van de tijdigheid van de indiening van de klacht gericht tegen het artikel van 24 september 2020 geconcludeerd dat de door klager aangevoerde omstandigheden zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn. Daarom heeft de Raad ook de klacht tegen dit artikel inhoudelijk behandeld.

Vervolgens heeft de Raad geconcludeerd dat verzoeker journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. De Raad heeft daartoe – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Ten aanzien van de berichtgeving van september 2020 heeft het RD aangevoerd dat de bronnen daarin zijn genoemd. In het artikel is ter zake vermeld: “Dat meldden bronnen vanuit Malawi, en onderzoeksbureau Restment bevestigde dit. Het Puttense bureau is op de hoogte van bewijsmateriaal en foto’s.”
Dat ‘bronnen uit Malawi’ deze aanhouding hebben gemeld, is onvoldoende concreet en niet controleerbaar. De journalist van het RD die in Malawi werkzaam is en – blijkens de toelichting van het RD ter zitting – met de politie zou hebben gesproken, is niet als zodanig benoemd. Bovendien is op geen enkele wijze in het artikel verwerkt dat hij van de politie heeft vernomen dat klager op verdenking van misbruik van minderjarige meisjes zou zijn aangehouden. En ook ten aanzien van de andere bron – de voormalige […] rechercheur – is geen enkele informatie in het artikel opgenomen en uitgelegd waarom deze anoniem is opgevoerd.
Verder is op de zitting gebleken dat het RD geen bewijs heeft gezien, bijvoorbeeld van het onderzoeksbureau, dat klager om voormelde reden zou zijn aangehouden.
Klager heeft de betrouwbaarheid van de bronnen gemotiveerd ter discussie gesteld, terwijl de Raad niet over de mogelijkheid beschikt om de door het RD ter zitting verstrekte informatie op enigerlei wijze te verifiëren.
De Raad concludeert dat het RD de bronnen in de berichtgeving onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en dat bovendien niet kan worden vastgesteld dat er een deugdelijke grondslag bestaat voor de berichtgeving van september 2020, inhoudend dat klager was aangehouden op verdenking van ontucht met meerdere minderjarige meisjes.
Klager heeft verder terecht aangevoerd dat door gebruik van het woord ‘slachtoffers’ (in plaats van: ‘vermeende slachtoffers’) ten onrechte de indruk is gewekt dat hij daadwerkelijk schuldig is aan de vermeende verdenking.
Ten tijde van de publicatie in juni 2021 was bekend dat de aanklacht voor misbruik en mensenhandel van de destijds 19-jarige vrouw was geseponeerd. Hoewel dit artikel een evenwichtiger beeld van de kwestie schetst, wordt daarin – opnieuw zonder deugdelijke grondslag – de suggestie gewekt van mogelijk misbruik van meerdere minderjarige meisjes door klager.
Het voorgaande klemt temeer, nu de naam van klager in beide artikelen is genoemd. In een publicatie mag de privacy van personen niet verder worden aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy is onzorgvuldig wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
Gezien de toelichting van het RD is de maatschappelijke relevantie van de berichtgeving gelegen in de functie van klager als bestuurder van Stichting Timotheos. Het weglaten van de naam van klager doet daaraan geen afbreuk.
Verder heeft het RD aangevoerd dat klager bij het lezerspubliek algemeen bekend is. Het RD heeft echter geen recente publicaties overlegd waaruit de Raad dat kan opmaken. Bovendien is de herleidbaarheid van klager niet beperkt tot de lezerskring van het RD; door de online-publicaties is hij voor een groter publiek identificeerbaar.
Ten slotte heeft het RD erop gewezen dat Stichting Timotheos klager al had genoemd in haar persbericht. In dat persbericht is klager echter niet in verband gebracht met ontucht met minderjarigen.
Gelet op hetgeen de Raad hiervoor ten aanzien van de inhoud van de berichtgeving heeft overwogen, leidt dit tot de conclusie dat met de vermelding van de naam van klager een disproportionele inbreuk is gemaakt op zijn privacy.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker stelt – samengevat – het volgende. De conclusie van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten. Verzoeker heeft zich in zijn verweerschrift erop beroepen dat de klacht tegen het artikel van 24 september 2020 buiten de termijn was ingediend en bovendien niet was toegelicht of onderbouwd. Pas een week voor de zitting heeft klager nadere stukken ingediend, kennelijk ter onderbouwing maar nog steeds zonder toelichting. Pas op de zitting bleek dat met die stukken werd beoogd de bronnen voor het artikel van 24 september 2020 in diskrediet te brengen. Verzoeker had op de zitting onvoldoende mogelijkheid om adequaat op de stellingen van klager te reageren. Aangezien sprake was van een in beginsel niet-ontvankelijke en niet onderbouwde klacht had de Raad niet mogen volstaan met de overweging dat hij “niet over de mogelijkheid beschikt om de door het RD ter zitting verstrekte informatie op enigerlei wijze te verifiëren”. Het was juist geweest als de Raad had aangekondigd de niet-ontvankelijke klacht toch inhoudelijk te willen beoordelen en daarbij verzoeker in de gelegenheid te stellen om alsnog met stukken onderbouwd te reageren op de betwisting door klager. Dan had verzoeker kunnen aantonen dat er wel degelijk sprake was van een deugdelijke grondslag voor de artikelen en dat er gebruik was gemaakt van concrete, inzichtelijke bronnen.
Verzoeker stelt dat de feiten in het artikel van 24 september 2020 zijn gebaseerd op de arrestatiebevelen, de persverklaring van Timotheos, de foto’s, een rapport dat aantoont dat de foto’s niet zijn gemanipuleerd, de verklaring van klager, verklaringen van personen die klager herkennen, een belastende verklaring van een politieagent van 30 oktober 2020, verklaringen van Alice Mataya van 22 september 2020 en 8 april 2021 en diverse andere verklaringen. Er waren dus meerdere onafhankelijke bronnen. Voor de aanduiding ‘bronnen in Malawi’ is bewust gekozen, omdat twee van de drie bronnen anoniem wilden blijven en verzoeker zijn bronnen wil beschermen.
Verder was de berichtgeving niet tendentieus. Ten aanzien van het gebruik van het woord ‘slachtoffers’ is mogelijk sprake geweest van een ‘slip of the pen’. Het is disproportioneel om dat als onzorgvuldig aan te merken.
Ten slotte is de conclusie van de Raad over de privacyschending onjuist. Klager is bekend in landelijke en internationale media. Bovendien heeft Stichting Timotheos ten tijde van de publicatie van 20 september 2020 de naam van klager en zijn functie voluit op haar website vermeld, terwijl op diezelfde site (pers)berichten stonden over de arrestatie van de financieel directeur.

