2005/36 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de stichting En nu iets Positiefs! (ENIP!)

tegen

de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

Bij brief van 12 mei 2005 met vier bijlagen heeft de stichting En nu iets Positiefs! (ENIP!) te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (hierna: verweerder). Hierop heeft R. Vermeulen, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een schrijven van 19 mei 2005 met een bijlage. Onder begeleidend schrijven van 19 mei 2005 heeft klaagster nog haar statuten overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 juni 2005. Aan de zijde van klaagster zijn daar verschenen voorzitter P.L. Meijer, vice-voorzitter J.E. Leest, penningmeester I. Akyüz, projectleider H. Darif, projectmedewerker H. Azgzaou, mr. F. Bullens, M. Benseddiq en S. Dahman. Meijer heeft de klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder was daar niet aanwezig.

DE FEITEN

Op 3 mei 2005 is op de voorpagina van het Algemeen Dagblad een foto gepubliceerd van jongeren die een bezoek brengen aan kamp Westerbork, voorzien van de kop “Handvol Marokkanen verpest bezoek Westerbork”. Het onderschrift luidt:
Een handvol jongeren heeft gisteren een smet geworpen op het bezoek van 350 Marokkanen aan kamp Westerbork. Waar de grote meerderheid met eerbied en respect over de velden loopt en luistert naar de verhalen van de voormalige kampbewoners, trekt een klein groepje joelend en ravottend over het veld, de andere bezoekers in grote ergernis achterlatend. ,,Wat doen die Ali’s hier?” Ongeveer 20 jongens, de capuchons diep over de hoofden getrokken, verpesten het voor de rest. Terwijl Westerbork-overlevende Joop Waterman zijn verhaal doet (hij werd in 1943 in het kamp geboren), loopt een aantal van de jongens heen en weer en wordt er af en toe besmuikt gelachen. Twee andere jongens klimmen in een boom. Waterman laat zich er niet door van de wijs brengen.
De berichtgeving is op pagina 7 vervolgd onder de kop “Besmuikt gelach om overlevende Westerbork”. Daarin komt verder – naast een herhaling van de, enigszins bewerkte, tekst van de voorpagina – onder meer de volgende passage voor:
Ook de media worden nogal intimiderend benaderd. Vragen stellen mag niet. En: ,,Als er nu nog één foto wordt gemaakt, dan breek ik je camera in tweeën.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de gewraakte publicatie gaat over een groep Marokkaanse jongeren uit Amsterdam-Slotervaart, waarmee zij op 2 mei 2005 op bezoek was in kamp Westerbork. Onder hen waren ook de ter zitting aanwezige Benseddiq en Dahman. Klaagster begeleidt Amsterdamse jongeren naar scholing of werk. Het gaat om jongeren met politiecontacten dan wel schooluitval of jeugdwerkloosheid, van zowel Marokkaanse als Turkse, Surinaamse en Nederlandse komaf, variërend in de leeftijd van 16 tot 22 jaar. Onderdeel van de begeleiding is een ‘burgerschapstraining’, waarin begrepen discussie-bijeenkomsten met onder andere de Anne Frank Stichting. Het bezoek aan Westerbork vond plaats in die context. Daar waren overigens niet alleen Marokkaanse maar ook Turkse jongeren bij.
Klaagster stelt dat van ‘verpesten’ van het bezoek in het geheel geen sprake was. Voorts heeft verweerder nagelaten melding te maken van de context, aldus klaagster. De jongeren moesten zich urenlang zelf bezighouden, omdat er nauwelijks een programma was gemaakt door het organiserend comité. Daardoor ontstond enige onrust, maar van ‘joelen en ravotten’ was geen sprake; de jongens hebben niet een dag lang stil op het gras gezeten, maar waren op de momenten dát er een programma was stil en betrokken. Verder is onjuist dat er ‘besmuikt is gelachen’. Van de vragen die met name door de ENIP-jongeren zijn gesteld is, in tegenstelling tot in andere kranten, in de gewraakte publicatie geen gewag gemaakt. Bovendien is ten onrechte vermeld dat ‘twee andere jongens in een boom klimmen’. De jongeren moesten zich urenlang in de stromende regen ophouden. De projectleiding maande de jongens onder een boom te schuilen; daar waar takken van een boom door hun kruising laag bij de grond een ‘zitje’ vormden, hebben enkele jongens zich daartegen aangezet, wachtend op het vervolg van het programma.
Klaagster stelt voorts dat ten onrechte is gesuggereerd dat de jongeren zich, door het dragen van capuchons, respectloos hebben gedragen. Zij wijst in dat verband naar berichtgeving ter zake in Het Parool, waarin Joop Waterman wordt aangehaald: “Dat de jongeren, te zien op krantenfoto’s en op de journaals, hun capuchons over hun hoofd trokken, wuift hij weg. “Dat was vanwege de camera’s. Toen die weg waren, deden ze weer normaal. Ik kreeg zelfs applaus.”” Overigens werden de jongeren ook vergezeld door de buurtregisseur van de politie uit Overtoomse Veld Noord. Deze heeft in een brief van 5 mei 2005 meegedeeld dat het verhaal van de heer Waterman overeenkomstig de werkelijkheid is, zoals de buurtregisseur die heeft ervaren.
Ten slotte stelt klaagster dat verweerder heeft nagelaten melding te maken van de rol van de pers en zijn eigen verslaggever. Bij aankomst in Westerbork werd de bus waarin de ENIP-jongeren zich bevonden (één van de acht bussen) door de pers bestormd. Gezien de slechte ervaringen met de pers in Amsterdam Nieuw West, hebben de projectleiders direct aan de journalisten duidelijk gemaakt dat de jongeren niet op de foto wilden. De richting waarin de jongeren vervolgens werden geleid, bleek opnieuw omgeven door een haag van journalisten. Later bleek dat de journalisten enkel interesse hadden voor de jongeren. Zij hebben hen de hele dag op de lip gezeten en het verzoek van de projectleiding volledig genegeerd. Door het in de ogen van de jongeren aanhoudend en zelfs agressief aandringen van de pers werd een sfeer gecreëerd van wantrouwen, hetgeen – overigens terughoudende – reacties uitlokte. Uiteindelijk is een jongere uitgevallen tegen de journalist, zoals is omschreven in het artikel.
Ter zitting voegt Darif hieraan toe dat de jongeren eerst bij Waterman zijn gaan zitten en dat er vervolgens allerlei fotografen achter Waterman kwamen staan om Waterman met de jongeren te fotograferen. Dahman deelt mee dat hij zich door het klikken van de camera’s niet meer kon concentreren op het verhaal van Waterman. Volgens Darif waren de jongeren zenuwachtig door de aanwezigheid van de fotografen. Toen de fotografen waren vertrokken en ze alleen met Waterman waren, werd het een serieus gesprek.
Klaagster concludeert dat de publicatie niet overeenkomt met de feitelijke gang van zaken. De weergave van de feiten en de interpretatie van verweerder zijn vooringenomen, eenzijdig en onzorgvuldig. Het artikel is bovendien tot stand gekomen mede door uitdagend gedrag van de journalist. De publicatie werkt stigmatiserend en produceert negatieve beeldvorming, en is daardoor kwetsend en schadelijk voor de beschreven jongeren, die uitgerekend door hun bezoek aan Westerbork die beeldvorming wilden doorbreken. Volgens klaagster had verweerder zich meer bewust moeten zijn van de huidige maatschappelijke conjunctuur in het debat rond integratie, inburgering en sociale uitsluiting. Verweerder had moeten beseffen dat dit soort zwart/wit- of rel-journalistiek maatschappelijk onverantwoord is, aldus klaagster.
Ter ondersteuning van haar betoog wijst klaagster op publicaties in de Volkskrant, NRC Handelsblad en Het Parool, waarin het bezoek aan Westerbork in een geheel andere – neutraal/objectieve dan wel uitgesproken positieve – toonzetting is verslagen.