Klager stelt daar – eveneens samengevat – het volgende tegenover. Hij ziet niet in hoe de stellingen van verzoeker een ander licht werpen op de kwestie, laat staan dat die zouden kunnen leiden tot een andere uitkomst. Klager is niet bekend met het persbericht van Timotheos en vraagt zich af waarom verzoeker dat persbericht niet eerder in het geding heeft gebracht. Verzoeker heeft bericht over ‘minderjarige meisjes’ terwijl daarvan nimmer sprake is geweest. Ook met het herzieningsverzoek heeft verzoeker deze publicatie niet kunnen rechtvaardigen. Een persbericht van Timotheos is daarvoor geen deugdelijke basis. Verzoeker heeft verder niet aangetoond dat de aangehaalde bronnen voldoende concreet en controleerbaar zijn. Ten aanzien van het noemen van zijn volledige naam heeft verzoeker geen nieuwe rechtvaardigingsgronden genoemd, aldus klager.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Herziening van een eerder genomen conclusie is alleen mogelijk indien een verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Allereerst heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de klacht is behandeld. Wat hij ter zake heeft aangevoerd, maakt echter niet dat de inhoudelijke beoordeling van de klacht berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.

Verzoeker had niet op voorhand ervan mogen uitgaan dat de Raad de klacht tegen het artikel van 24 september 2020 niet inhoudelijk zou behandelen. Hij had moeten en kunnen weten dat hij inhoudelijk diende te reageren op de gehele klacht en had ter zake alle relevante stukken moeten overleggen.
De door verzoeker overgelegde documenten betreffen geen nieuwe feiten. Het gaat om documenten die dateren van vóór de behandeling van de klacht op 25 februari 2022 en die derhalve bij verzoeker bekend waren of bij hem redelijkerwijs bekend konden zijn.
Dat verzoeker zijn verweer mogelijk niet adequaat heeft opgesteld, door onvoldoende inhoudelijk te reageren en/of daarbij niet alle relevante documenten te voegen, komt voor zijn rekening en risico.

Het verzoekschrift bevat verder (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder in de procedure heeft geformuleerd en die de Raad (in de kern) heeft betrokken bij zijn oordeel. Niet is gebleken dat de Raad zijn oordeel op onjuiste constateringen heeft gebaseerd.

In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet echter niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting of een uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoeker het niet eens is met de afwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2022/7 en RvdJ 2021/47
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 2 augustus 2022 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, dr. H.P. Groenhart, J. Hoogenberg, mw. M. ten Katen en E.J. Schievink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. G. Kamminga, plaatsvervangend secretaris.