Verweerder stelt voorop dat de klacht zich vooral richt op de vraag of de hele berichtgeving over het bezoek aan Westerbork evenwichtig was en daarmee een correct beeld schetste van de gebeurtenissen. Volgens verweerder is dat het geval.
Hij stelt dat de kop van de publicatie duidelijk scherp is aangezet. Volgens de verslaggever stoorden veel (Marokkaanse) deelnemers en bezoekers zich aan de vervelende en intimiderende aanwezigheid van het beschreven groepje. In dat licht en gezien het karakter van de plaats is ‘verpest’ wellicht een zware, maar niet onverantwoorde term, aldus verweerder. Dat andere kranten over het gebeurde anders berichten, is hun keuze.
Verweerder wijst er voorts op dat klaagster niet betwist dat sprake was van ‘enige onrust’. Dat heeft hij aangeduid als ‘joelen en ravotten’ en is in NRC Handelsblad ‘ravotten’ genoemd. Het leek verweerder vermeldenswaard dat terwijl de hele groep wél stil en respectvol kon blijven, een kleine groep die discipline niet kon opbrengen.
Het ‘besmuikt lachen’ is wel degelijk door de verslaggever waargenomen. Dat de gestelde vragen niet zijn opgenomen is juist, maar er wordt ook niet beweerd dat er géén vragen zijn gesteld. Wat betreft het ‘klimmen in bomen’ kan de aanleiding daarvoor best hebben gelegen in wat klaagster meldt. Feit is dat het in de beleving van veel aanwezigen voor veel onrust zorgde, aldus verweerder. Volgens hem heeft klaagster een regenbui van hooguit een halfuur ten onrechte tot ‘urenlange stromende regen’ gemaakt.
Verder stelt verweerder dat op foto’s is te zien dat de jongeren capuchons over hun hoofd hadden. Nergens is dat met respect in verband gebracht. Overlevende Waterman stoorde zich er niet aan, maar anderen vertelden dat ze zich er wel aan stoorden. Onomstreden is dat de capuchons opgingen in verband met de aanwezigheid van camera’s. Dat had in de publicatie vermeld kunnen worden. De vraag is echter of dat als ‘normaal’ gedrag kan worden bestempeld. Verweerder vond het opmerkelijk; kennelijk wilden deze jongens niet herkenbaar op de foto. Volgens de gangbare jurisprudentie inzake portretrecht is een beroep op het niet-herkenbaar afgebeeld worden alleen terecht als de afgebeelde persoon daardoor in verband wordt gebracht met laakbaar gedrag. In dit geval is het van tweeën een: óf er was inderdaad sprake van laakbaar gedrag óf er was geen sprake van laakbaar gedrag en dan was het opmerkelijk dat ze niet in beeld wilden. In beide gevallen vond verweerder het vermeldenswaard.
Verweerder stelt ten slotte dat het, gezien het feit dat het bezoek door de organisatoren bij de media ruimschoots was aangekondigd, niet vreemd was dat de media massaal waren uitgerukt. Het overgrote deel van de deelnemers ging goed met de media-aandacht om en beantwoordden de vragen van de journalisten. Het kleine groepje jongens niet: ze intimideerden de verslaggever en scholden hem uit. De aanwezige politie heeft dit ook waargenomen en hem daarover aangesproken. Dat de aandacht van de media zich vooral richtte op de groep ‘met politiecontacten’ is logisch. Het bezoek was juist voor dit soort jongeren georganiseerd.
Verweerder vond het nieuwswaardige gedrag van de gebeurtenis vooral zitten in het gedrag van een kleine groep jongeren. Klaagster heeft dat gedrag niet betwist of vergoelijkt en daarmee zijn de feiten onbetwist. Dat andere media uit die feiten een andere selectie hebben gemaakt, is hem niet te verwijten, aldus verweerder. Hij concludeert dat hij niet journalistiek onaanvaardbaar heeft gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het bezoek dat door een grote groep jongeren van niet-Nederlandse afkomst aan kamp Westerbork is gebracht, is een belangrijke historische gebeurtenis. Het is begrijpelijk dat veel media daarvan verslag hebben gedaan. De kern van de klacht is dat de wijze waarop verweerder over het bezoek heeft bericht, onjuist en journalistiek onzorgvuldig is.

In de berichtgeving is het gedrag van (een aantal van) de door klaagster begeleide jongeren (ENIP-jongeren) onder meer gekwalificeerd met de termen ‘verpest bezoek’, ‘een smet geworpen’, ‘joelend en ravottend’, ‘besmuikt gelach om overlevende’ en ‘intimiderend benaderd’. Het gedrag van de ENIP-jongeren is voorts afgezet tegen dat van de ‘grote meerderheid’ die, volgens het artikel, ‘met eerbied en respect over de velden loopt en luistert naar de verhalen van de voormalige kampbewoners’. Daarnaast bevat de berichtgeving een foto waarop een aantal ENIP-jongeren is te zien met over hun hoofd getrokken capuchons. In de tekst wordt onder meer vermeld dat ‘ongeveer 20 jongens, de capuchons diep over de hoofden getrokken, het verpesten voor de rest’.

De vormgeving van de gewraakte berichtgeving – de wijze van presenteren van feiten en meningen in combinatie met de gepubliceerde foto – laat de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de ENIP-jongeren zich tijdens hun bezoek aan kamp Westerbork ernstig hebben misdragen en niet hebben willen luisteren naar de verhalen van de voormalige kampbewoners. Aldus worden de ENIP-jongeren zodanig gediskwalificeerd, dat verweerder de negatieve, grievende kwalificaties aan hun adres – die hij als vaststaande feiten heeft gepresenteerd – niet zonder deugdelijke grondslag had mogen publiceren.

Uit de overgelegde stukken is niet gebleken dat de aan het adres van ENIP-jongeren geuite diskwalificaties door de feiten worden ondersteund. Integendeel, mede gelet op de wijze waarop onder meer in de Volkskrant, Het Parool en NRC Handelsblad over het bezoek aan Westerbork is bericht, is de conclusie gerechtvaardigd dat verweerder een aantal incidenten zodanig heeft uitvergroot en benadrukt dat hij daardoor een vertekend en ten onrechte negatief beeld van de ENIP-jongeren heeft geschetst.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over de ENIP-jongeren te berichten op de wijze als hij heeft gedaan.

(vgl. onder meer: Berghuizen tegen Lippold en Webers Media Lorentz, RvdJ 2005/12; Schreurs tegen Quote, RvdJ 2004/100)

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 juli 2005 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.J.M. Lamers, drs. P. Sijpersma en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.